Rechtbank Overijssel, 22-05-2015 / 08/177200-12


ECLI:NL:RBOVE:2015:2821

Inhoudsindicatie
De rechtbank Overijssel veroordeelt twee broers uit Deventer tot een taakstraf van 100 uur wegens mishandeling van een buurman. Overschrijding redelijke termijn.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-05-22
Publicatiedatum
2015-06-11
Zaaknummer
08/177200-12
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Zwolle


Parketnummer: 08/177200-12

Datum vonnis: 22 mei 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats]


1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 mei 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G. Nijpels en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. M.J.H. Mühlstaff, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: zich op 15 mei 2012 in Deventer schuldig heeft gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen [slachtoffer 1] dan wel deze [slachtoffer 1] tezamen en in vereniging heeft mishandeld;

Feit 2: op 15 mei 2012 in Deventer [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte – na wijziging tenlastelegging d.d. 8 mei 2015 – dat:


1.

hij op of omstreeks 15 mei 2012 in de gemeente Deventer, althans in Nederland,

met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, het [adres 1], in elk

geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd

tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit

- een harde duw geven aan die [slachtoffer 1], waardoor die [slachtoffer 1] (met zijn achterhoofd)

op de grond is gevallen en/of

- het één of meermalen die [slachtoffer 1] in het gezicht, althans op het hoofd, stompen

en/of slaan en/of

- het één of meermalen die [slachtoffer 1] in zijn rug, althans op het lichaam, schoppen

en/of

- het één of meermalen die [slachtoffer 1] in het gezicht, althans op het hoofd,

schoppen;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat


hij op of omstreeks 15 mei 2012 in de gemeente Deventer, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), een harde duw heeft gegeven

en/of één of meermalen die [slachtoffer 1] in het gezicht, althans op het hoofd, heeft

gestompt en/of geslagen en/of één of meermalen die [slachtoffer 1] in zijn rug, althans

op het lichaam, heeft geschopt en/of één of meermalen die [slachtoffer 1] in het

gezicht, althans op het hoofd, heeft geschopt, waardoor voornoemde [slachtoffer 1]

letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;


2.

hij op of omstreeks 15 mei 2012 in de gemeente Deventer, althans in Nederland,

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk

een op een (vuur)wapen (gelijkend voorwerp) in zijn hand gepakt en/of dit op een (vuur)wapen (gelijkend voorwerp) doorgeladen en/of dit op een vuurwapen (gelijkend voorwerp) op genoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] gericht en/of op genoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] is afgelopen en/of hierbij de woorden heeft toegevoegd "Ik schiet je

kapot, je beleeft nog wat", althans handelingen en/of woorden van gelijke

dreigende aard of strekking.


3De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.


Ontvankelijkheid in de vervolging

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de officier van justitie ten aanzien van de dagvaarding niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu het tijdsverloop tussen de ten laste gelegde feiten en de uiteindelijke berechting drie jaar is waardoor er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De raadsman voelt zich hierin gesteund door een brief van het openbaar ministerie te Arnhem, waaruit blijkt dat meerdere zaken op zitting worden aangebracht met vooraf de mededeling aan die verdachten dat de officier van justitie de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zal vorderen. Voorts dient de officier van justitie niet ontvankelijk te worden verklaard omdat verdachte tijdens de verhoren bij de politie niet is bijgestaan door een advocaat.


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een lang tijdsverloop tussen de ten laste gelegde feiten en de behandeling ter terechtzitting waar geen aanwijsbare reden voor is. Echter is hij van oordeel dat het het openbaar ministerie vrij staat om ook dergelijke oude zaken bij de rechtbank aan te brengen. Het tijdsverloop dient, zoals door de Hoge Raad in vaste jurisprudentie is bepaald, niet te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, maar eventueel tot strafvermindering.

Met betrekking tot de afwezigheid van een advocaat bij de verhoren van verdachte bij de politie heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte heeft afgezien van het recht op consultatie en dat het in Nederland geen geldend recht is dat een advocaat bij de politieverhoren aanwezig is. De onderhavige zaak valt overigens ook niet binnen de zogenaamde A-categorie van zaken waarbij de aanwezigheid van een advocaat bij een verhoor bij de politie volgens OM-beleid aangewezen wordt geacht.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de gevoerde ontvankelijkheidsverweren het volgende.


