Rechtbank Overijssel, 08-04-2015 / C/08/164741 / FA RK 14-2723


ECLI:NL:RBOVE:2015:3189

Inhoudsindicatie
Samengesteld gezin. Rechtbank berekent de behoefte van alle kinderen en verdeelt de draagkracht over alle kinderen voor wie de man en de vrouw onderhoudsplichtig zijn.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-04-08
Publicatiedatum
2015-07-03
Zaaknummer
C/08/164741 / FA RK 14-2723
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JIN 2015/151 met annotatie van P.A. den Hollander
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht


Zittingsplaats Almelo


zaaknummer: C/08/164741 / FA RK 14-2723


beschikking van de enkelvoudige familiekamer voor burgerlijke zaken d.d. 8 april 2015


inzake


[verzoeker 1] ,

verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats 1],

verzoeker

advocaat mr. S.L. Geeraths te Almelo,


en


[belanghebbende] ,

verder te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats 2],

belanghebbende,

advocaat: mr. J.J.L.M. Johannink te Coevorden.



1Het procesverloop


1.1.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende bescheiden:

- het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 24 november 2014;

- het verweer, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, binnengekomen op 10 december 2014;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek, binnengekomen op 6 januari 2015; en

- een op 24 februari 2015 binnengekomen brief van mr. Johannink, met bijlagen.


1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 4 maart 2015. Ter zitting zijn verschenen en gehoord: partijen beiden bijgestaan door hun advocaat. Mr. Johannink heeft een pleitnota gehanteerd.


1.3.

Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van de rechtbank binnengekomen:

- op 4 maart 2015 een brief met bijlagen van mr. Geeraths;

- op 9 maart 2015 een brief met bijlagen van mr. Johannink,

- op 11 maart 2015 een brief met bijlage van mr. Geeraths,

- op 12 maart 2015 een brief van mr. Johannink,

- op 13 maart 2015 een brief met bijlage van mr. Geeraths,

- op 16 maart 2015 een brief met bijlage van mr. Johannink,

- op 16 maart 2015 een brief van mr. Geeraths, en

- op 26 maart 2015 een nagekomen reactie van mr. Geeraths.


2De feiten


2.1.

Partijen hebben een relatie met elkaar gehad, uit welke relatie is geboren het navolgende minderjarige kind:

[A] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1].


2.2.

De man heeft de minderjarige erkend. Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 10 juni 2009 is bepaald dat de man vanaf de datum van de beschikking samen met de vrouw belast is met de uitoefening van het ouderlijk gezag over de minderjarige.


2.3.

Partijen hebben op 23 februari 2009 een zorgregeling getroffen met daarin de vaststelling van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, te weten een bedrag van € 155,85 per maand. Voorts zijn partijen daarin overeengekomen dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding jaarlijks, te beginnen vanaf 1 januari 2010, zal worden verhoogd volgens de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW.


2.4.

Ingevolge de wettelijke indexering beloopt voormelde bijdrage met ingang van 1 januari 2015 € 168,56 per maand.


2.5.

De man is opnieuw gehuwd met een nieuwe partner. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, te weten:

[B], op [geboortedatum 2], en

[C], op [geboortedatum 3].


2.6.

De vrouw heeft eveneens een nieuwe relatie. Zij woont echter niet samen met haar nieuwe partner. Uit deze nieuwe relatie zijn ook twee kinderen geboren, namelijk:

[D], op [geboortedatum 4], en

[E], op [geboortedatum 5].


3Het verzoek


De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bij de zorgregeling d.d. 23 februari 2009 overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind te wijzigen en deze bijdrage met ingang van

18 november 2014 nader vast te stellen op nihil, dan wel op een zodanig bedrag te bepalen als de rechtbank juist acht, kosten rechtens.


