Rechtbank Overijssel, 12-06-2015 / ak_14_2648


ECLI:NL:RBOVE:2015:2832

Inhoudsindicatie
Beroep tegen verlening van omgevingsvergunning voor de bouw van een varkensstal. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-06-12
Publicatiedatum
2015-06-15
Zaaknummer
ak_14_2648
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JM 2015/129 met annotatie van A. Wagenmakers
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 14/2648


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] te [plaats], eisers,

gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof, te Wageningen,


en


het college van burgemeester en wethouders van Raalte, verweerder,

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam varkenshandel] V.O.F., te Raalte,

gemachtigde: ing. B.H. Wopereis, te Lichtenvoorde.



Procesverloop


Bij besluit van 7 juli 2014 heeft verweerder aan [naam varkenshandel] V.O.F. te Raalte een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het bouwen van een varkensstal met luchtwasser op het perceel [adres 1] te Raalte en ten behoeve van het wijzigen van de inrichting op dit perceel.


Bij uitspraak van 26 september 2014 (Awb 14/2124 en 14/2125) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het beroep met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.


Bij besluit van 30 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder wederom aan [naam varkenshandel] V.O.F. te Raalte een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het bouwen van een varkensstal met luchtwasser op het perceel [adres 1] te Raalte en ten behoeve van het wijzigen van de inrichting op dit perceel. De omgevingsvergunning is ter inzage gelegd van 10 oktober 2014 tot en met 21 november 2014.


Eisers hebben tegen dit besluit op 17 oktober 2014 beroep ingesteld.


De rechtbank heeft desgevraagd [naam varkenshandel] V.O.F., hierna te noemen de derde partij, in de gelegenheid gesteld om deel te nemen aan dit geding.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2015. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.M. Legebeke en A.B. Willegenburg. De derde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Veldkamp, bijgestaan door ing. B.H. Wopereis.


Overwegingen


1.1

De derde partij voert een varkenshouderij aan de [adres 1] te Raalte. De inrichting is gelegen in het buitengebied van de gemeente Raalte. Bij besluit van 18 augustus 2009 is ten behoeve van deze inrichting een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend.


1.2

Eiser [eiser 1] woont aan de [adres 2] te Raalte. Eiser [eiser 2] woont aan de [adres 3] te Raalte. De woning aan de [adres 2] te Raalte ligt op een afstand van hemelsbreed 166 meter van de inrichting. De afstand van de woning aan de [adres 3] tot de inrichting is iets groter.


1.3

De derde partij heeft twee oudere varkensstallen gesloopt en wil een nieuwe, grotere stal bouwen. Tevens wil de derde partij het aantal varkens dat in de inrichting gehouden wordt uitbreiden. In de nieuw te bouwen stal zullen 2992 mestvarkens en 2376 gespeende biggen worden gehuisvest.


1.4

Bij besluit van 5 maart 2013 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het bouwen van een varkensstal op het perceel [adres 1] te Raalte en ten behoeve van het wijzigen van de werking van de inrichting op dit perceel. Bij uitspraak van 21 november 2013 (Awb 13/929) heeft de rechtbank het door eisers tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en heeft de rechtbank het besluit van 5 maart 2013 vernietigd. Vervolgens heeft de derde partij de aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning ingetrokken.


1.5

De derde partij heeft op 23 december 2013 een nieuwe aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning ingediend. Het bouwplan van de nieuw te bouwen stal is enigszins gewijzigd ten opzichte van het bouwplan waarop de uitspraak van de rechtbank van 21 november 2013 (Awb 13/929) betrekking had. De nieuw te bouwen stal zal, anders dan in het vorige plan, worden voorzien van een gecombineerde biologische luchtwasser. Ook is de nieuw te bouwen stal breder.


1.6

Bij besluit van 7 juli 2014 heeft verweerder de aanvraag ingewilligd en een omgevingsvergunning verleend. Bij uitspraak van 26 september 2014 (Awb 14/2124 en 14/2125) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het door eisers ingestelde beroep met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegrond verklaard en het besluit van 7 juli 2014 vernietigd.


1.7

Bij het bestreden besluit heeft verweerder wederom een omgevingsvergunning verleend voor de volgende activiteiten in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo):


  • - het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onder a, Wabo);
  • - het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo);
  • - het veranderen van een inrichting (artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo).