Redelijke termijn

In strafzaken kan op het aan de verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

De rechtbank is van oordeel dat in onderhavige zaak op 15 mei 2012 verdachte voor de eerste keer is verhoord op het politiebureau te Deventer en dat vanaf dat moment de redelijke termijn is gaan lopen. De zaak is vervolgens pas voor het eerst op 18 november 2014 bij de rechtbank aangebracht. De rechtbank is met de raadsman en officier van justitie van oordeel dat er sprake is van een ruime overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, maar evenals de officier van justitie heeft aangevoerd hoeft dit volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De enkele omstandigheid dat het openbaar ministerie te Arnhem in een aantal andere strafzaken verdachten vooraf heeft aangekondigd ter terechtzitting de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te zullen vorderen brengt niet mee dat het openbaar ministerie in het onderhavige geval niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, reeds omdat niet kan worden vastgesteld dat het gaat om vergelijkbare zaken op grond waarvan voor het openbaar ministerie enigerlei verder strekkende werking uitgaat. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat wat het openbaar ministerie ook in enig schrijven vooraf aan verdachten in zaken verwoordt, onverlet laat dat het oordeel over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging in een strafzaak uiteindelijk aan de rechter is. Ook in zoverre wordt het ontvankelijkheidsverweer dan ook verworpen.


Bijstand raadsman/vrouw verhoor

Met betrekking tot het verweer van de raadsman omtrent het ontbreken van de bijstand van een advocaat bij het verhoor bij de politie overweegt de rechtbank dat verdachte zowel op 15 mei 2012 als op 16 mei 2012 afstand heeft gedaan van het recht op bijstand van een advocaat. Op pagina 37 van het dossier staat als verklaring van verdachte opgenomen: “Er is mij verteld dat ik het recht heb om voor de aanvang van het eerste verhoor een advocaat te mogen raadplegen. Ik wens geen gebruik te maken van dit recht.” Tijdens een verhoor op 16 mei 2012 (pagina 39) verklaart verdachte aan het begin van dit verhoor die middag met een advocaat te hebben gesproken. Daarna antwoordt verdachte op de vraag van verbalisant of hij wil meewerken aan voortzetting van het verhoor dat hij dit wel wil. De rechtbank is van oordeel dat verdachte op twee verschillende momenten heeft laten blijken dat hij geen bijstand wilde van een advocaat. De rechtbank verwerpt derhalve ook dit ontvankelijkheidsverweer.


De rechtbank heeft gelet op het hiervoor overwogene vastgesteld dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


4De beoordeling van het bewijs


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


4.1

Het standpunt van de officier van justitie.


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.


4.2

Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft met betrekking tot het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde aangevoerd dat er een vechtpartij heeft plaatsgevonden tussen aangever en verdachte, waarbij over en weer geweld is toegepast. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat uit de voorhanden zijnde stukken, waaronder tegenstrijdige en/of onbetrouwbare getuigenverklaringen, niet bewezen kan worden dat verdachte een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) in handen heeft gehad waardoor verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.


4.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


Met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde.


Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank het volgende worden vastgesteld. Op dinsdag 15 mei 2012 is er aan de openbare weg onenigheid ontstaan tussen de familie van verdachte, [naam familie], en de familie [slachtoffer 1] aan het [adres 1] te Deventer. Op enig moment is verdachte op [slachtoffer 1] af gelopen en heeft hij [slachtoffer 1] een harde duw gegeven waardoor deze ten val is gekomen. Verdachte en [slachtoffer 1] raakten in gevecht waarbij verdachte [slachtoffer 1] heeft geslagen en geschopt. Verdachte is op [slachtoffer 1] gaan zitten. [slachtoffer 1] is tijdens deze worsteling in het gezicht en op het lichaam geraakt. Vervolgens is medeverdachte [medeverdachte] erbij gekomen en heeft ook hij geweld jegens [slachtoffer 1] uitgeoefend door [slachtoffer 1] te schoppen.


De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair ten laste gelegde.


Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde.


