Rechtbank Overijssel, 26-06-2015 / 08-071906-15


ECLI:NL:RBOVE:2015:3068

Inhoudsindicatie
Verdachte heeft een arrestantenbewaarder in de buik getrapt. Zij deed dit terwijl door de arrestantenbewaarder geprobeerd werd om de broek van verdachte uit te trekken. De politierechter is van oordeel dat op het moment van trappen sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte door de arrestantenbewaarder. Daarbij speelt met name een rol dat verdachte op dat moment geen verdachte was en dat er geen bevoegdheid was om haar, nota bene in het bijzijn van diverse verbalisanten van het andere geslacht, te ontkleden. De politierechter acht de wijze van verdediging geboden en noodzakelijk en de gehanteerde methode, te weten het geven van een trap, proportioneel. Naar het oordeel van de politierechter komt verdachte dan ook een beroep op noodweer toe.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-06-26
Publicatiedatum
2015-06-26
Zaaknummer
08-071906-15
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Almelo


Parketnummer: 08-071906-15

Datum vonnis: 24 juni 2015


Vonnis op tegenspraak van de politierechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].



1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 juni 2015. De politierechter heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G. Nijpels en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. H.G. Kersting, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte een arrestantenbewaarder heeft mishandeld.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


zij op of omstreeks 16 maart 2015 te Borne, een ambtenaar, te weten [slachtoffer], werkzaam als arrestantenbewaarder/surveillant bij de politie Eenheid Oost-Nederland, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door die [slachtoffer] (met kracht) in/tegen de buik te schoppen.


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte schuldig wordt verklaard zonder oplegging van een straf of maatregel.


4De voorvragen

4.1

Geldigheid dagvaarding, bevoegdheid en schorsing vervolging

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4.2

Ontvankelijkheid

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er zoveel vormverzuimen zijn geschonden in deze zaak dat er niet meer gesproken kan worden van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en een goede procesorde. De politie heeft, aldus de verdediging, doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekortgedaan aan haar recht op een eerlijke behandeling van haar zaak. Daartoe heeft de verdediging gesteld (1) dat de insluiting van verdachte niet had mogen plaatsvinden nu dit tegen haar wil is gebeurd, (2) dat verdachte consultatiebijstand van een advocaat verlangde maar dat desondanks het verhoor van verdachte is aangevangen en (3) dat het fouilleren dan wel gedwongen worden zich te ontkleden in het bijzijn van minimaal vier mannelijke verbalisanten in strijd is met de ambtsinstructie.


Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de politie datgene heeft gedaan wat de politie moest doen in het belang van verdachte zelf. De ambtsinstructie is gevolgd en van het doelbewust of met grove veronachtzaming schenden van de belangen van verdachte is geen sprake geweest. Voorts heeft de officier van justitie betwist dat verdachte is verhoord door de politie.


Overwegingen van de politierechter

Van omstandigheden waarin het recht tot strafvervolging ontbreekt, is de politierechter niet gebleken, zodat de officier van justitie in beginsel ontvankelijk is.


Van een ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte wordt tekortgedaan aan haar recht op een behoorlijke behandeling van haar zaak (HR 19 december 1995, NJ 1996/249, Zwolsman), is de politierechter in het onderhavige geval evenmin gebleken. Daartoe overweegt de politierechter ten eerste dat de door de verdediging gestelde onjuiste toepassing van de ambtsinstructie geen betrekking heeft op beginselen van goede procesorde, waarmee het recht op een behoorlijke behandeling van de strafzaak van verdachte tekort zou worden gedaan, zodat de politierechter die verweren in het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid reeds daarom zal passeren.


Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat – tenzij verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dringende redenen om dat recht te beperken- in beginsel een vormverzuim op (Salduz-norm). In tegenstelling tot hetgeen door de verdediging is bepleit, is de politierechter van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is geweest van een verhoor door de politie. Voor de beoordeling van de vraag of er een verhoor heeft plaatsgevonden, is de inhoud van de processen-verbaal, en niet de vorm, leidend. Uit het proces-verbaal van verhoor verdachte en het proces-verbaal van inverzekeringstelling blijkt naar het oordeel van de politierechter duidelijk dat, gelet op de geestelijke toestand van verdachte, de politie verdachte niet heeft verhoord. Van enige schending van de Salduz-norm kan dan ook geen sprake zijn.


De officier van justitie is derhalve ontvankelijk in zijn vervolging.


5De beoordeling van het bewijs


5.1

Standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.


5.2

Standpunt van de verdediging


Namens verdachte heeft de verdediging primair vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de verdediging gesteld dat de politie niet in de rechtmatige uitoefening van haar bediening was, dat het constitutief vereiste van letsel en/of pijn in de tenlastelegging ontbreekt dan wel dat verdachte geen opzet op de mishandeling heeft gehad. Subsidiair heeft de verdediging ontslag van alle rechtsvervolging bepleit wegens noodweer dan wel psychische overmacht.