Bouwen en gebruiken in strijd met het bestemmingsplan


2.1

Ten aanzien van de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en onder c, van de Wabo, stelt de rechtbank voorop dat het bouwplan gelegen is binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Buitengebied Raalte”. De gronden waarop het bouwplan gesitueerd is, hebben de bestemming ‘agrarisch’ met de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. Vast staat dat het bouwplan de grenzen van het bouwvlak aan de zuidzijde overschrijdt. Dat ook aan de achterzijde van de stal de grenzen van het bouwvlak (zullen) worden overschreden is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt.


2.2

Verweerder heeft, met toepassing van artikel 3.4.1 van de voorschriften behorend bij het bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften), de afwijking van de regel, dat binnen het bouwvlak dient te worden gebouwd, toegestaan.


2.3

Op grond van het bepaalde in artikel 3.4.1 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag ten behoeve van agrarische bedrijven bij een omgevingsvergunning afwijken van de op de verbeelding aangegeven begrenzing van een bouwvlak en het bepaalde in artikel 3.2, onder a, met inachtneming van het volgende:

overschrijding van het bouwvlak is alleen toelaatbaar, voor zover een doelmatige bedrijfsvoering dit noodzakelijk maakt; hiervan is in ieder geval sprake, indien de overschrijding van het bouwvlak vanwege de milieuwetgeving of het dierenwelzijn is vereist;

er dient voorzien te worden in een adequate landschappelijke inpassing.


2.4

Bij voornoemde uitspraak van 26 september 2014 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het besluit van 7 juli 2014, dat in die procedure ter toetsing voorlag, een aantal gebreken bevatte. Ten aanzien van een aantal gebreken heeft de voorzieningenrechter toen geoordeeld dat deze herstelbaar waren. Omdat, in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:12, eerste lid, en 3:44, eerste lid, onder a, van de Awb in de publicatie van het voornemen om een omgevingsvergunning te verlenen, in de publicatie van het besluit waarbij de omgevingsvergunning was verleend, niet vermeld was dat de omgevingsvergunning tevens betrekking had op de activiteit ‘het afwijken van het bestemmingsplan’ en dit gebrek niet hangende beroep kon worden hersteld, heeft de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaard en het besluit van 7 juli 2014 vernietigd.


2.5

De rechtbank constateert dat voorafgaand aan het thans bestreden besluit niet opnieuw toepassing is gegeven aan het bepaalde in afdeling 3.4 van de Awb.


2.6

De rechtbank is van oordeel dat in zoverre weliswaar sprake is van een gebrek in de besluitvorming, maar dit gebrek kan, zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1210), met toepassing van artikel 6:22 van de Awb buiten beschouwing worden gelaten indien aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. De uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 februari 1999 (No. E03.98.0399/P01) en van 20 juli 1999 (No. E03.98.0399/Y01) leiden de rechtbank niet tot een ander oordeel, reeds omdat artikel 6:22 van de Awb destijds anders luidde dan ten tijde van het thans bestreden besluit het geval is.


2.7

Voorts is niet gebleken dat eisers door het niet opnieuw toepassing geven aan het bepaalde in afdeling 3.4 van de Awb in hun belangen zijn geschaad. Hierbij acht de rechtbank van belang dat een volledige inhoudelijke afweging, van alle betrokken belangen, ook ten aanzien van de activiteit “het afwijken van het bestemmingsplan”, heeft plaatsgevonden en dat eisers ook reeds eerder, voorafgaand aan het nemen van het besluit van 7 juli 2014 en naar aanleiding van dat besluit, hun standpunt naar voren hebben kunnen brengen en zij van deze mogelijkheid ook daadwerkelijk gebruik hebben gemaakt. Voor het aanvoeren van nieuwe gronden hebben eisers voldoende gelegenheid gehad.


2.8

In de publicatie van het thans bestreden besluit is, anders dan bij het besluit van 7 juli 2014, wel op correcte wijze vermeld dat dit tevens betrekking heeft op het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.


