Rechtbank Overijssel, 06-05-2015 / C/08/167217 / HA ZA 15-60


ECLI:NL:RBOVE:2015:2910

Inhoudsindicatie
BTW component in vaststellingsovereenkomst? Bij een eerder vonnis heeft de rechtbank voor recht verklaard dat eisers hun taken als bestuurders van gefailleerde onbehoorlijk hebben vervuld en dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Bij dat vonnis zijn eisers hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van het faillissementstekort. In hoger beroep hebben eisers met de curator een vaststellingsovereenkomst opgesteld ter beëindiging van het geschil. De discussie tussen partijen spitst zich in de onderhavige zaak toe op het antwoord op de vraag of er in het door eisers verschuldigde bedrag een BTW component zit. Meer specifiek betreft het geschil de vraag of het bedrag de vergoeding vormt voor een belastbare dienst (de overdracht van het klantenbestand van gefailleerde), dan wel een verogeding voor geleden schade. De rechtbank stelt voorop dat de vaststellingsovereenkomst zelf niet vermeldt uit welke hoofde het bedrag door eisers aan de curator is betaald. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat het door eisers betaalde bedrag moet worden gezien als een schadevergoeding, waarover dus geen BTW verschuldigd is.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-05-06
Publicatiedatum
2015-06-18
Zaaknummer
C/08/167217 / HA ZA 15-60
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Almelo


zaaknummer: C/08/167217 / HA ZA 15-60

datum vonnis: 6 mei 2015


Vonnis in de zaak van


1. de rechtspersoon naar Duits recht

ECO-NOVA HANDELS GmbH,

gevestigd te Schüttorf (Duitsland),

verder te noemen Eco-Nova,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen [eiser 2],

eisers,

advocaat mr. F. Kolkman te Almelo,


tegen


MARK WULLINK, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van \de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sterrenschoon B.V.,

wonende te Borne,

verder te noemen de curator,

gedaagde,

advocaat mr. drs. M. Wullink te Hengelo.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van de kantonrechter van 16 december 2014. In dit tussenvonnis is de zaak verwezen naar de kamer voor handelszaken in verband met de aard van de zaak (executiegeschil).


1.2.

Het vonnis is, na aanhouding, bepaald op heden.


2De beoordeling


2.1.

Voor een overzicht van de vaststaande feiten en de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar het tussenvonnis van de kantonrechter van 16 december 2014. Hetgeen in dit tussenvonnis is overwogen en besloten, moet hier als ingelast worden beschouwd.


2.2.

Samengevat komt de zaak op het volgende neer. Sterrenschoon B.V. (hierna Sterrenschoon) was een handelsmaatschappij in reinigingsmiddelen. Bestuurder en aandeelhouder van Sterrenschoon was Eco-Nova. [eiser 2] is bestuurder en aandeelhouder

van Eco-Nova. Sterrenschoon is in 2009 in staat van faillissement gesteld. In een procedure bij deze rechtbank onder zaaknummer 115782 / HA ZA 10-1123, aangespannen door de curator, heeft de rechtbank in een vonnis d.d. 15 februari 2012 voor recht verklaard dat

Eco-nova en [eiser 2] hun taak als bestuurder onbehoorlijk hebben vervuld en dat die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van Sterrenschoon. Onderdeel van het onbehoorlijk bestuur was het overhevelen van het klantenbestand van Sterrenschoon naar Eco-Nova voorafgaand aan het faillissement van Sterrenschoon. Daarnaast zijn Eco-Nova en [eiser 2] in het vonnis d.d. 15 februari 2012 hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de schulden van Sterrenschoon, daaronder begrepen de boedelschulden.


2.3.

Eco-Nova en [eiser 2] hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Ter beëindiging van het geschil hebben partijen tijdens de comparitie bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 3 juni 2013 een schikking getroffen, welke is neergelegd in een vaststellingsovereenkomst in het proces-verbaal van de comparitie. Partijen zijn in punt 1 van de vaststellingsovereenkomst overeengekomen:

“(…) Appellanten (rechtbank: Eco-Nova en [eiser 2]) betalen hoofdelijk een bedrag van € 70.000,- inclusief BTW aan de curator (…)”.


2.4.

De discussie tussen partijen spitst zich in de onderhavige zaak toe op het antwoord op de vraag of er in het door Eco-Nova en [eiser 2] verschuldigde bedrag van € 70.000,- een BTW component zit. Meer specifiek betreft het geschil de vraag of het bedrag van

€ 70.000,- de vergoeding vormt voor een belastbare dienst – namelijk overdracht van het klantenbestand van Sterrenschoon aan Eco-Nova – dan wel een vergoeding voor geleden schade.


2.5.

Op grond van artikel 2 lid 1 sub c van de richtlijn 2006/112/EG (hierna: de BTW-richtlijn) zijn diensten die onder bezwarende titel worden verricht, onderworpen aan BTW. Schadevergoedingen zijn niet belast met BTW, nu dit geen vergoedingen vormen voor een verrichtte dienst.


2.6.

Eco-Nova en [eiser 2] stellen zich op het standpunt dat zij € 70.000,- hebben betaald voor de overdacht van het klantenbestand. Het bedrag van € 70.000,- is dan ook belast met BTW. Primair vorderen Eco-Nova en [eiser 2] dan ook dat de curator wordt veroordeeld tot afgifte van een factuur waarop het BTW component tot uitdrukking komt.


2.7.

De curator voert aan dat het bedrag van € 70.000,- een netto schadevergoedingsbedrag betreft. Er is dan ook geen BTW verschuldigd.


