Rechtbank Overijssel, 25-06-2015 / 08.730124-15


ECLI:NL:RBOVE:2015:3232

Inhoudsindicatie
De rechtbank Overijssel veroordeelt een man uit Zwolle tot 12 maanden celstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor zware mishandeling en mishandeling van twee vrijwilligers van een sociaal-culturele vereniging in Zwolle. De man ging naar binnen bij een besloten feest, nadat hij buiten was gezet viel hij de mannen aan. Hij moet de slachtoffers een schadevergoeding betalen van in totaal ruim 11.000 euro.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-06-25
Publicatiedatum
2015-07-06
Zaaknummer
08.730124-15
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Zwolle


Parketnummer: 08.730124-15

Datum vonnis: 25 juni 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats],

wonende aan de [woonplaats],

nu verblijvende in P.I. Zwolle (HvB).



1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 juni 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. E. Leunk en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. P.H.W.M. Roelofs, advocaat te Nijmegen, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door hem te slaan en te trappen;

feit 2: [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem te slaan.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


1. hij op of omstreeks 28 februari 2015 te Zwolle aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (meervoudige) kaakfractuur en/of schedelfractuur en/of een (meervoudige) beenfractuur, heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, (telkens) met kracht en/of met tot vuist gebalde hand op en/of tegen zijn gezicht en/of hoofd te slaan en/of te stompen en/of op en/of tegen zijn be(e)n(en) te schoppen en/of te trappen;

en/of


hij op of omstreeks 28 februari 2015 te Zwolle [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, (telkens) met kracht, met tot vuist gebalde hand op en/of tegen zijn gezicht en/of hoofd te slaan en/of te stompen en/of op en/of tegen zijn be(e)n(en) te schoppen en/of te trappen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een (meervoudige) kaakfractuur en/of schedelfractuur en/of een (meervoudige) beenfractuur ten gevolge heeft gehad;


2. hij op of omstreeks 28 februari 2015 te Zwolle een persoon genaamd [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] met kracht, met tot vuist gebalde hand in/op/tegen zijn hoofd/gezicht te slaan en/of te stompen.

3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.

Verder heeft de officier van justitie toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gevorderd, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De beoordeling


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging


De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Ten aanzien van feit 1 primair geldt dat aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij door verdachte tegen zijn been is getrapt. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1] en de letselrapportage. De overige getuigen verklaren dat verdachte aangever [slachtoffer 1] heeft geslagen.

Wat betreft feit 2: uit de aangifte van [slachtoffer 2] en de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] volgt dat verdachte [slachtoffer 2] een klap heeft gegeven.

Het betreft twee ernstige geweldsmisdrijven tegen vrijwilligers.

Volgens de officier van justitie is er geen sprake van noodweer. Verdachte had niets te zoeken in het gebouw van [gebouwnaam] en heeft daar de problemen opgezocht. Er was geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich moest verdedigen en al helemaal niet op de manier waarop dit is gebeurd, aldus de officier van justitie.


De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit van het als feit 1 primair ten laste gelegde. Zijn cliënt heeft aangegeven twee maal te hebben geslagen, maar hij ontkent het trappen tegen het been van [slachtoffer 1]. Zijn cliënt heeft niet de bedoeling gehad om iemand letsel toe te brengen. Zijn cliënt heeft dan ook geen opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, ook niet in voorwaardelijke zin. Zijn cliënt voelde zich door drie mannen aangepakt op een plek waar dat niet meer nodig was, namelijk buiten bij het bankje, en sloeg op die plek uit verdediging.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de gederfde huurinkomsten, zonder nadere onderbouwing, niet ten laste van zijn cliënt moeten komen en dat de gevorderde immateriële schade te hoog is. Dit laatste geldt ook voor de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2].