2.9

De rechtbank stelt vast dat hetzelfde aantal dieren als de derde partij wil huisvesten in de nieuw te bouwen stal ook in een kleinere stal, die wel binnen het bouwvlak past, mag worden gehuisvest. De derde partij wil evenwel zijn veehouderij volgens het ‘beter leven-concept’ inrichten, wat ondermeer inhoudt dat de hokken van de binnen de inrichting gehuisveste varkens groter zijn dan het wettelijk minimum. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij de beoordeling of de overschrijding van het bouwvlak noodzakelijk is, in het kader van artikel 3.4.1, onder a, van de planvoorschriften, terecht de ingediende aanvraag als uitgangspunt genomen. Het is niet aan verweerder om de wens van de derde partij om binnen zijn bedrijfsvoering meer aandacht te schenken aan dierenwelzijn, op noodzakelijkheid te beoordelen. Vast staat dat voor het volgens het ‘beter leven-concept’ huisvesten van het aantal varkens dat de derde bedrijf in de nieuw te bouwen stal wil huisvesten een overschrijding van het bouwvlak noodzakelijk is. In zoverre is de afwijking van het bestemmingsplan naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende gemotiveerd.


2.10

De rechtbank is van oordeel dat voor wat betreft de landschappelijke inpassing, in het kader van artikel 3.4.1, onder b, van de planvoorschriften, volstaan kon worden met een beplantingsstrook voor de plek waar het bouwvlak wordt overschreden. De noodzaak om te voorzien in een adequate landschappelijke inpassing is gerelateerd aan de afwijking van het bestemmingsplan. De noodzaak om te voorzien in adequate landschappelijke inpassing van het bouwplan op plekken waar het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet uit het bepaalde in artikel 3.4.1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften.


2.11

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook terecht bevoegd geacht om met toepassing van het bepaalde in artikel 3.4.1 van de planvoorschriften, gelezen in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1º, van de Wabo, een afwijking van het bestemmingsplan toe te staan. Verweerder heeft de hierbij betrokken belangen op zorgvuldige wijze tegen elkaar afgewogen.


2.12

De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat het bestreden besluit, voor zover hierbij een omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo, deugdelijk is gemotiveerd en in rechte kan worden gehandhaafd.


Het veranderen van een inrichting


3.1

Ten aanzien van de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo stelt de rechtbank voorop dat een omgevingsvergunning voor een dergelijke activiteit op grond van het bepaalde in artikel 2.14, derde lid, van de Wabo slechts in het belang van het milieu kan worden geweigerd. Weigering van een omgevingsvergunning voor een dergelijke activiteit op grond van andere belangen is niet mogelijk.


3.2

Ingevolge het bepaalde in artikel 2.14, eerste lid, onder a, van de Wabo dienen de in deze bepaling genoemde belangen in ieder geval betrokken te worden bij de beslissing op de aanvraag van een vergunning voor een dergelijke activiteit.


Geur:


3.3

Eisers stellen zich op het standpunt dat de geurbelasting in de bij het bestreden besluit behorende stukken niet juist is berekend. Vanwege de geurbelasting had een milieueffectrapportage (hierna: MER) moeten worden opgemaakt. Alleen zo kan de cumulatieve geurbelasting van de diverse inrichtingen op de woningen in dit gebied goed in beeld worden gebracht.


3.4

De rechtbank stelt voorop dat artikel 2, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bepaalt dat bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij het bevoegd gezag de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot met 9 van de Wgv betrekt.


3.5

Aangezien de gemeente Raalte gelegen is binnen een concentratiegebied, als bedoeld in bijlage 1 bij de Meststoffenwet, en de woningen van eisers gelegen zijn buiten de bebouwde kom, dient de omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wgv, geweigerd te worden indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht.


3.6

In artikel 10 van de Wgv, voor zover hier van belang, is bepaald dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de wijze waarop de geurbelasting wordt bepaald. Deze ministeriële regeling is de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). In artikel 2, eerste lid, van de Rgv is bepaald dat de geurbelasting wordt berekend met inachtneming van het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning 2010 (hierna: V-Stacks vergunning). Dat eisers menen dat dit verspreidingsmodel onvolkomenheden bevat kan er niet afdoen dat dit model wettelijk is voorgeschreven. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld bij uitspraak van 15 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3726) laat het systeem van de wet geen ruimte om andere elementen bij de beoordeling van de geurhinder te betrekken. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder bij de berekening van de geurbelasting met behulp van dit model is uitgegaan van onjuiste gegevens.