4Het verweer tevens houdend zelfstandig verzoek


De vrouw verzoekt de rechtbank de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen. Zij maakt bovendien bezwaar tegen de verzochte terugwerkende kracht. Zij verzoekt de rechtbank bij zelfstandig verzoek voor recht te verklaren dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding voor de minderjarige [A] had dienen te betalen:

  • - in het jaar 2011 € 160,87 per maand,
  • - in het jaar 2012 € 162,96 per maand,
  • - in het jaar 2013 € 165,73 per maand,
  • - in het jaar 2014 € 167,22 per maand, en
  • - in het jaar 2015 € 168,56 per maand.

5Het verweer op het zelfstandig verzoek


De man verzoekt dat de rechtbank het zelfstandige verzoek zal afwijzen en persisteert voor het overige.

6De beoordeling


De ontvankelijkheid


6.1.

De man stelt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. Hij voert daartoe aan dat hij gehuwd is met mevrouw [F], uit welk huwelijk twee minderjarige kinderen zijn geboren. Daarnaast is hij in 2009 ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen en heeft hij, sinds 1 oktober 2014, vaste inkomsten uit arbeid.

Deze stellingen van de man zijn door de vrouw niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank is er derhalve sprake van een wijziging van omstandigheden, zodat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek, daargelaten de stelling van de vrouw dat de man zich door tijdsverloop niet meer kan beroepen op gewijzigde omstandigheden en dat hij thans een grotere financiële ruimte heeft. Of de door de man gestelde gewijzigde omstandigheden ook tot wijziging van de thans geldende kinderbijdrage zullen dienen te leiden, wordt hierna beoordeeld.


De bijdrage in de kosten van de minderjarige


de behoefte van [A]


6.2.

Partijen hebben destijds met betrekking tot [A] afspraken gemaakt en neergelegd in een zorgregeling van 23 februari 2009. Zij zijn daarbij onder meer overeengekomen dat de man met ingang van 1 januari 2009 een bedrag van € 155,85 per maand diende bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. Over de behoefte van [A] wordt niets vermeld in die zorgregeling. De vrouw meent dat de behoefte van [A] in ieder geval € 157,- per maand bedraagt. Tijdens de mondelinge behandeling stelt de vrouw die behoefte op basis van het huidige, hogere inkomen van de man op € 198,- per maand.


6.3.

Onweersproken heeft de vrouw gesteld dat partijen in 2009 zijn uitgegaan van een besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan in 2004 van € 1.400,- netto per maand. Nu het huidige inkomen van de man hoger is dan dat gezinsinkomen, zal de rechtbank overeenkomstig de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen het huidige inkomen als uitgangspunt nemen voor de bepaling van de behoefte van [A].


6.4.

Uit de salarisspecificatie van oktober 2014, alsook uit de na de mondelinge behandeling overgelegde specificaties van november 2014 tot en met februari 2015, blijkt dat het inkomen van de man € 2.036,63 bruto per maand bedraagt, te vermeerderen met vakantietoeslag.


6.5.

De vrouw heeft inhoudelijk gereageerd op de na de behandeling ingekomen specificaties, waartegen de man bezwaar maakt. Volgens hem is dit niet juist en moeten die opmerkingen buiten beschouwing worden gelaten. De rechtbank acht de stelling van de man echter in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, te meer daar de vrouw het punt van de overuren ook al tijdens de mondelinge behandeling aan de orde heeft gesteld. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan hetgeen de man daarover naar voren heeft gebracht.


6.6.

Volgens de vrouw blijkt uit de overgelegde specificaties dat de man overuren maakt, die kennelijk niet worden uitbetaald maar waarop de man wel aanspraak kan maken. Zij verwijst daartoe naar de op de arbeidsovereenkomst van toepassing zijnde CAO Metaal- en Technische bedrijfstakken. Op grond van artikel 42 van die CAO kan de werknemer kiezen of hij zijn overuren en toeslagen in geld vergoed krijgt of door middel van een pensioeninkoop of vrije tijd, aldus de vrouw.

