Rechtbank Overijssel, 21-01-2015 / 08/955048-14


ECLI:NL:RBOVE:2015:306

Inhoudsindicatie
De rechtbank Overijssel veroordeelt een 44-jarige vrouw uit Enschede voor het aanrijden van een voetganger tot een boete van 250 euro. Daarnaast legt de rechtbank een rijontzegging van 2 maanden voorwaardelijk op, met een proeftijd van 2 jaar. Het ongeluk gebeurde bij het achteruitrijden op de parkeerplaats van een supermarkt in Enschede. De voetganger brak daarbij zijn bovenbeen.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-01-21
Publicatiedatum
2015-01-21
Zaaknummer
08/955048-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Almelo


Parketnummer: 08/955048-14

Datum vonnis: 21 januari 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats].


1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

7 januari 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. E. Agelink en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte (primair) op

29 augustus 2013 in Enschede als bestuurder van een personenauto een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij de heer [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, dan wel (subsidiair) dat verdachte op genoemde datum in Enschede de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht waardoor zij in aanrijding is gekomen met een voetganger.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


zij op of omstreeks 29 augustus 2013 in de gemeente Enschede,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto, Hyundai, kenteken [kenteken]), op een parkeerplaats gelegen aan

de Zweringweg, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande

dat verdachte

- terwijl het uitzicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd

gehinderd, en/of

- terwijl zij voornemens was en/of bezig was een bijzondere manoeuvre uit te

voeren, zoals bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990, en/of

- met dat door haar bestuurde motorrijtuig vanaf een parkeervak achteruit is

gereden en/of (daarbij) niet of in onvoldoende mate naar achteren heeft

gekeken en/of niet of in onvoldoende mate in haar spiegels gekeken en/of is

blijven kijken, en/of

- een op die parkeerplaats lopende voetganger welke zich (dicht) achter het

door haar bestuurde motorrijtuig bevond niet (tijdig) heeft waargenomen,

en/of

- ( vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met die

voetganger,

en aldus zich zodanig gedragen dat een aan haar schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander (te weten [slachtoffer]

[slachtoffer]), zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat

daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;


ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat


zij op of omstreeks 29 augustus 2013 in de gemeente Enschede,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto, Hyundai, kenteken [kenteken]), daarmee heeft gereden op een

parkeerplaats gelegen aan de Zweringweg,

- terwijl het uitzicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd

gehinderd, en/of

- terwijl zij voornemens was en/of bezig was een bijzondere manoeuvre uit te

voeren, zoals bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990, en/of

- met dat door haar bestuurde motorrijtuig vanaf een parkeervak achteruit is

gereden en/of (daarbij) niet of in onvoldoende mate naar achteren heeft

gekeken en/of niet of in onvoldoende mate in haar spiegels gekeken en/of is

blijven kijken, en/of

- een op die parkeerplaats lopende voetganger welke zich (dicht) achter het

door haar bestuurde motorrijtuig bevond niet (tijdig) heeft waargenomen,

en/of

- ( vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met die

voetganger,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;


De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte van het primair tenlastegelegde wordt vrijgesproken en dat zij voor het subsidiair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een geldboete van € 750,--, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee maanden met een proeftijd van één jaar.





4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De beoordeling van het bewijs


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdachte


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, nu niet bewezen kan worden dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam heeft gereden. Het subsidiair tenlastegelegde kan volgens de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen worden.


Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat zij op het parkeerterrein een man heeft zien lopen toen zij naar haar auto liep, dat deze man op het moment dat zij instapte wegliep en dat zij zowel voorafgaand als tijdens het achteruit wegrijden in alle spiegels heeft gekeken en niet kon vermoeden dat de man terug zou komen lopen.


5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


De rechtbank stelt op basis van het dossier en de verklaring van verdachte ter zitting vast dat verdachte als bestuurder van een personenauto bij het verrichten van een bijzondere manoeuvre (achteruitrijden) in aanrijding is gekomen met een voetganger, de heer [slachtoffer]. De heer [slachtoffer] heeft als gevolg van de aanrijding letsel (een bovenbeenfractuur) bekomen. Ten aanzien van de vraag of de fout van verdachte schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet oplevert, overweegt de rechtbank het volgende.


Gelet op het bepaalde in artikel 6 WVW 1994 dient de rechtbank vast te stellen of de

verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden, waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, dan wel zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Enerzijds komt dit neer op de vaststelling van het gedrag van de verdachte en de beoordeling of en zo ja, in welke mate zij verwijtbaar heeft gehandeld. Anderzijds dient een causaal verband te worden vastgesteld tussen het gedrag van de verdachte en het verkeersongeval. Het bestanddeel “schuld” is in dit geval nader omschreven als “roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam”.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of

één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van

artikel 6 WVW 1994, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van

verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.


Voor de beoordeling van de vraag of verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, dient de rechtbank dus krachtens voormeld toetsingskader vast te stellen of de bewezen geachte feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan, en de overige omstandigheden, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Die zorgplicht houdt in dat een bestuurder zijn rijgedrag dient aan te passen aan de omstandigheden ter plaatse.