3.7

Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1094) kan op basis van de normen in de Wgv niet worden opgetreden tegen een inrichting die meer geur produceert dan de geurnormen die op grond van de Wgv bij vergunningverlening in acht moeten worden genomen, indien deze inrichting zich houdt aan de aan een dergelijke inrichting verleende voorschriften van de omgevingsvergunning. De geurnormen van de Wgv zijn enkel bedoeld voor de vergunningverlening. Eisers hebben om deze reden verzocht om aan de omgevingsvergunning een voorschrift met geurnormen te verbinden, zodat in geval van overschrijding van de geurnormen hiertegen wel handhavend kan worden opgetreden.


3.8

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen aanleiding om aan de vergunning tevens een voorschrift met daarin geurnormen voor de inrichting te verbinden. In dit verband acht de rechtbank van belang dat niet goed meetbaar is wat de feitelijke geurbelasting vanuit een inrichting op een geurgevoelig object is. Feitelijk valt niet te bepalen welk deel van een waargenomen geur uit welke bron afkomstig is. Wat de belasting vanuit een bepaalde inrichting is, kan enkel door middel van berekeningen worden vastgesteld. Dit vindt in het kader van de vergunningverlening plaats met V-Stacks vergunning, zoals ook in het onderhavige geval is geschiedt.


3.9

Ten aanzien van de stelling van eisers dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de cumulatieve geurbelasting vanuit meerdere veehouderijen, oordeelt de rechtbank, in navolging van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 april 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BI1857), dat de Wgv geen ruimte laat voor het betrekken van cumulatieve geurhinder bij de beoordeling van een aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning voor het wijzigen van een inrichting. Dat de woningen van eisers tevens belast worden door geur die afkomstig is van andere inrichtingen kan bij de beoordeling of een omgevingsvergunning dient te worden verleend voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, dan ook geen rol spelen. De omstandigheid dat de achtergrondbelasting met een onjuiste ruwheidsfactor zou zijn berekend, maakt dit, gelet op het systeem van de Wgv, evenmin anders.


MER:


3.10

De rechtbank stelt voorop dat het op 27 januari 2014 door verweerder genomen ‘MER-beoordelingsbesluit’ geldt als een voorbereidingshandeling, als bedoeld in artikel 6:3 van de Awb. Hiertegen konden eisers destijds geen rechtsmiddelen aanwenden. Tegen deze voorbereidingshandeling kunnen eisers thans, in het kader van het door hen ingestelde beroep tegen de verleende omgevingsvergunning, opkomen.


3.11

In het kader van de m.e.r.-beoordeling kunnen de milieugevolgen van een installatie breder worden bezien dan het geval is bij de beoordeling van een verleende omgevingsvergunning. Zo kunnen in het kader van een m.e.r.-beoordeling ook alternatieven en cumulatieve milieugevolgen van een installatie aan de orde komen.


3.12

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 21 november 2013 (Awb 13/929), inzake het vorige bouwplan van de derde partij, geoordeeld dat er op basis van de gegevens die toen aan de rechtbank zijn verstrekt geen aanleiding bestond voor het oordeel dat de door de derde partij beoogde uitbreiding zodanig was dat hiervoor een MER diende te worden verlangd.


3.13

De rechtbank is van oordeel dat niet valt in te zien dat een beoordeling van de achtergrondbelasting bij de berekening van de cumulatieve geurhinder wel zou moeten worden gemaakt in een MER ten behoeve van de verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, nu de uitkomst van deze beoordeling geen enkele invloed kan hebben op de uitkomst van de procedure in verband met de vergunningverlening.

3.14

Nu evenmin is gebleken dat sprake is van verdere bijzondere omstandigheden die nopen tot een m.e.r.-plicht, heeft verweerder zich dan ook in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat de milieugevolgen van de installatie niet zodanig zijn dat hiervoor een MER diende te worden verlangd.


Geluid:


3.15

Eisers stellen zich op het standpunt dat de voorschriften die zijn opgenomen in hoofdstuk 7 van de voorschriften bij de vergunning onvoldoende bescherming bieden tegen geluidsoverlast. Bij de berekening van de te verwachting geluidsbelasting is uitgegaan van een te laag bronvermogen voor schreeuwende varkens. De geluidsnormen zijn voor de inrichting niet naleefbaar en de vergunning had daarom niet mogen worden verleend.