De man betwist dat de overuren worden uitbetaald. Hij stelt dat de gewerkte uren die op de loonspecificatie worden vermeld overeen komen met de daadwerkelijk door hem gewerkte uren. Hij legt voorts een verklaring van zijn werkgever over, waarin deze verklaart dat de man eventueel gemaakte overuren gecompenseerd krijgt in tijd en dat overuren dus niet worden uitbetaald. Tot slot stelt de man dat genoemde CAO bepaling niet op de man van toepassing is, aangezien de man en de werkgever daarvan bij overeenkomst zijn afgeweken.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de overgelegde salarisspecificaties en de verklaring van de werkgever genoegzaam dat overuren door deze werkgever niet worden uitbetaald. Ondanks de in de CAO neergelegde keuzemogelijkheid, is het immers mogelijk dat partijen daarvan kunnen afwijken.

De rechtbank gaat derhalve uit van het inkomen van de man zoals hierboven vermeld.


6.7.

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremie, de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting. De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Op grond van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op € 1.646,- per maand. Bij dit inkomen past de door de vrouw berekende behoefte van € 198,- per maand, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan. Deze behoefte vermindert de rechtbank met het kindgebonden budget waarop de ouder bij wie het kind na het uiteengaan van partijen verblijft aanspraak kan maken. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij voor [A] alleen een kindgebonden budget ontvangt van € 104,- per maand. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van hun minderjarig kind in 2014 komt daarmee op € 94,- per maand.


6.8.

Na indexering bedraagt de behoefte van [A] per 1 januari 2015 afgerond

€ 200,- per maand. Als gevolg van de veranderingen in de kindregelingen met ingang van 1 januari 2015 ontvangt de vrouw ten behoeve van de bij haar verblijvende minderjarige kinderen naast een kindgebonden budget de alleenstaande ouderkop. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij in totaal een bedrag van € 395,- per maand ontvangt. De rechtbank zal daarvan uitgaan. Omdat in haar gezin drie kinderen verblijven, komt dit neer op een bedrag van € 132,- per kind per maand. De resterende behoefte van [A] in 2015 komt daarmee op een bedrag van € 68,- (€ 200,- minus

€ 132,-) per maand.


6.9.

De rechtbank overweegt dat beide ouders naar rato van hun draagkracht samen dienen bij te dragen in de behoefte van [A], terwijl de man en de vrouw ook moeten bijdragen in de behoefte van de andere in hun gezin verblijvende kinderen. De rechtbank zal dan ook de behoefte van die kinderen vaststellen en de draagkracht van partijen naar rato van die behoefte verdelen over de onderhoudsplichtige ouders. Vervolgens zal de rechtbank het aandeel van partijen in de behoefte van [A] naar rato van ieders draagkracht vaststellen.


de behoefte van [D] en [E]


6.10.

Gesteld noch gebleken is wat de behoefte van deze minderjarigen is. Hoewel het inkomen van de vrouw blijkt uit de jaaropgave, is het inkomen van de onderhoudsplichtige vader niet bekend geworden. Het is voor de rechtbank dan ook niet mogelijk om tot een behoefteberekening te komen, reden waarom de rechtbank aanleiding ziet om aan te nemen dat de behoefte van die minderjarigen gelijk is aan de behoefte van [A], dus € 94,- per kind per maand gedurende 2014, en € 68,- per kind per maand per 1 januari 2015. Hiervan dient in ieder geval de helft voor rekening te komen van de vrouw, zijnde een bedrag van € 47,- per maand over 2014 en € 34,- per maand over 2015.


de behoefte van [B] en [C]


6.11.

Bij de berekening van de behoefte van deze in het gezin van de man verblijvende minderjarigen gaat de rechtbank uit van het hiervoor genoemde netto besteedbaar inkomen van de man € 1.646,- per maand. Hierop strekt in mindering de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A]. Partijen verschillen echter van mening over de al dan niet te berekenen wettelijke indexering met betrekking tot die bijdrage.