Verdachte heeft verklaard dat zij de voetganger heeft waargenomen toen zij de parkeerplaats opliep om naar haar geparkeerde auto te gaan, dat zij de man zoekend over de parkeerplaats zag lopen en dat de man van haar auto wegliep. Nadat zij de boodschappenkar had weggebracht, is zij in de auto gestapt en heeft zij zowel voorafgaand als tijdens het achteruit rijden in de spiegels gekeken. Bij het achteruitrijden is zij in aanrijding gekomen met de voetganger.

De rechtbank is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden het enkel niet zien van de voetganger niet kan worden aangemerkt als een feitelijke gedraging die schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 oplevert. Nu geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994, kan niet tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde worden gekomen en dient verdachte daarvan te worden vrijgesproken. De gedraging van verdachte, bij het verrichten van een bijzondere manoeuvre geen voorrang verlenen aan een voetganger, waardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt, leidt evenwel tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde.


5.3

De conclusie


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


zij op 29 augustus 2013 in de gemeente Enschede, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Hyundai, kenteken [kenteken]), daarmee heeft gereden op een parkeerplaats gelegen aan de Zweringweg, terwijl zij bezig was een bijzondere manoeuvre uit te voeren, zoals bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, en met dat door haar bestuurde motorrijtuig vanaf een parkeervak achteruit is gereden en daarbij in onvoldoende mate naar achteren heeft gekeken en in onvoldoende mate in haar spiegels heeft gekeken en is blijven kijken, en een op die parkeerplaats lopende voetganger welke zich dicht achter het door haar bestuurde motorrijtuig bevond niet heeft waargenomen, en vervolgens in aanrijding gekomen met die voetganger, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in haar verdediging geschaad.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op de overtreding: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.


8De op te leggen straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte heeft als bestuurder van een auto een aanrijding veroorzaakt. Als gevolg van die aanrijding heeft de heer [slachtoffer] letsel bekomen. Door verdachtes handelen is aan de heer [slachtoffer] leed toegebracht. Dit leed zal ook door strafoplegging niet geheel ongedaan gemaakt kunnen worden. Strafoplegging dient niet alleen met inachtneming van de gevolgen van de gemaakte verkeersfout te geschieden, maar dient ook en vooral afgezet te worden tegen de ernst van de gemaakte verkeersfout en de mate van schuld daaraan van verdachte. In deze zaak acht de rechtbank niet bewezen dat de door verdachte gemaakte verkeersfout een misdrijf oplevert, zodat in de strafmaat er rekening mee moet worden gehouden dat een verkeersfout in de vorm van een overtreding is gemaakt.


Als uitgangspunt voor strafbare feiten als de onderhavige kijkt de rechtbank naar hetgeen in soortgelijke zaken wordt opgelegd. Bij de vaststelling van de hoogte van de straf houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte er rekening mee dat verdachte niet eerder in aanraking is geweest met politie en justitie. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die ter zitting naar voren zijn gekomen, acht de rechtbank een geldboete van € 250,-- passend en geboden. Dit bedrag dient verdachte in vijf maandelijkse termijnen te voldoen. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen aan verdachte opleggen. Aan deze voorwaardelijke ontzegging zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren koppelen.


9De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 23, 24, 24a, 24c en 91 Sr en op artikel 179 WVW 1994.

10De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;
  • - verklaart bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;
  • - verklaart verdachte strafbaar voor het subsidiair bewezenverklaarde;

straf

  • - veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 250,--;
  • - bepaalt dat verdachte deze geldboete dient te voldoen in vijf termijnen van elk € 50,-- per maand;
  • - beveelt, voor het geval dat de verdachte de geldboete niet betaalt, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van vijf dagen;
  • - ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee maanden voorwaardelijk;
  • - bepaalt dat de ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. H. Stam en mr. M. Aksu, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2015.



Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL05CF 2013087558. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


1.

De verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 7 januari 2015 heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:


Op 29 augustus 2013 liep ik op de parkeerplaats bij de Emté in Enschede. Ik liep naar mijn auto.

Ik ben in mijn auto gestapt. Ik heb stapvoets, zo’n 10 à 15 km/u, achteruitgereden.


2.

Het proces-verbaal van 12 september 2013 van verbalisanten [verbalisant] en

[verbalisant] (pag. 4 van het dossier), zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:


Op 29 augustus 2013 kregen wij kennis van een verkeersongeval.

Adres : Zweringweg

Plaats : Enschede

Soort weg : Een weg, zijnde een voor het openbaar verkeer openstaande weg

Bebouwde kom : Binnen

(…)


Vermoedelijke toedracht

Betrokkene 1 is: [verdachte]

Betrokkene 2 is: [slachtoffer]

Betrokkene 1 die met haar voertuig stilstond op de parkeerplaats nabij de Emté gelegen aan de Wethouder Nijhuisstraat 280 te Enschede, met de voorzijde in de richting van Zweringweg, reed hiermede op een gegeven moment achteruit. Bij deze manoeuvre liet zij betrokkene 2 niet voor gaan. (…) (art. 54 RVV 1990).


(…)

Betrokken (voertuig)

Personenauto [kenteken] Hyundai Tucson 2.0

(…)


1 HR 1 juni 2004, NJ 2005, LJN AO 5822.