Rechtbank Overijssel, 18-02-2015 / C/08/152244 / HA ZA 14-97


ECLI:NL:RBOVE:2015:2973

Inhoudsindicatie
Geschil om erfenis tussen twee zussen. Erflaatster (een andere zus) overleed op 26 september 2009. Op 25 januari 2008 heeft gedaagde een bedrag van €10.100,00 overgemaakt op de bankrekening van erflaatster. Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat die betaling van €10.100,00 was ter aflossing van een geldlening, zodat dit bedrag tot de nalatenschap behoort. Volgens gedaagde heeft zij dit bedrag juist aan erflaatster geleend, en heeft zij dit bedrag dus tegoed uit de nalatenschap. Bewijslastverdeling. Eiseres dient te bewijzen dat erflaatster een geldlening aan gedaagde heeft verstrekt, die gedaagde aldus heeft terugbetaald.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-02-18
Publicatiedatum
2015-06-23
Zaaknummer
C/08/152244 / HA ZA 14-97
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Zwolle


zaaknummer / rolnummer: C/08/152244 / HA ZA 14-97


Vonnis van 18 februari 2015


in de zaak van


[eiseres],

wonende te [plaats 1],

eiseres,

advocaat mr. W. van de Velde te Rhenen,


tegen


[gedaagde],

wonende te [plaats 2],

gedaagde,

advocaat mr. C. Boussidi te Zwolle.



Partijen zullen hierna eiseres en gedaagde genoemd worden.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het tussenvonnis van 23 juli 2014 en de daarin genoemde processtukken,
  • - de aanvullende producties zijdens eiseres,
  • - het proces-verbaal van comparitie van 13 november 2014,

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

2.1.

Op 26 september 2009 is overleden mevrouw [A] (hierna: de overledene). Eiseres en gedaagde zijn (beiden) zussen van de overledene.


2.2.

Op 25 januari 2008 heeft gedaagde een bedrag van € 10.100,00 overgemaakt (hierna: de betaling) op de girorekening van de overledene.






2.3.

Op 18 januari 2010 is door notaris mr. H.J. Trip (hierna: de notaris) een verklaring van erfrecht opgesteld. Hieruit blijkt dat de erfgenamen van de overledene zijn:

mevrouw [B], zuster van de overledene (hierna: [B]);

eiseres;

gedaagde;

e heer [C], halfbroer van de overledene (hierna: [C]).


2.4.

Uit de verklaring van erfrecht volgt voorts dat [B], haar beide kinderen en haar kleinkind de nalatenschap van de overledene hebben verworpen. Eiseres, gedaagde en [C] hebben de nalatenschap van de overledene beneficiair aanvaard.


2.5.

Nadat de verklaring van erfrecht was opgesteld, bleek dat er nog een reeds overleden halfzuster van de overledene heeft bestaan, te weten mevrouw [D] (hierna: [D]). [D] heeft vier kinderen gekregen die allen nog in leven zijn. De vier kinderen zijn als erfgenamen in de plaats getreden van hun overleden moeder.


2.6.

De notaris heeft vervolgens de ontvangsten en uitgaven/schulden van de nalatenschap van de overledene geïnventariseerd, alsook berekeningen gemaakt van de verdeling van de nalatenschap tussen eiseres, gedaagde, [C] en de vier kinderen van [D].


2.7.

De erfgenamen hebben geen overeenstemming bereikt over de verdeling van de nalatenschap. Blijkens de door eiseres overgelegde – en door gedaagde onweersproken – verklaring van de notaris van 20 november 2013 zijn de niet in deze procedure betrokken erfgenamen akkoord met de verdeling van de nalatenschap conform zijn berekeningen, ongeacht de uitkomst van de onderhavige procedure.


3Het geschil

3.1.