6.12.

De man betaalt tot op heden een bijdrage van € 159,48 per maand ten behoeve van [A]. Met uitzondering van 2010 heeft hij de wettelijke indexering niet voldaan. De man stelt zich op het standpunt dat partijen nadien, in afwijking van die overeengekomen zorgregeling, mondeling zijn overeengekomen dat hij, gezien zijn financiële situatie, niet langer gehouden was de jaarlijkse indexering te voldoen. Volgens hem blijkt die mondelinge afspraak ook uit het feit dat de vrouw eerst nu, in december 2014, daartoe een verzoek doet.

De vrouw betwist dat partijen nadere afspraken hebben gemaakt over de indexering. Zij meent dat uit de zorgregeling met betrekking tot [A] genoegzaam blijkt dat partijen de wettelijke indexering zijn overeengekomen, reden waarom zij ten aanzien van de bijdrage een verklaring voor recht verzoekt.

Uit het feit dat de vrouw niet eerder actie heeft ondernomen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat partijen mondeling zijn overeengekomen dat de man, in afwijking van de overeengekomen zorgregeling, niet langer gehouden was om de jaarlijkse indexering te voldoen. Die stelling is, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, dan ook niet althans niet voldoende aannemelijk geworden, reden waarom de rechtbank daaraan voorbij gaat. De rechtbank zal daarom rekening houden met de geïndexeerde bedragen, hetgeen voor 2014 neerkomt op een bedrag

€ 167,22 per maand, en per 1 januari 2015 op een bedrag van € 168,56 per maand.


6.13.

Na aftrek van genoemde bijdragen voor [A] resteert een netto besteedbaar inkomen van afgerond € 1.479,- respectievelijk € 1.477,- per maand. Niet weersproken is dat de partner van de man geen inkomen geniet, zodat voor het bepalen van het eigen aandeel van de man en zijn partner in de kosten van kinderen het inkomen van de man leidend is.

Uitgaande van de tabel “Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen” die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen, kan de behoefte van de minderjarigen [B] en [C] worden gesteld op een bedrag van € 290,- per maand, dus € 145,- per kind per maand. Deze behoefte moet worden verminderd met het kindgebonden budget waarop de man en zijn echtgenote aanspraak kunnen maken.

Op basis van de op de website van de belastingdienst voorkomende proefberekening toeslag becijfert de rechtbank het kindgebonden budget van de man en zijn echtgenote voor 2014 op € 127,- per maand, en voor 2015 op € 113,- per maand. De behoefte van deze minderjarigen bedroeg na aftrek van het kindgebonden budget in 2014

€ 163,- ( € 290,- minus € 127, -) per maand, of wel € 81,50 per kind per maand. Nu niet weersproken is dat de partner geen inkomen heeft en derhalve geen draagkracht om bij te dragen in de kosten van deze kinderen, is het redelijk dat de man deze kosten volledig voor zijn rekening neemt.

Over 2015 komt de behoefte van [B] en [C] neer op een bedrag van € 177,- (€ 290,- minus € 113,-) per maand of wel € 88,50 per kind per maand.


de draagkracht van de vrouw


6.14.

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de vrouw voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen uit van de navolgende gegevens.

De vrouw is alleenstaand. Van haar gezin maakt tevens deel uit het kind van partijen.

De vrouw heeft blijkens de jaaropgave 2014 een inkomen van € 16.127,-. Bij de berekening van haar besteedbaar inkomen houdt de rechtbank rekening met de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting. De vrouw heeft recht op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Op grond hiervan becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw op € 1.281,- per maand. Volgens de draagkrachttabel resteert bij de vrouw dan een draagkracht van € 65,- per maand.


verdeling van de draagkracht van de vrouw naar rato van de behoefte


6.15.