2.8.

De rechtbank stelt voorop dat de vaststellingsovereenkomst zelf niet vermeldt uit welke hoofde (schadevergoeding dan wel levering klantenbestand) de € 70.000,- door Eco-Nova en [eiser 2] aan de curator is betaald. Bij de uitleg van hetgeen partijen met punt 1 van de vaststellingsovereenkomst hebben beoogd, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang.


2.9.

Uit de stukken in het dossier en hetgeen door partijen is gesteld, blijkt dat de vordering van de curator in de procedure welke is geëindigd in de vaststellingsovereenkomst primair gegrond was op onbehoorlijk bestuur door Eco-Nova en [eiser 2]. Uit de stukken en met name het vonnis van 15 februari 2012 blijkt voorts dat het onbehoorlijke bestuur – waaronder ook het overhevelen van het klantenbestand – een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van Sterrenschoon. De insteek van de curator met de procedure was dan ook het verkrijgen van een vergoeding voor de daardoor geleden schade.


2.10.

Een tweede omstandigheid die de rechtbank van belang acht, is dat Eco-Nova en [eiser 2] zich in de vaststellingsovereenkomst hoofdelijk hebben verbonden om het bedrag van € 70.000,- aan de curator te voldoen. Deze hoofdelijkheid vormt een aanwijzing dat het bedrag van € 70.000,- is bedoeld als schadevergoeding. Indien de € 70.000,- was betaald voor de overdracht van het klantenbestand aan Eco-Nova had het immers meer voor de hand gelegen als enkel Eco-Nova € 70.000,- aan de curator verschuldigd was.


2.11.

Daarnaast weegt de rechtbank mee dat in de vaststellingsovereenkomst geen afspraken gemaakt zijn omtrent de betaling van BTW. Bij overdacht van een klantenbestand –

zijnde het verrichten van een dienst als bedoeld in artikel 24 juncto 56 van de BTW-richtlijn – is de BTW immers verschuldigd door de afnemer van het klantenbestand, in dit geval Eco-Nova. Daarmee verhoudt zich niet hetgeen is bepaald onder punt 2 van de vaststellingsovereenkomst

“(…) Een eerste bedrag van € 50.000,- zal uiterlijk op 14 juni 2013 worden voldaan en de resterende € 20.000,- wordt voldaan in vier maandelijkse termijnen van € 5.000,- te voldoen in de maanden juli, augustus, september en oktober 2013 en telkens voor het einde van de maand. (…)”.

Het feit dat Eco-Nova en [eiser 2] op grond van punt 2 van de vaststellingsovereenkomst het gehele bedrag van € 70.000,- aan de curator verschuldigd waren, vormt derhalve eveneens een aanwijzing dat het om een schadevergoeding gaat. Indien het ging om een vergoeding voor de overdracht van het klantenbestand, hadden zij immers niet het gehele bedrag aan de curator hoeven betalen.


2.12.

Tot slot acht de rechtbank van belang dat levering van het klantenbestand feitelijk niet mogelijk was. Het klantenbestand was immers voorafgaand aan het faillissement van Sterrenschoon al door Eco-Nova en [eiser 2] overgeheveld. Ook in de vaststellingsovereenkomst zijn in het geheel geen afspraken vastgelegd over de overdacht van een klachtenbestand en/of het gebruik daarvan door Eco-Nova.


2.13.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat het door Eco-Nova en [eiser 2] betaalde bedrag van € 70.000,- moet worden gezien als een schadevergoeding, waarover dus geen BTW verschuldigd is. Hieraan kan niet afdoen de door Eco-Nova en [eiser 2] overgelegde factuur van de curator. De curator heeft immers gemotiveerd aangegeven deze factuur enkel te hebben opgesteld op verzoek en ten behoeve van de administratie van Eco-Nova. Deze factuur levert ook geen dwingend bewijs op alleen al omdat de factuur niet ondertekend is (artikel 156 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).


2.14.

Gelet op vorenstaande wordt de primaire vordering van Eco-Nova en [eiser 2] afgewezen.


2.15.

Subsidiair stellen Eco-Nova en [eiser 2] zich op het standpunt dat uit de tekst van de vaststellingsovereenkomst blijkt dat partijen hebben beoogd dat in het bedrag van

€ 70.000,- een BTW component zat. Indien blijkt dat er geen BTW verschuldigd is, dan hebben Eco-Nova en [eiser 2] dus €11.176,47 onverschuldigd is betaald.


2.16.

Zoals hiervoor door de rechtbank is vastgesteld is het bedrag van € 70.000,- een vergoeding voor geleden schade. Het is een feit van algemene bekendheid dat over schadevergoeding geen BTW verschuldigd is. Ook bij Eco-Nova en [eiser 2] was dat bekend op het moment dat zij de vaststellingsovereenkomst sloten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de zinsnede “ € 70.000,- inclusief BTW” zo moet worden uitgelegd dat het bedrag van € 70.000,- een finaal/all-in bedrag was, waarmee de zaak werd afgedaan. De rechtbank zal derhalve ook de subsidiaire vordering van Eco-Nova en [eiser 2] afwijzen.


2.17.

Eco-Nova en [eiser 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van de curator begroot op:

- vast recht € 868,00

- salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.772,00


3De beslissing

De rechtbank:


I. wijst de vordering af;


II. veroordeelt Eco-Nova en [eiser 2] in de proceskosten, aan de zijde van de curator begroot op € 1.772,00.


III. verklaart dit vonnis onder II uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. C. van de Lustgraaf en in het openbaar uitgesproken op

6 mei 2015