5.3

Overwegingen van de politierechter

5.3.1

Mishandeling

De politierechter stelt voorop dat onder mishandeling moet worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn (…), een en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat (zie ook Hoge Raad, 12 mei 2015, ECLI:HR:NL:2015:1237). Hoewel de aanwezigheid van pijn of letsel voor een kwalificatie als mishandeling wel is vereist, is het, in tegenstelling tot hetgeen door de verdediging is bepleit, niet vereist dat “pijn of letsel” ook uitdrukkelijk in de tenlastelegging wordt opgenomen.

Op basis van het dossier, in het bijzonder de aangifte en de getuigenverklaring van [getuige 1], staat naar het oordeel van de politierechter vast dat verdachte op 16 maart 2015 te Borne [slachtoffer] met kracht in de buik heeft getrapt. Uit de aangifte en de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] blijkt tevens dat [slachtoffer] ten gevolge van die trap kort buiten bewustzijn is geweest en een stekende pijn in haar buik heeft gevoeld. [slachtoffer] was duizelig en misselijk en heeft gedurende enkele dagen na de trap bloed in haar urine gehad. Vaststaat derhalve dat verdachte aan [slachtoffer] lichamelijk letsel en pijn heeft toegebracht.


De uiterlijke verschijningsvorm van het met kracht trappen in de buik brengt reeds met zich mee dat de politierechter van oordeel is dat verdachte opzet moet hebben gehad op het toebrengen van pijn en/of letsel en daarmee op mishandeling van [slachtoffer].

5.3.2

Ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

In de tenlastelegging is de strafverzwarende omstandigheid opgenomen dat [slachtoffer] in de rechtmatige uitoefening van haar bediening verkeerde toen zij werd mishandeld door verdachte. Nu vaststaat dat verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld, dient vervolgens te worden beoordeeld of [slachtoffer] op dat moment in de rechtmatige uitoefening van haar bediening was.


Op grond van artikel 25 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (verder: de ambtsinstructie) dienen politieambtenaren er zoveel mogelijk voor te zorgen dat personen die onmiddellijk gevaarlijk zijn voor zichzelf of de openbare orde, veiligheid en gezondheid op de meest geschikte wijze van openbare plaatsen worden verwijderd. Indien opvangmogelijkheden elders ontbreken kunnen die personen, bij wijze van hulpverlening, op het politiebureau worden ondergebracht, “indien dit nodig is voor hun bescherming en dit niet tegen hun wil geschiedt”. Uit de Nota van Toelichting volgt dat, indien de betrokkene niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, de ambtenaar de bevoegdheid heeft om de betrokkene onder te brengen op het politiebureau.


Op grond van artikel 28 van de ambtsinstructie onderzoekt de ambtenaar de ingeslotene direct voorafgaand aan de insluiting, door het aftasten en doorzoeken van diens kleding op de aanwezigheid van voorwerpen die tijdens de insluiting een gevaar voor de veiligheid van de betrokkene of voor anderen kunnen vormen. Dat onderzoek wordt zoveel mogelijk uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als de ingeslotene. Van de ingeslotene kan slechts verlangd worden dat deze zich ontkleedt, indien (a) de kleding tijdens de insluiting een gevaar voor de veiligheid van betrokkene of van anderen kan vormen en een hulpofficier van justitie daarvoor toestemming heeft gegeven of (b) indien de kleding tijdens de insluiting naar het oordeel van de arts een gevaar voor de gezondheid van betrokkene of van anderen kan vormen.


Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat verdachte op 16 maart 2015 “in het kader van haar verwarde geestelijke gesteldheid” vanuit Hengelo (O) was overgebracht naar het arrestantencomplex in Borne, om haar te laten beoordelen door een GGD-arts en zo nodig een voorwacht van Mediant om te beoordelen of een IBS-maatregel diende te worden aangevraagd. Voor het overige blijkt uit het dossier niets over de toestand van verdachte voorafgaand aan het vervoer naar het arrestantencomplex in Borne, in het bijzonder blijkt uit het dossier niet dat verdachte op dat moment onmiddellijk gevaarlijk was voor zichzelf of de openbare orde, veiligheid en gezondheid.