Na het vorenomschreven geweld door verdachte en zijn medeverdachte broer zoals onder 1 primair bewezen is verklaard, is [slachtoffer 2] bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door verdachte met de woorden “Ik schiet je kapot, je beleeft nog wat”. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend soortgelijke woorden te hebben gebezigd. Met betrekking tot het bedreigen met een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp overweegt de rechtbank dat verdachte van aanvang af stellig heeft ontkend dat gebruik is gemaakt van vuurwapens. Voorts bevinden zich in het dossier verklaringen die op onderdelen tegenstrijdigheden of inconsistenties vertonen, bijvoorbeeld waar wordt gesproken over vuurwapens en/of geweren, en wie wie waarmee zou hebben bedreigd. Tenslotte acht de rechtbank ook relevant dat ondanks een opsporingsonderzoek door de politie kort na het voorval geen enkel (op een) vuurwapen (gelijkend) voorwerp is aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat een of meer vuurwapens, dan wel op vuurwapens gelijkende voorwerpen voorhanden zijn geweest en/of gebruikt. Dit alles brengt mee dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte met een (op een) vuurwapen ( gelijkend voorwerp) heeft gedreigd. De rechtbank zal verdachte dan ook voor dat deel van het tenlastegelegde vrijspreken.


4.4

De conclusie


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


1. primair

hij op 15 mei 2012 in de gemeente Deventer, met een ander, aan de openbare weg, het [adres 1], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit

- een harde duw geven aan die [slachtoffer 1], waardoor die [slachtoffer 1] (met zijn achterhoofd)

op de grond is gevallen en

- het die [slachtoffer 1] in het gezicht, stompen en/of slaan en

- het die [slachtoffer 1] op het lichaam schoppen en

- het die [slachtoffer 1] in het gezicht schoppen;


2.

hij op 15 mei 2012 in de gemeente Deventer, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte [slachtoffer 2] opzettelijk de woorden toegevoegd "Ik schiet je kapot, je beleeft nog wat" .


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


5De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 141 en 285 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


feit 1 primair

het misdrijf: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.


feit 2

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.


6De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.


7De op te leggen straf


7.1

Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft op grond hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd een werkstraf op te leggen voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek van de dagen doorgebracht in voorarrest. Voorts heeft hij gevorderd afwijzing van de civiele vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2].


7.2

Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de strafmaat gelet op zijn betoogde vrijspraak.


7.3

De gronden voor een straf


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte broer schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging in vereniging jegens een buurman. Daarmee heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast heeft verdachte een ander verbaal met de dood bedreigd. De rechtbank rekent dit verdachte aan.


Bij haar beslissing heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 18 maart 2015 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder ter zake soortgelijke feiten met politie en/of justitie in aanraking is geweest.


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte tevens rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Immers, sinds de aanhouding van de verdachte en het moment van de zitting is een periode van meer dan twee jaar verstreken. In casu gaat het niet om een complexe zaak en de termijnoverschrijding is niet aan enig handelen van verdachte te wijten. De officier van justitie heeft bij zijn eis rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank komt toch tot een lagere straf dan geëist, omdat zij niet bewezen acht dat verdachte heeft bedreigd met een vuurwapen.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.


8De schade van benadeelde


8.1

De vordering van de benadeelde partij


[slachtoffer 2], wonende te [adres 2], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces.


Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk, reeds omdat de vernieling van de personenauto van [slachtoffer 2] niet aan verdachte ten laste is gelegd. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.


9De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22c, 22d, 27 en 57 Sr.



10De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- kwalificeert dit als hiervoor vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde;


straf

  • - veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van een werkstraf van 100 (honderd) uren;
  • - beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;
  • - beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf voor de aftrek geldt twee uren per dag inverzekeringstelling;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 2], wonende te [adres 2], in het geheel niet-ontvankelijk is in zijn vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.


Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. T. Avedissian en

mr. E. Leentjes, rechters, in tegenwoordigheid van W. van Goor, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2015.



Buiten staat

Mr. E. Leentjes is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie IJsselland, recherche Deventer, met nummer PL04DD 2012065413. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


Feit 1.


1.