5.2

De overwegingen van de rechtbank


[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van zware mishandeling, gepleegd op 28 februari 2015 door verdachte. Hij heeft verklaard dat hij vrijwilliger is bij de [vereniging] en in die hoedanigheid die nacht als portier aanwezig was in het gebouw aan het [adres 1] in Zwolle. Er was op dat moment een besloten feest gaande dat werd georganiseerd door [gebouwnaam]. Aangezien verdachte geen lid was van de vereniging heeft [slachtoffer 1] verdachte aangesproken dat hij daar niet binnen mocht zijn en heeft hij hem verzocht het pand te verlaten. Omdat verdachte hieraan geen gehoor gaf en zich begon te verzetten, heeft [slachtoffer 1] met behulp van [getuige 3] en [slachtoffer 2] verdachte naar buiten geduwd. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij buiten door verdachte tegen zijn been is getrapt en in zijn gezicht is geslagen.


[slachtoffer 2], die ook als vrijwilliger bij het feest aanwezig was, heeft aangifte van mishandeling gedaan. Hij heeft verklaard dat hij tijdens de worsteling buiten in zijn gezicht is geslagen door verdachte.


Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij twee personen een vuistslag heeft gegeven. Hij heeft ontkend dat hij heeft getrapt.


Feit 1

Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van [slachtoffer 1], dat verdachte hem heeft getrapt en geslagen, waarna hij door zijn benen is gezakt, voldoende steun in andere bewijsmiddelen. Zo heeft getuige [getuige 3] verklaard dat hij zag dat [slachtoffer 1] door zijn benen zakte en gestrekt op de grond kwam te liggen. Verder heeft getuige [getuige 1] verklaard dat hij zag dat verdachte vanuit het niets met kracht een gerichte schop tegen het been van [slachtoffer 1] gaf.

Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] een vuistslag heeft gegeven.


Uit de letselrapportage blijkt dat bij [slachtoffer 1] sprake is diverse botbreuken rond het linkeroog. Eén botbreuk is operatief weer in de juiste stand gezet. Van het rechteronderbeen zijn het scheenbeen en het kuitbeen gebroken, waarvan de fractuur van het scheenbeen een spiraalfractuur betreft. De breuken van het scheenbeen zijn operatief gefixeerd door middel van een stalen pen. Naar verwachting zal volledig functioneel herstel zeker 3 tot 4 maanden duren, mogelijk langer.


Het letsel dat [slachtoffer 1] heeft opgelopen, gebroken botbreuken in zowel het gezicht als van het been, waarvan een aantal moest worden geopereerd en waarvan herstel maanden duurt, kan naar het oordeel van de rechtbank als zwaar lichamelijk letsel worden gekwalificeerd.


Verdachte heeft ontkend dat hij het zwaar lichamelijk letsel opzettelijk heeft toegebracht. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, die ter terechtzitting heeft verklaard dat hij “hier en daar een lesje vechtsport heeft gehad”, door gericht tegen het been van [slachtoffer 1] te trappen en hem een vuistslag op het gezicht te geven, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het been en de botten in het gezicht van [slachtoffer 1] zouden breken en dat zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door zijn handelen dan ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.


Feit 2

De rechtbank overweegt dat sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom in de bijlage van dit vonnis volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.


De rechtbank acht gelet op de aangifte van [slachtoffer 2], de verklaring van getuige Jousma, de bekennende verklaring van verdachte en de letselrapportage van de forensisch arts, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


5.3

De conclusie


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het als feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


1. hij op 28 februari 2015 te Zwolle aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (meervoudige) schedelfractuur en een (meervoudige) beenfractuur, heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] met kracht en met tot vuist gebalde hand tegen zijn gezicht te slaan en tegen zijn been te trappen;


2. hij op 28 februari 2015 te Zwolle [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] met kracht, met tot vuist gebalde hand tegen zijn gezicht te slaan.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 302 en 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het bewezenverklaarde levert op:


feit 1

het misdrijf: zware mishandeling;


feit 2

het misdrijf: mishandeling.


Hoewel de raadsman uitdrukkelijk heeft afgezien van een beroep op noodweer, kan uit de verklaringen van verdachte ter zitting worden opgemaakt dat hij zich wel beroept op noodweer. Verdachte heeft aangevoerd dat hij zich heeft verdedigd tegen de aanval van drie mannen.


De rechtbank verwerpt dit verweer.