Omdat de vrouw zowel voor het kind van partijen als voor haar kinderen geboren uit haar nieuwe relatie onderhoudsplichtig is ziet de rechtbank aanleiding om de beschikbare draagkracht van de vrouw te verdelen over alle kinderen voor wie zij onderhoudsplichtig is. De totale behoefte van de minderjarige kinderen van de vrouw, voor zover zij daarin een bijdrage zou moeten leveren, bedraagt over 2014 totaal

€ 188,- per maand, te weten € 94,- per maand voor [A] en € 47,- per kind per maand voor [D] en [E]. Omdat de draagkracht van de vrouw onvoldoende is om aan al haar onderhoudsverplichtingen te kunnen voldoen, verdeelt de rechtbank de beschikbare draagkracht van de vrouw naar rato van de behoefte van de kinderen aan de hand van de formule:


[vastgestelde behoefte per kind : totale behoefte alle kinderen] x de draagkracht van de vrouw


Het aandeel van [A] in de draagkracht van de vrouw wordt dan berekend op € 32,50 ([94 : 188] x 65) per maand.

Het aandeel van [D] en [E] in de draagkracht van de vrouw wordt berekend op

€ 16,25 ([47 : 188] x 65) per kind per maand.

Over 2015 bedraagt de totale behoefte van de minderjarigen € 136,- per maand, te weten € 68,- per maand voor [A] en € 34,- per kind per maand voor [D] en [E]. Naar rato van de behoefte van de kinderen bedraagt het aandeel van [A] in de draagkracht van de vrouw eveneens € 32,50 ([68 : 136] x 65) per maand, en dat van [D] en [E] € 16,25 ([34 : 136] x 65) per kind per maand.


de draagkracht van de man


6.16.

Bij de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van zijn gezinssituatie zoals vermeld onder 2.5.


6.17.

De rechtbank gaat voorts uit van het inkomen van de man zoals hiervoor vermeld. Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremie, de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting. De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Op grond van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op

€ 1.646,-. De rechtbank berekent de draagkracht van de man aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 860)]. Op basis hiervan berekent de rechtbank de draagkracht van de man op € 204,- per maand.


6.18.

De man wenst een correctie toe te passen op voormelde formule. Hij stelt daartoe dat zijn werkelijke woonlasten hoger zijn dan waarmee rekening is gehouden in de alimentatieberekening, namelijk € 590,- in plaats van € 488,- per maand. Hij legt een overzicht over van zijn vaste lasten en variabele kosten, waaruit blijkt dat hij niet in staat is om de alimentatie op grond van de algemene regel te voldoen. De vrouw voert hiertegen verweer.

Uit de gehanteerde formule met betrekking tot de draagkracht is rekening gehouden met een forfaitaire woonlast van 30% van het NBI (€ 1.646,-), zijnde een bedrag van € 493,80 per maand. De man ontvangt daarnaast echter, zo blijkt uit het overzicht en bankafschriften, een huurtoeslag van € 162,- per maand. Zijn totale woonlast komt daarmee op € 428,- per maand, dus lager dan de forfaitaire woonlast. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er dan ook geen aanleiding om een correctie toe te passen op het in voormelde formule opgenomen draagkrachtloos inkomen.


6.19.

Voor zover de man heeft bedoeld te stellen dat sprake is van schulden of andere lasten, op grond waarvan de vaststelling van een bijdrage voor hem tot een onaanvaardbare situatie zou leiden, had het op zijn weg gelegen om te stellen en te onderbouwen dat sprake is van lasten en dat de op basis van het rekenmodel vastgestelde bijdrage in dit specifieke geval niet aanvaardbaar is, alle omstandigheden in aanmerking genomen. Tot de omstandigheden die van belang zijn worden gerekend de financiële situatie (inkomen en vermogen) van de onderhoudsplichtige, de noodzaak van de lasten, de mogelijkheid zich van de lasten te bevrijden, de verhouding tussen de onderhoudsplichtigen en de zorgregeling. De rechtbank stelt voorop dat in die gevallen waar sprake is van schulden, andere lasten of een lager inkomen dan € 1.250,- netto per maand, de vaststelling van een bijdrage op basis van de tabel tot een onaanvaardbare situatie kan leiden voor de onderhoudsplichtige. Van een onaanvaardbare situatie is sprake indien de onderhoudsplichtige:

- bij de vast te stellen bijdrage niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien, of

- van zijn inkomen na vermindering van de lasten minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt.