Een proces-verbaal aangifte d.d. 17 juli 2012, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [slachtoffer 1]:

Ik ben op dinsdag 15 mei 2012, op het woonwagenkampje aan het [adres 1] te Deventer, mishandeld door de broers [medeverdachte] en [verdachte]. (…)


2.

Een proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 15 mei 2012, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [slachtoffer 1]:

(…) Ik zag dat [verdachte] rechtstreeks naar mij toeliep. Onder het lopen gaf hij mij een harde duw waardoor ik achterover op de grond viel. Ik viel hard met mijn achterhoofd op de grond. (…) Dit deed behoorlijk pijn. (…) [verdachte] dook boven op mij. (…) Ik zag en voelde dat [verdachte] een paar keer probeerde te slaan. Hij raakte mij twee keer in het gezicht. (…) Ik voelde dat ik op dat moment twee of drie keer in de rug werd geschopt. Ik vermoed dat [medeverdachte] mij schopte. Het lukte mij uiteindelijk om [verdachte] om te draaien. Op dat zelfde moment voelde ik een schop tegen mijn achterhoofd. Dat deed behoorlijk pijn. (…) Ik draaide mijn hoofd om in de richting waar die schop weg kwam. Ik zag [medeverdachte] staan. Ik zag en voelde dat [medeverdachte] mij hard met een van zijn voeten hard in mijn gezicht schopte. Dit deed erg pijn. (…)


3.

Een proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 16 mei 2012, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [verdachte]:(…) Toen die middag na enige tijd de buurman [slachtoffer 1] terug kwam begon hij mijn vader uit te dagen. (…) uiteindelijk ben ik toen zelf naar buiten gelopen om hem daar op aan te spreken. (…) Ik heb hem toen beetgepakt om te voorkomen dat de rollen andersom zouden draaien. Ik ben dus als eerste begonnen met het toepassen van fysiek geweld. (…) Ik heb hem daarna beetgepakt en wij zijn met elkaar aan het stoeien geraakt. (…) Ik versta daaronder dat wij elkaar behoorlijk hebben geslagen en geschopt. (…) Toen wij aan het vechten waren kwamen [slachtoffer 1] en ik op de grond te vallen. [slachtoffer 1] kwam daardoor onder mij te liggen. (…)


4.

Een proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 16 mei 2012, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [medeverdachte]:

(…) Mijn broer [verdachte] en [slachtoffer 1] kwamen in een handgemeen terecht en kwamen daarbij op de grond te vallen. Van beide kanten is toen gevochten en daarbij is door beiden geslagen en geschopt. (…) [slachtoffer 1] probeerde mijn broer [verdachte] nog te schoppen en ik zag dat, waarop ik, toen [slachtoffer 1] zo op de grond lag, heb geschopt. Ik raakte hem in het gezicht. (…)


5.

Een proces-verbaal aangifte d.d. 23 juli 2012, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [naam]:

(…) Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer 1] een duw gaf waardoor [slachtoffer 1] op de grond viel. [verdachte] ging boven op hem zitten. (…) Ik zag dat [medeverdachte] [slachtoffer 1] enkele keren tegen het lichaam van [slachtoffer 1] schopte. [verdachte] sloeg [slachtoffer 1]. (…)


Feit 2.


6.

Een proces-verbaal aangifte d.d. 20 juli 2012, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [slachtoffer 2]:

Ik doe hierbij aangifte van bedreiging (…)gepleegd op dinsdag 15 mei 2012 tussen 18.30 uur en 19.30 uur op het woonwagenkampje aan het [adres 1] in Deventer. (…)


7.

Een proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 15 mei 2012, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [slachtoffer 2]:(…) Ik zag dat [medeverdachte] of [verdachte] bij mijn auto bleef staan roepen in mijn richting van: Ik schiet je kapot, je beleeft nog wel wat (…)


8.

De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting d.d. 8 mei 2015, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

(…) Ik heb op 15 mei 2012 van alles in de richting van [slachtoffer 2] geschreeuwd. Woorden als “Ik schiet je kapot” kan ik ook wel gezegd hebben. (…)



1 Pagina 49-50
2 Pagina 51-53
3 Pagina 39-41
4 Pagina 24-27
5 Pagina 56-58
6 Pagina 66-67
7 Pagina 46-48