Noch daargelaten de vraag of verdachte, die zichzelf in een situatie gebracht waarin men hem uit het gebouw heeft getracht te zetten, nog een beroep op noodweer toekomt, dient eerst nader beschouwd te worden of er sprake was van een noodweersituatie. Hieromtrent overweegt de rechtbank dat, nadat verdachte niet had voldaan aan de verzoeken om weg te gaan uit het pand van [gebouwnaam], hij richting het café is gelopen. Daarom is hem de weg versperd door [getuige 3]. Verdachte heeft [getuige 3] bij de keel gepakt, waarna verdachte, die zich zeer verzette, door [getuige 3], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met gepaste dwang naar buiten is geduwd, zo volgt uit de verklaringen van [slachtoffer 1], [getuige 3], [getuige 1] en [slachtoffer 2]. Blijkens deze gang van zaken was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding geen sprake zodat er voor verdachte geen noodzaak tot verdediging was.


Er zijn derhalve geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.


8De op te leggen straf of maatregel


8.1

De gronden voor een straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte heeft [slachtoffer 1] met veel kracht getrapt en geslagen. Als gevolg van de trap en de vuistslag heeft [slachtoffer 1] diverse botbreuken opgelopen, waarvan een aantal is geopereerd. Hoe ingrijpend de gevolgen voor [slachtoffer 1] zijn, is gebleken uit de namens hem ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. [slachtoffer 1] is lange tijd afhankelijk geweest van anderen, zijn eigen bedrijf dat ten tijde van het incident in de opstartfase was, heeft stilgelegen en hij loopt ongeveer 3,5 maand na het incident nog steeds met krukken.


Daarnaast heeft verdachte [slachtoffer 2] nog een vuistslag gegeven, waardoor de onderkaak van [slachtoffer 2] links nabij het kaakkopje is gebroken/gebarsten.


Verdachte heeft twee slachtoffers gemaakt, van wie één dubbel letsel heeft opgelopen. Beide waren zij als vrijwilliger aanwezig bij [gebouwnaam], waarbij [slachtoffer 1] verantwoordelijk was voor de orde en rust in de locatie. Verdachte heeft hiervoor geen enkel respect getoond en heeft zich vervolgens op grove wijze misdragen.


In het kader van deze strafzaak is een beknopt reclasseringsadvies uitgebracht d.d. 21 mei 2015, waaraan verdachte geen medewerking heeft willen verlenen. Uit dit rapport volgt dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat, gezien de leefstijl van verdachte, zijn veelvuldige delictplegingen op het gebied van agressiedelicten en het patroon dat hierin zichtbaar is, zijn beperkte zelfinzicht en het feit dat verdachte nauwelijks verantwoordelijkheid draagt voor zijn (delict)gedrag. Uit eerdere ervaringen met werkstraffen en begeleidingen in een verplicht kader is gebleken dat verdachte zijn medewerking hieraan niet wil verlenen. Om die reden adviseert de reclassering verdachte een onvoorwaardelijke straf op te leggen.


De rechtbank heeft gelet op een Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 12 mei 2015 waaruit blijkt dat verdachte reeds vele malen eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten.


Gelet op het vorengaande is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, zoals door de officier van justitie geëist, noodzakelijk is. Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats om te voorkomen dat verdachte in toekomst wederom dergelijk agressief gedrag zal vertonen.


Alles afwegende en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) in acht nemend, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en met aftrek van voorarrest, passend en geboden.


9De schade van benadeelden


9.1

De vordering van de benadeelde partij


Feit 1

[slachtoffer 1], wonende te [adres 2], heeft zich door middel van zijn advocaat mr. C.E. Jeekel te Zwolle, voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van (voorlopig) in totaal € 20.174,00 (zegge: twintigduizend honderdvierenzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (voor zover het smartengeld betreft) dan wel vanaf datum vordering benadeelde partij (voor zover het de overige vorderingen betreft). Deze schade bestaat uit de volgende posten:

vier dagen ziekenhuis € 112,-

eigen bijdrage fysiotherapie maart-mei 2015 - 692,50

toekomstige fysiotherapie, gedurende 1 jaar2x per week à € 32,25 - 3.354,-

eigen risico 2015 - 375,-

niet benutte huur (6 maanden) - 1.800,-

mantelzorg (drie maanden) - 1.276,-

voorschot smartengeld - 12.500,-

opvragen medische informatie - 64,50

Dit is gevorderd als “voorschot”. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelde partij behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.


Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer.

De opgevoerde schadeposten hiervoor gemeld onder a, b, c, d, f en h zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk.

Schadeposten e en g zijn namens verdachte betwist.

Ten aanzien van de niet benutte huur heeft de raadsman aangevoerd dat niet is aangetoond dat er inkomstenderving plaatsvindt.

Naar het oordeel van de rechtbank is aan de zijde van [slachtoffer 1] sprake van gederfde inkomsten aangezien hij vanaf het incident tot heden niet heeft kunnen werken. De rechtbank zal daarom voor de schadepost niet benutte huur een bedrag van € 1.200,- toewijzen dat ziet op de periode vanaf 28 februari 2015 tot en met 30 juni 2015 (vier maanden).

Tot slot heeft [slachtoffer 1] een bedrag van € 12.500,- aan smartengeld gevorderd. Ook dit bedrag is betwist. Als onderbouwing van dit bedrag heeft mr. Jeekel naar voren gebracht dat het voorval op lichamelijk en psychisch vlak forse gevolgen heeft gehad voor [slachtoffer 1]. De psychische gevolgen zijn echter niet onderbouwd, zodat het deel van het smartengeld dat ziet op de psychische gevolgen op dit moment niet voor toewijzing in aanmerking komt. Gelet op de ernst van het letsel en de verwachte duur van het herstel zal de rechtbank aan smartengeld een bedrag van € 3.500,- toewijzen.

In totaal zal de rechtbank een bedrag van € 10.574,- toewijzen, te vermeerderen met de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd dan wel vanaf datum vordering benadeelde partij. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

De gestelde schade voor wat betreft de overige twee maanden huur en het resterende gedeelte van het gevorderde smartengeld is door de benadeelde partij (thans) niet voldoende onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om haar stellingen alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze schadeposten niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan haar vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.


Feit 2

[slachtoffer 2], wonende te [adres 3], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1.400,- (zegge: duizend vierhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit immateriële schade.

Dit is gevorderd als “voorschot”. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelde partij behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.


Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadepost is betwist. Gelet op de ernst van het feit en de impact die dit op de benadeelde partij heeft gehad acht de rechtbank een bedrag van € 750,- aan immateriële schade redelijk.

De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen tot een bedrag van € 750,-, inclusief de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

De gestelde schade voor wat betreft het overige is door de benadeelde partij niet voldoende onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om haar stellingen alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de schadepost niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan haar vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.


9.2

De schadevergoedingsmaatregel


De rechtbank zal hierbij telkens de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.


10De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c en 27 Sr.

11De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;


strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:feit1: zware mishandeling; feit 2: mishandeling;


straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;


schadevergoeding

  • - veroordeelt de verdachte tot betaling aan mr. C.E. Jeekel van Ace Letselschade advocaten te Zwolle, gemachtigde van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres 2], van een bedrag van € 10.574,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2015 (voor zover het smartengeld betreft) dan wel vanaf datum vordering benadeelde partij (voor zover het de overige vorderingen betreft);
  • - veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
  • - legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 1 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 10.574,00 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 87 dagen zal worden toegepast;
  • - bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
  • - bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige deel niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • - veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [adres 3], van een bedrag van € 750,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2015;
  • - veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
  • - legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 2 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 750,- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 15 dagen zal worden toegepast;
  • - bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
  • - bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige deel niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;



Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Bruggen, voorzitter, mr. F. van der Maden en mr. R.A.M. Elbers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.W. de Boer, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2015.

Mr. Elbers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland, district IJsselland, districtsrecherche IJsselland met nummer PL0600-2015156392. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.



Feit 1 – het opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toebrengen en het trappen tegen het been


1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 1 maart 2015, pagina 28 en 31, inhoudende:

(…) V: Hoe is het met je en welk letsel heb je?

