Rechtbank Overijssel, 22-01-2015 / 08.730018-14 (P)


ECLI:NL:RBOVE:2015:333

Inhoudsindicatie
Uitgaansgeweld in de Zwolse binnenstad leidt tot een werkstraf van 40 uur.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-01-22
Publicatiedatum
2015-01-22
Zaaknummer
08.730018-14 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Zwolle


Parketnummer: 08.730018-14 (P)

Datum vonnis: 22 januari 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte 3],

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats 1].


1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 januari 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.C.C. Berendsenen van wat door de verdachte naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 8 september 2013 in Zwolle openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2], dan wel [slachtoffer 2] heeft mishandeld.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


hij op of omstreeks 08 september 2013 te Zwolle met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Melkmarkt, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit die [slachtoffer 2] een of meermalen (met de vuist) op/tegen de neus, althans in/tegen het gezicht te slaan;

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair, terzake dat

hij op of omstreeks 08 september 2013 te Zwolle opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), een of meermalen (met de vuist) op/tegen de neus, althans in/tegen het gezicht heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.



4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De beoordeling van het bewijs


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdachte


De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Het subsidiair ten laste gelegde, de mishandeling van [slachtoffer 2], acht zij op basis van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte wettig en overtuigend bewezen.


Verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer 2] met de vuist tegen de neus heeft geslagen. Hij heeft verklaard dat hij de situatie als dreigend heeft ervaren en dat hij daarom heeft geslagen. Ook heeft hij verklaard dat hij achteraf gezien gewoon weg had moeten lopen.


5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


De rechtbank is, evenals de officier van justitie, van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging, zodat zij hem van het primair ten laste gelegde zal vrijspreken.


De rechtbank concludeert op basis van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte dat verdachte met een vuist tegen de neus van aangever heeft geslagen. Aangever heeft verklaard dat hij hierdoor pijn voelde. Door de verbalisant, die de aangifte heeft opgenomen, is geconstateerd dat aangever een bloedende neus had.

Uit de verklaringen van verschillende getuigen komt naar voren dat er tussen de groep, waarvan verdachte deel uitmaakte, en de groep van aangever een woordenwisseling was over een jas. Verdachte heeft verklaard dat hij aangever een beetje agressief vond en dat hij aangever, nadat deze hem een duw had gegeven, vol op de neus heeft geslagen. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij de situatie als dreigend heeft ervaren en daarom heeft geslagen. Voor zover verdachte daarmee een beroep heeft willen doen op noodweer, overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Uit geen van de getuigenverklaringen komt naar voren dat sprake was van (dreigende) agressie van aangever tegen verdachte of één van zijn vrienden. Verdachte heeft bovendien, desgevraagd, ook verklaard dat hij, achteraf bezien, gewoon weg had moeten lopen. Daaruit leidt de rechtbank af dat verdachte zich zonder veel moeite op ieder moment aan de situatie had kunnen onttrekken. Van een geslaagd beroep op noodweer kan dan ook geen sprake zijn.


Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.


5.3

De conclusie


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 08 september 2013 te Zwolle opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 2], met de vuist tegen de neus heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).


Er zijn overigens ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


Het misdrijf: Mishandeling


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.


8De op te leggen straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte heeft op 8 september 2013 in het centrum van Zwolle na het uitgaan een persoon mishandeld door hem met de vuist in het gezicht te slaan.

Verdachte heeft hierdoor inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en zich schuldig gemaakt aan uitgaansgeweld.


Verdachte heeft geen relevante justitiële documentatie en is na 8 september 2013 niet meer met politie of justitie in contact gekomen. De rechtbank weegt dat in positieve zin mee. De rechtbank houdt rekening met de verklaring van verdachte dat het niet zo had moeten gaan, en in die zin spijt heeft betuigd.


Voornoemde factoren in aanmerking nemend acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 40 uur passend en geboden.


9De vordering van de benadeelde partij


In het dossier van verdachte bevindt zich ook de vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 1]. Nu [slachtoffer 1] geen schade heeft geleden als gevolg van een door verdachte gepleegd strafbaar feit, zal de rechtbank [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.


10De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22c en 22d Sr.

11De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;


bewezenverklaring

  • - verklaart bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven onder 5.3 omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:het misdrijf: Mishandeling
  • - verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • - veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 40 uren;
  • - beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;

benadeelde partij

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats 2], niet-ontvankelijk is in zijn vordering.



Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Bruggen, voorzitter, mr. S. Taalman en mr. L.J.C. Hangx, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Seuters, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2015.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.



Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit processen-verbaal uit het dossier van de regiopolitie IJsselland, team Zwolle-Oost met nummer PL04ZO-2013104960.


Nu verdachte zowel bij de politie als ter terechtzitting van 8 januari 2014 het subsidiair ten laste gelegde feit heeft bekend, volstaat de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen.


Voor het bewijs verwijst de rechtbank naar:


T.a.v. feit 1

- Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], mede inhoudende de constatering van het letsel door de verbalisant;

- De bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 8 januari 2015.