Het is aan degene die een beroep doet op de aanvaardbaarheidstoets om aan de hand van al zijn inkomsten en lasten inzichtelijk te maken of sprake is van een situatie zoals hiervoor omschreven.


6.20.

De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling weliswaar een overzicht verstrekt van zijn inkomen en lasten, maar daaruit blijkt niet althans niet voldoende dat de man bij de vast te stellen bijdrage niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien, of dat hij van zijn inkomen na vermindering van de lasten minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt. Nu de man voldoende middelen van bestaan heeft om in zijn bestaan te kunnen voorzien, ziet de rechtbank hierin evenmin aanleiding om de hiervoor berekende bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige te corrigeren.


6.21.

De huidige partner van de man, mevrouw [F], heeft geen inkomen uit arbeid. De rechtbank neemt derhalve het netto besteedbaar gezinsinkomen van de man als uitgangspunt.


verdeling van de draagkracht van de man naar rato van de behoefte


6.22.

Omdat de man zowel voor het kind van partijen als voor zijn kinderen uit zijn nieuwe relatie onderhoudsplichtig is ziet de rechtbank aanleiding om de beschikbare draagkracht van de man over alle kinderen voor wie hij onderhoudsplichtig is te verdelen.

De totale behoefte van de minderjarige kinderen van de man, voor zover hij daarin een bijdrage zou moeten leveren, bedraagt over 2014 totaal € 257,- per maand, te weten € 94,- per maand voor [A] en € 81,50 per kind per maand voor [B] en [C]. Omdat de draagkracht van de man onvoldoende is om aan al zijn onderhoudsverplichtingen te kunnen voldoen, verdeelt de rechtbank de beschikbare draagkracht van de man naar rato van de behoefte van de kinderen aan de hand van de formule:


[vastgestelde behoefte per kind : totale behoefte alle kinderen] x de draagkracht van de man


Het aandeel van [A] in de draagkracht van de man wordt dan berekend op afgerond € 75,- ([94 : 257] x 204) per maand. Het aandeel van [B] en [C] in de draagkracht van de man wordt berekend op afgerond € 65,- ([81,50 : 257] x 204) per kind per maand. Gezien de hoogte van de berekende bijdrage komt de man niet in aanmerking voor een fiscaal voordeel.

Over 2015 bedraagt de totale behoefte van de minderjarigen € 245,- per maand, te weten

€ 68,- per maand voor [A] en € 88,50 per kind per maand voor [B] en [C]. Naar rato van de behoefte van de kinderen bedraagt het aandeel van [A] in de draagkracht van de man € 57,- ([68 : 245] x 204) per maand, en dat van [B] en [C] € 74,- ([88,50 : 245] x 204) per kind per maand.


ten aanzien van de draagkrachtvergelijking


6.23.

Nu de gezamenlijke draagkracht van de man en de vrouw over 2014 € 107,50

(€ 32,50 + € 75,-) per maand bedraagt en deze hoger is dan de behoefte, die is vastgesteld op € 94,- per maand, dient het aandeel van de man en de vrouw in de kosten van het kind te worden berekend. Dit aandeel wordt berekend met behulp van de formule


[eigen draagkracht : totale draagkracht] x totale behoefte

Aan de hand van de hiervoor overwogen formule wordt het aandeel van de man vastgesteld op (afgerond) € 66,- ([€ 75,- : € 107,50] x 94) per maand en het aandeel van de vrouw op (afgerond) € 28,- ([€ 32,50 : 107,50] x 94) per maand.