Verdachte was op dat moment in ieder geval nog geen verdachte, zodat zij niet onder het regime van het Wetboek van Strafrecht viel en zij derhalve niet tegen haar wil mocht worden ondergebracht op het politiebureau. Volgens de Nota van Toelichting is dit slechts anders, indien de betrokkene niet in staat is zijn wil kenbaar te maken. Weliswaar blijkt uit de geneeskundige verklaring van 17 maart 2015 (een dag na de insluiting) dat er op dat moment geen contact met verdachte gemaakt kon worden, maar uit het dossier blijkt niet dat verdachte op het moment van insluiting al in het geheel niet in staat was om haar wil te bepalen. Integendeel, nu uit het dossier blijkt dat verdachte in eerste instantie rustig is meegelopen met de verbalisanten, maar dat zij bij aankomst bij de observatiecel, vlak voordat de verbalisanten haar wilden insluiten, riep dat de politie haar niet mocht opsluiten en dat zij vervolgens is weggerend, welke handelingen er – zonder nadere informatie over de toestand van verdachte op dat moment - op zouden kunnen wijzen dat verdachte juist wel in staat was om duidelijk te maken dat zij niet wilde worden opgesloten.


Uit de aangifte blijkt verder dat verdachte door diverse mannelijke verbalisanten is vastgehouden, dat zij geen ondergoed droeg, dat [slachtoffer] zag dat verdachte een touwtje in haar broek had en dat [slachtoffer] heeft geprobeerd het touwtje uit de broek te halen, maar dat dat niet lukte. Vervolgens heeft [slachtoffer] geprobeerd om de broek van verdachte uit te trekken, waarna verdachte zich hevig verzette.

De politierechter is van oordeel dat het uittrekken van de broek van verdachte buiten de bevoegdheid op grond van artikel 28 van de ambtsinstructie valt. Artikel 29 van de ambtsinstructie kan evenmin aan de fouillering ten grondslag hebben gelegen, nu deze bepaling ziet op de situatie waarin de politieambtenaar kan verlangen dat de ingeslotene zichzelf ontkleedt, terwijl in dit geval de politieambtenaar ongevraagd verdachte van haar kleding heeft proberen te ontdoen. Bovendien is voor het aanwenden van deze bevoegdheid toestemming van de hulpofficier van justitie vereist, terwijl uit het dossier niet blijkt dat die toestemming in casu is verleend. Door zelf en zonder toestemming van de hulpofficier van justitie de broek van verdachte naar beneden te trekken, bovendien wetende dat zij geen onderbroek droeg, is verbalisant [slachtoffer] naar het oordeel van de politierechter buiten de bevoegdheden ter zake van de insluitingsfouillering, zoals verwoord in de ambtsinstructie, getreden.


De politierechter hecht eraan op te merken dat ook als de politieambtenaren handelingen verrichten ter bescherming van de betrokkene zelf, deze handelingen dienen te worden verricht zoals bij wet voorzien, zeker daar waar handelingen een inbreuk maken op de lichamelijke integriteit van een betrokkene die zich in een kwetsbare positie bevindt.


De politierechter concludeert op grond van het vorenstaande dat [slachtoffer], op het moment dat zij door verdachte werd getrapt, buiten de bevoegdheden van de ambtsinstructie handelde, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van de strafverzwarende omstandigheid “gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening” zoals verwoord in de tenlastelegging.


5.3.3

Noodweer In artikel 41 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is bepaald dat niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.


De politierechter is van oordeel dat op het moment dat door [slachtoffer] geprobeerd werd om de broek van verdachte uit te trekken, wetende dat verdachte geen onderbroek aan had en terwijl verdachte werd vastgehouden door diverse mannelijke arrestantenbewaarders, sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Daarbij speelt met name een rol dat verdachte op dat moment geen verdachte was en dat er geen bevoegdheid was om haar, nota bene in het bijzijn van diverse verbalisanten van het andere geslacht, te ontkleden. Verdachte werd vastgehouden door enkele verbalisanten en naar het oordeel van de politierechter kon zij zich ten gevolge daarvan niet onttrekken aan de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. De politierechter acht de wijze van verdediging geboden en noodzakelijk en de gehanteerde methode, te weten het geven van een trap, proportioneel.


Naar het oordeel van de politierechter komt verdachte dan ook een beroep op noodweer toe.


5.4

Conclusie


Onder mishandeling in de zin van artikel 300 Sr wordt verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. Nu de politierechter van oordeel is dat sprake is geweest van noodweer, kan niet wettig en overtuigend bewezen worden geacht dat de ten laste gelegde gedraging als wederrechtelijk en daarmee mishandelend kan worden aangemerkt. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het haar tenlastegelegde.


6De schade van benadeelde


[slachtoffer], p/a [adres, woonplaats], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert - na wijziging ter terechtzitting - veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 375,-- (immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.


Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk, nu verdachte van het tenlastegelegde wordt vrijgesproken.


7De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;


schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer], p/a [adres, woonplaats] in het geheel niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.


Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.F. Schreurs, politierechter, in tegenwoordigheid van Z. Demir, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2015.







Buiten staat

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.