Eiseres vordert:


a. de vaststelling door de rechtbank van de verdeling van de nalatenschap van de overledene van een totale omvang van € 29.271,64, onder vermeerdering van diverse baten (zoals rente) en onder vermindering van diverse uitgaven (zoals successierechten), tussen de diverse erfgenamen op de hiernavolgende wijze conform het overzicht van de notaris:

1. mevrouw [eiseres], wonende te [plaats 1], zuster van de overledene, voor 2/6 deel, zijnde een bedrag van € 7.639,91;

2. mevrouw [gedaagde], wonende te [plaats 2], zuster van de overledene, voor 2/6 deel, zijnde een bedrag van € 7.642,91;

3. de heer [C], wonende te [plaats 3], halfbroer van de overledene, voor 1/6 deel, zijnde een bedrag van € 3.860,21;

4. de vier kinderen van vooroverleden mevrouw [D], gezamenlijk voor 1/6 deel, zijnde een bedrag van € 3.882,60 (en ieder kind afzonderlijk voor ¼ deel van € 3.882,60, zijnde een bedrag van € 970,65),

althans de vaststelling door de rechtbank van een zodanige verdeling als zij in goede justitie vermeent te behoren;

gedaagde te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis haar medewerking te verlenen aan het uitkeren door de notaris uit het depot van de diverse bedragen aan de diverse erfgenamen, conform het overzicht zoals hierboven onder a weergegeven;

dat de rechtbank bepaalt dat indien en voor zover gedaagde geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft in de nakoming van het hierboven onder b gestelde, het door de rechtbank in deze te wijzen vonnis geheel in de plaats treedt van de door gedaagde vereiste toestemming;

gedaagde te veroordelen om voor iedere dag dat zij, nadat twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis zijn verstreken, in gebreke zal zijn om tijdig en geheel aan de uit te spreken veroordeling te voldoen, aan eiseres ten titel van dwangsom te voldoen een bedrag van € 1.000,00;

de veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure, inclusief nakosten van € 131,00 dan wel € 205,00, te vermeerderen met € 68,00 ingeval van betekening, en te bepalen dat gedaagde de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd zal zijn als deze niet binnen 14 dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis zullen zijn voldaan.


3.2.

Aan haar vordering legt eiseres ten grondslag dat gedaagde door middel van gemelde betaling van € 10.100,00 een door de overledene aan gedaagde verstrekte geldlening heeft terugbetaald. Volgens eiseres behoort bedoeld bedrag dan ook tot de nalatenschap en moet dit tussen alle erfgenamen worden verdeeld.


3.3.

Gedaagde voert verweer en betwist in het bijzonder dat de betaling een terugbetaling betreft van een geldlening die de overledene eerder aan haar zou hebben verstrekt. Gedaagde stelt dat zij voornoemd bedrag juist aan de overledene heeft geleend. Volgens gedaagde heeft zij derhalve een bedrag van € 10.100,00 uit de nalatenschap tegoed.


3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling

4.1.

De rechtbank begrijpt de vorderingen van eiseres aldus dat zij de rechtbank op basis van artikel 3:185 BW verzoekt de wijze van verdeling van de nalatenschap van de overledene vast te stellen c.q. te gelasten.


4.2.

Voordat de rechtbank toekomt aan de verdeling, zal eerst de omvang van de nalatenschap moeten worden bepaald. De erfgenamen zijn het grotendeels eens over de bestanddelen van de nalatenschap, met uitzondering van de betaling waarvan eiseres stelt – en gedaagde betwist – dat dit bedrag tot de nalatenschap behoort.


4.3.

Volgens eiseres betreft de betaling een terugbetaling door gedaagde van een geldlening die de overledene eerder aan haar had verstrekt. Eiseres voert daartoe aan dat de overledene op enig moment overwaarde heeft ontvangen uit haar woning (€ 10.000,00 contant en € 30.000,00 in depot), waarvan zij aan gedaagde een geldlening heeft verstrekt. Een deel van deze lening is door middel van de betaling door gedaagde aan de overledene terugbetaald. Eiseres voert voorts aan dat gedaagde in het verleden financiële problemen heeft gekend, hetgeen onder andere zou blijken uit geldleningen die aan haar zijn verstrekt door (de echtgenoot van) eiseres en de heer [E] (de partner van de overledene). Het feit dat gedaagde op 1 februari 2008 een bedrag van € 18.075,00 aan eiseres heeft terugbetaald duidt er volgens eiseres op dat gedaagde in die periode bezig was met het aflossen van leningen. Eiseres betoogt dat de litigieuze betaling geen geldlening betrof aan de overledene, hetgeen volgens eiseres onder andere wordt ondersteund door de door haar overgelegde verklaringen van [E] en mevrouw [F] (een nicht van de overledene). Uit de verklaring van [E] volgt volgens eiseres dat de overledene tijdens haar leven geen financiële problemen heeft gekend en dat als zij deze problemen wel had gekend, zij geld zou hebben geleend van haar partner en niet van haar zus. Ook uit de verklaring van [F] blijkt dat de overledene geen financiële problemen had en nooit een geldlening is aangegaan (behoudens een hypotheek), aldus eiseres. Naar de mening van eiseres kan op basis van de door gedaagde ter comparitie overgelegde giroafschriften van de overledene niet worden geconcludeerd dat de overledene in 2008 niet over voldoende financiële middelen beschikte. De bedragen die in deze periode regelmatig werden opgenomen van de girorekening van de overledene kunnen niet door de overledene zijn opgenomen, aldus eiseres.