Over 2015 bedraagt de gezamenlijke draagkracht van de man en de vrouw € 89,50 (€ 57,- + € 32,50) per maand, eveneens hoger dan de behoefte van [A], die voor 2015 is vastgesteld op € 68,- per maand. Aan de hand van de formule wordt het aandeel van de man berekend op (afgerond) € 43,- ([€ 57,- : € 89,50] x 68) per maand. Het aandeel van de vrouw wordt berekend op € 25,- ([€ 32,50 : € 89,50] x 68) per maand.


de zorgkorting


6.24.

De man maakt geen aanspraak op zorgkorting, ervan uitgaande, net als de vrouw, dat de draagkracht van beide partijen onvoldoende zal zijn om in de behoefte van [A] te voorzien. Uit vorenstaande berekeningen blijkt echter dat de draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van [A].

Dat sprake is van een zorg- dan wel contactregeling staat kennelijk niet ter discussie, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de man aanspraak kan maken op een zorgkorting. De hoogte van die zorgkorting is echter afhankelijk van de hoeveelheid zorg of omgang, hetgeen de rechtbank niet bekend is geworden. De rechtbank gaat daarom uit van een gebruikelijk zorgkortingspercentage van 15. Nu het aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen

€ 94,- respectievelijk 68,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting (afgerond) in 2014

€ 14,- en in 2015 € 10,- per maand.


6.25.

Aldus gerekend resteert een door de man aan de vrouw te leveren bijdrage in de kosten voor de minderjarige [A] van € 52,- (€ 66 minus de zorgkorting van € 14,-) per maand in 2014, en van € 33,- (€ 43,- minus de zorgkorting van € 10,-) per maand met ingang van 1 januari 2015. Voormelde bijdrage acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal zij toewijzen.


De ingangsdatum


6.26.

De vrouw voert verweer tegen de door de man verzochte ingangsdatum van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A]. Zij bestrijdt dat zij vanaf

18 november 2014 gerechtvaardigd rekening moest houden met de wijziging in de hoogte van de kinderalimentatie.


6.27.

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. De rechtbank hanteert als ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage de datum waarop het verzoek is binnengekomen bij de rechtbank, te weten 24 november 2014, nu de vrouw vanaf dat moment rekening had kunnen houden met een eventuele wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A].


De indexering


6.28.

De door de vrouw verzochte verklaring voor recht zal de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor onder 6.12. is overwogen, toewijzen, met uitzondering van de per 1 januari 2015 verzochte indexering, zulks in verband met de gewijzigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige per 24 november 2014. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat reeds uit de wet (artikel 1:402a BW) voortvloeit dat de vastgestelde bijdrage ieder jaar wordt verhoogd met het voor dat jaar geldende wettelijke indexeringspercentage.


De proceskosten


6.29.

Nu partijen gewezen echtelieden zijn, zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen zijn eigen kosten draagt.


7De beslissing


De rechtbank:


I wijzigt de tussen partijen in de zorgregeling van 23 februari 2009 overeengekomen bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen:

[A] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1],

en stelt die bijdrage met ingang van 24 november 2014 vast op € 52,-(tweeënvijftig EURO) per maand en met ingang van 1 januari 2015 op € 33,- (drieëndertig EURO) per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;


II verklaart voor recht dat dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding voor de minderjarige [A] had dienen te betalen:

- in het jaar 2011 € 160,87 per maand,

- in het jaar 2012 € 162,96 per maand,

- in het jaar 2013 € 165,73 per maand,

- in het jaar 2014 tot en met 23 november 2014 € 167,22 per maand;


III verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;


IV compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;


V wijst af het meer of anders verzochte;



Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. A.A.J. Lemain en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2015 in tegenwoordigheid van M.T. Hovius-Huisman, griffier.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.