3.16

Voor wat betreft de geluidsbelasting van de inrichting is in voorschrift 7.1.1 bij de vergunning bepaald dat het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999.


3.17

Ingevolge het bepaalde in voorschrift 7.2.1 mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAR,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten vanwege de representatieve bedrijfssituatie, ter hoogte van woningen van derden niet meer bedragen dan:


tijdens de dag (07.00-19.00 uur) : 40 dB(A)

tijdens de avond (19.00-23.00 uur) : 35 dB(A)

tijdens de nacht (23.00-07.00 uur) : 30 dB(A).


Ingevolge het bepaalde in voorschrift 7.3.1 mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAR,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten vanwege de incidentele bedrijfssituatie, ter hoogte van het beoordelingspunt bij de woning aan de [adres 2] niet meer bedragen dan:


tijdens de dag (07.00-19.00 uur) : 41 dB(A)

tijdens de avond (19.00-23.00 uur) : 38 dB(A)

tijdens de nacht (23.00-07.00 uur) : 36 dB(A).


Ingevolge het bepaalde in voorschrift 7.4.1 mag het maximale geluidsniveau LAmax (in dB(A)) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten ter hoogte van het beoordelingspunt bij de woning aan de [adres 2] niet meer bedragen dan:


tijdens de dag (07.00-19.00 uur) : 55 dB(A)

tijdens de avond (19.00-23.00 uur) : 54 dB(A)

tijdens de nacht (23.00-07.00 uur) : 54 dB(A).


3.18

De rechtbank stelt vast dat de opmerking over het lossen van varkens in de nacht in bijlage C2-1 bij het bij de vergunning horende rapport van het Geluidburo van 7 november 2013, betrekking heeft op het laden en lossen van gelten, oftewel eenjarige zeugen. Dat hierbij ten onrechte het woord ‘nacht’ is vermeld, is naar het oordeel van de rechtbank een kennelijke verschrijving, nu uit de berekende resultaten blijkt dat deze voor wat betreft de gelten betrekking hebben op de dagperiode. Deze onduidelijkheid leidt niet tot het oordeel dat op dit punt sprake is van een motiveringsgebrek. Hiertoe acht de rechtbank doorslaggevend dat gelten ook varkens zijn en dat de vermelding in bijlage C2-1 daarom in strikte zin niet onjuist is.


3.19

Uit het rapport van het Geluidburo blijkt dat voor wat betreft het bronvermogen van schreeuwende varkens is afgegaan op ervaringscijfers op basis van metingen elders bij vergelijkbare bedrijven en een meetarchief. Deze wijze van het bepalen van het bronvermogen acht de rechtbank bij gebreke van een vaste norm waar op afgegaan kan worden aanvaardbaar. Dat, zoals door eisers betoogd, door anderen ook wel van een hoger bronvermogen wordt uitgegaan, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om hieraan af te doen. Hiermee is immers niet aangetoond dat de wijze waarop het Geluidburo het gehanteerde bronvermogen heeft bepaald onjuist dan wel onzorgvuldig is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voor wat betreft het uitgangspunt dat het bronvermogen van schreeuwende varkens 111 dB(A) bedraagt, dan ook mogen baseren op het rapport van het Geluidburo.


3.20

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geen extra toeslagfactor van 5 dB(A) voor tonaal geluid berekend vanwege de achteruitrijsignalering van op het terrein van de inrichting rijdende vrachtwagens. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk gemaakt dat het geluid van de achteruitrijsignalering volledig gemaskeerd wordt door omgevingsgeluid en dat deze daarom niet of nauwelijks waarneembaar is bij de woningen van eisers. Onder deze omstandigheden hoefde hiermee geen rekening te worden gehouden en hoefde geen toeslagfactor vanwege tonaal geluid in rekening te worden gebracht. Dat, zoals namens eisers is betoogd, ook het achtergrondgeluid kan fluctueren, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om hieraan af te doen.


Richtlijn mestverwerking


3.21

Het beroep op de Richtlijn mestverwerking is ter zitting ingetrokken.


Conclusie:


3.22

De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat het bestreden besluit, voor zover hierbij een omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, deugdelijk is gemotiveerd en in rechte kan worden gehandhaafd.


4.1

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit de rechterlijke toets doorstaat.


4.2

Het beroep is daarom ongegrond.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding









Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzitter, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op





griffier voorzitter



























Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.