4.4.

Gedaagde betwist dat de betaling een terugbetaling betreft van een eerder door de overledene aan haar verstrekte geldlening en voert aan dat zij bedoeld bedrag aan de overledene heeft geleend. Gedaagde stelt daartoe dat, hoewel zij in het verleden een financieel ‘uitdagende’ periode heeft gekend, zij in 2008 een som geld tot haar beschikking kreeg in verband met het verhogen van haar hypotheek. Gedaagde beschikte dus over voldoende financiële middelen om het bedrag van € 10.100,00 aan de overledene te kunnen lenen, aldus gedaagde. Dit blijkt volgens gedaagde tevens uit het feit dat zij op 1 februari 2008 een bedrag van € 18.075,00 aan eiseres heeft terugbetaald. Daaruit volgt volgens gedaagde niet dat zij bezig was met het terugbetalen van leningen. Gedaagde betoogt dat juist de overledene in 2008 niet over voldoende financiële middelen beschikte, hetgeen zou volgen uit de door gedaagde ter comparitie overgelegde giroafschriften van de overledene. Volgens gedaagde werden regelmatig grotere bedragen door de overledene gepind in verband met – naar de mening van gedaagde – bezoeken aan het casino. Gedaagde betwist de door eiseres overgelegde verklaring van [E]. Gedaagde betoogt dat de overledene [E] nooit om een lening zou hebben gevraagd, zeker niet als zij het bedrag ook kon lenen van haar zus. De overledene praatte verder met niemand over haar problemen, aldus gedaagde. Daarnaast betwist gedaagde dat zij geld van [E] zou hebben geleend. Ook de verklaring van [F] is volgens gedaagde niet betrouwbaar omdat zij weinig contact had met de overledene.


4.5.

De rechtbank overweegt als volgt. Op het door eiseres overgelegde overzicht van de betaalrekening van gedaagde van 25 januari 2008 wordt een overboeking vermeld van € 10.100,00 naar rekeningnummer [*******]. Op dit overzicht wordt onder het kopje ‘Naam/Omschrijving’ enkel ‘[A]’ vermeld. Blijkens de door gedaagde ter comparitie overgelegde afschriften van de girorekening van de overledene stond rekeningnummer [*******] op naam van de overledene. Op voornoemde afschriften is de overboeking op 25 januari 2008 eveneens te zien, echter wederom zonder vermelding van een nadere omschrijving. Deze stukken bieden derhalve geen aanwijzing voor de juistheid van de stelling van eiseres dan wel voor de juistheid van de stelling van gedaagde.


4.6.

Uit hetgeen over en weer is gesteld en overigens ter onderbouwing is overgelegd kan de juistheid van de stellingen van eiseres dan wel gedaagde evenmin zonder meer worden afgeleid. Nu gedaagde gemotiveerd heeft weersproken dat zij middels de betaling een aan haar door de overledene verstrekte geldlening heeft terugbetaald, is het aan eiseres – op wie op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast rust – haar stelling te bewijzen.


4.7.

Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.


5De beslissing

De rechtbank


5.1.

draagt eiseres op te bewijzen dat de overledene een geldlening aan gedaagde heeft verstrekt die gedaagde door middel van de betaling van € 10.100,00 van 25 januari 2008 heeft terugbetaald aan de overledene,


5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 maart 2015 voor uitlating door eiseres of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,


5.3.

bepaalt dat eiseres, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,


5.4.

bepaalt dat eiseres, indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op 4 maart 2015 in de maanden maart 2015 tot en met mei 2015 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,


5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. A. Skerka in het gerechtsgebouw te Zwolle aan Schuurmanstraat 2,


5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen.


Dit vonnis is gewezen door mr. A. Skerka en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2015.