Rechtbank Overijssel, 28-07-2015 / 08/952768-14


ECLI:NL:RBOVE:2015:3600

Inhoudsindicatie
De verdachte, (mede)eigenaar van een coffeeshop, heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van grote hoeveelheden drugs in zijn woning. De rechtbank acht - alles overwegende - oplegging van een geldboete op zijn plaats. Het gaat hier immers om een feit dat verdachte heeft gepleegd om financieel gewin te behalen, zodat bestraffing op het financiële vlak door de rechtbank als passend wordt aangemerkt. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een geldboete van €50.000,00.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-07-28
Publicatiedatum
2015-07-28
Zaaknummer
08/952768-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Almelo


Parketnummer: 08/952768-14

Datum vonnis: 28 juli 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1960 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .


1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 juli 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. van Veen en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. G.A.C. Beckers, advocaat te Sittard, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


opzettelijk een (grote) hoeveelheid hasjiesj en hennep aanwezig heeft gehad.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


hij op of omstreeks 27 september 2014, te Hengelo, gemeente Hengelo (O) tezamen en in verenigiong met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad van (in totaal) ongeveer 29680 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en/of ongeveer 45335 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep/marihuana, zijnde hasjiesj en/of hennep/marihuana (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 25.000,-. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de onder verdachte in beslag genomen hoeveelheid drugs wordt onttrokken aan het verkeer.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.

Met betrekking tot het niet-ontvankelijkheidsverweer

De rechtbank is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging vanwege handelen in strijd met beginselen van een behoorlijke procesorde geen doel treft en moet worden verworpen.

De rechtbank stelt naar aanleiding van dit verweer voorop dat niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging slechts kan volgen indien sprake is van ernstige inbreuken op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

De rechtbank is van oordeel dat de wijze waarop door de politie en het Openbaar Ministerie onderzoek is gedaan in deze zaak geen afbreuk heeft gedaan aan het recht van verdachte op een eerlijke behandeling in zijn strafzaak in de zin van artikel 6 EVRM.

De rechtbank overweegt daartoe dat de verdediging in haar verweer miskent dat de aan een coffeeshop verleende gedoogbeschikking (en de daarmee samenhangende AHOJG-criteria), slechts betrekking heeft op de coffeeshop als zodanig en niet ziet op zogeheten stashplaatsen ten behoeve van de coffeeshop in (privé)woningen, waar in dit geval de grote hoeveelheden softdrugs zijn aangetroffen. Van gedogen door politie en justitie van het aanwezig hebben van soft drugs buiten een ‘gedoogde’ coffeeshop is geen sprake en is ook nooit sprake geweest.

Het verweer dat het Openbaar Ministerie gehandeld heeft in strijd met de eigen beleidsregels door de strafrechtelijke aanpak niet af te stemmen met de burgemeester waar volgens de verdediging het primaat van de handhaving van het coffeeshopbeleid ligt, kan dan ook niet slagen omdat het in de onderhavige zaak niet gaat om optreden tegen een coffeeshophouder die in strijd met de gedoogcriteria voor de coffeeshop heeft gehandeld maar om een verdachte die ervan wordt verdacht gehandeld te hebben in strijd met de bepalingen van de Opiumwet. De rechtbank wijst in dit verband nog op het arrest van de Hoge Raad van 6 november 2012 waarin de Hoge Raad uitdrukkelijk heeft overwogen, dat in art. 167, eerste lid, Sv aan het Openbaar Ministerie exclusief de bevoegdheid is toegekend om zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, voor zover hier van belang met het verbod van willekeur - dat in strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging - om de reden dat geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Indien een rechter op deze grond tot het oordeel komt dat sprake is van een uitzonderlijk geval waarin het Openbaar Ministerie om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, gelden voor deze beslissing zware motiveringseisen. De rechtbank verwerpt het verweer.

Voor zover de verdediging nog heeft gesteld dat de door verdachte in zijn woning aangehouden bedrijfsvoorraad ten behoeve van de coffeeshop bij de politie en het Openbaar Ministerie bekend zou zijn, althans bekend zou moeten zijn nu de jaarstukken betreffende de coffeeshop bekend zijn bij de Belastingdienst, waaraan de verdediging kennelijk de conclusie verbindt dat aldus al lange tijd sprake was van gedogen van het aanhouden van een voorraad soft drugs buiten de coffeeshop waardoor bij verdachte het vertrouwen zou zijn opgewekt dat hij hiervoor niet zou worden vervolgd, wordt ook dat verweer verworpen om de hiervoor genoemde reden dat van gedogen buiten het zogenaamde ‘coffeeshopbeleid’ geen sprake is en ook nooit sprake is geweest. Door de verdediging wordt miskend dat in de onderhavige zaak geen sprake is van vervolging van een coffeeshophouder in verband met het overtreden van de gedoogcriteria die gelden voor de coffeeshop. Nog daargelaten dat het verweer om de hiervoor genoemde reden moet worden verworpen, mist het bovendien feitelijke grondslag nu het dossier immers geen enkele ondersteuning biedt voor de stellingen van de verdediging.