A: Een dubbele scheenbeenbreuk (…). Ik weet dat ik van [verdachte] een harde trap tegen mijn rechterbeen kreeg. Het was een karatetrap. Dat deed mij verschrikkelijk veel pijn. (…) Door die harde trap tegen mijn been kwam ik te vallen. (…)


2.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] van 28 februari 2015, pagina 34, inhoudende:

(…) Ik zag dat [slachtoffer 1] door zijn benen zakte. Ik zag dat [slachtoffer 1] gestrekt op de grond lag. Ik zag dat [slachtoffer 1] stil op de grond lag. (…)


3.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 28 februari 2015, pagina 35, inhoudende:

(…) Ik zag dat de jongen die zojuist naar buiten was gewerkt, vanuit het niets met een kracht een gerichte schop op het linkerbeen van [slachtoffer 1] gaf. Ik zag dat [slachtoffer 1] door deze schop uit balans raakte.

Ik zag vervolgens dat de jongen met zijn rechtervuist met kracht een vuistslag tegen de neus van [slachtoffer 1] gaf.

Ik zag dat [slachtoffer 1] in elkaar zakte en enkele ogenblikken niet meer aanspreekbaar was. (…)


4.

De door J. Aberson, forensisch arts, opgemaakte medische verklaring van 4 maart 2015, pagina 53, onder meer inhoudende:

(…) rechter been + voet Zwelling, pijn en onderhuids bloedverlies van het rechter onderbeen Info Ziekenhuis : er is een crurisfractuur van het rechter onderbeen ontstaan. Een crurisfractuur betekent dat beide botten (scheenbeen en kuitbeen) van het onderbeen gebroken zijn. Er is sprake van een spiraalfractuur (draaibreuk) van het scheenbeen en een fractuur aan de bovenzijde van het kuitbeen. De botbreuken zijn 28-02-2015 operatief gefixeerd door een stalen pen IN het scheenbeen te plaatsen (T2-pen). Het kuitbeen is niet gefixeerd aangezien dat naar verwachting vanzelf weer zal vastgroeien. Hierna gipsspalk en oefenschema zonder belasten. Na periode gipsimmobilisatie zal uitgebreide oefentherapie moeten volgen. (…)

is er vermoeden van ja, namelijk botbreuken gaan altijd gepaard met inwendig

inwendig bloedverlies? bloedverlies; in dit geval fors maar niet ernstig

is er vermoeden van niet ja, namelijk diverse botbreuken aan rechter onderbeen (…)

uitwendig waarneembaar

(…)

letsel past bij toedracht Letsel is veroorzaakt door direct en indirect stomp botsend geweld waarbij op het been ook directe of indirecte hefboom- en draaikrachten moeten zijn uitgeoefend, hetgeen deels zou kunnen passen bij de door slachtoffer aangegeven toedracht (…)


5.

De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 11 juni 2015, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

(…) U vraagt mij of ik bekend ben met vechtsport. Ik heb hier en daar een lesje gehad. (…)



Feit 1 – overig en feit 2


Nu verdachte zowel bij de politie als ter terechtzitting het ten laste gelegde feit 1 voor het overige en feit 2 heeft bekend, volstaat de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen.


Feit 1 - overig


Voor het bewijs verwijst de rechtbank naar:


- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 1 maart 2015, pagina 28-32;

- het proces-verbaal van verhoor verdachte van 28 februari 2015, pagina 45-49;

- het proces-verbaal van verhoor verdachte van 1 maart 2015, pagina 50-51;

- de door J. Aberson, forensisch arts, opgemaakte medische verklaring van 4 maart 2015, pagina 52-57;

- de bekennende verklaringen van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 11 juni 2015;


Feit 2


Voor het bewijs verwijst de rechtbank naar:


- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 28 februari 2015, pagina 59-60;

- het proces-verbaal van verhoor verdachte van 28 februari 2015, pagina 45-49;

- het proces-verbaal van verhoor verdachte van 1 maart 2015, pagina 50-51;

- de door S.J.Th. van Kuijk, forensisch arts, opgemaakte medische verklaring van 19 maart 2015, pagina 62-64;

- de bekennende verklaringen van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 11 juni 2015.