Het dossier biedt ook overigens geen aanknopingspunten voor de stelling van de raadsman dat ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan, zodat het verweer moet worden verworpen. De rechtbank concludeert dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging ter zake de aan de verdachte tenlastegelegde feiten.


De rechtbank heeft tot slot vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5. De beoordeling van het bewijs


5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het hem tenlastegelegde heeft gepleegd. De in de tenlastelegging opgenomen hoeveelheden softdrugs zijn aangetroffen in de woning van verdachte. Dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van hasjiesj en hennep, past bij zijn rol als exploitant van een coffeeshop en wordt ondersteund door de uitlating van verdachte tegen verbalisant [verbalisant 1] : ‘als je daar naar binnengaat, ben ik failliet’, doelend op de ruimte waar de drugs zijn aangetroffen. Het bewijs is rechtmatig vergaard, aangezien verbalisant [verbalisant 2] zich rechtmatig toegang tot de woning heeft verschaft in verband met de controle van een inbraakalarm en zich vervolgens met toepassing van artikel 9 van de Opiumwet toegang heeft verschaft tot de plaats waar de overtreding van de Opiumwet plaatsvond, althans waarvan redelijkerwijs vermoed kon worden dat een zodanige overtreding plaatsvond. In casu is sprake van het toevallig aantreffen van een zeer grote hoeveelheid drugs. Verbalisant [verbalisant 2] heeft, nadat de hennepgeur werd waargenomen, onder rechtmatige toepassing van artikel 9 Opiumwet in de wapenkist gekeken. In de ruimte waar mogelijk de hennepgeur vandaan zou komen, waren grote gesealde zakken te zien. Zowel het binnentreden van die ruimte als het onderzoek aan de zakken vallen onder de reikwijdte van artikel 9 Opiumwet. Er is in geen enkel van de voorgaande situaties sprake geweest van een doorzoeking. De aangetroffen hoeveelheid drugs maakt bovendien dat de vervolging opportuun is. Door hoeveelheden van meer dan 75 kilo thuis te hebben, wordt de controle op drugs in het verkeer ondermijnd. Het kan worden gestolen en het verkeer ingaan. Het kan bovendien uitlokken tot ‘ripacties’ van personen die van de aanwezigheid van de drugs op de hoogte komen. De huidige stand van de jurisprudentie leidt ertoe dat geen van de verweren zal slagen. De officier van justitie acht een rechterlijk pardon als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet op zijn plaats, daar het overtreden van de Opiumwet louter om bedrijfseconomische redenen heeft plaatsgevonden. Nu economisch gewin de context voor het strafbare handelen door verdachte vormde, dient daar een economische sanctie tegenover te staan.


De raadsman heeft betoogd dat het bewijs onrechtmatig is verkregen doordat verbalisant [verbalisant 2] een doorzoeking heeft verricht, terwijl hij daartoe in het kader van artikel 96 van het Wetboek van Strafvordering niet bevoegd was. Het verkregen bewijs (in de vorm van de partij softdrugs) is wat de raadsman betreft aan te merken als verboden vrucht, Voordat de partij softdrugs werd aangetroffen, heeft verbalisant [verbalisant 2] een wapenkist geopend. Dit is aan te merken als een daad van doorzoeking, waarvoor geen machtiging was. De partij softdrugs is vervolgens op een andere plek aangetroffen en is het resultaat van de onrechtmatige doorzoeking van de wapenkist toen daarin geen drugs werden aangetroffen waarna verder gezocht is. De raadsman verzoekt de rechtbank derhalve de aangetroffen drugs van het bewijs uit te sluiten en verdachte dientengevolge vrij te spreken van het hem tenlastegelegde. De raadsman stelt subsidiair dat in geval van bewezenverklaring, met bestraffing geen redelijk doel wordt gediend en dat onder de gegeven omstandigheden, een rechterlijk pardon passend zou zijn. De raadsman verzoekt meer subsidiair de rechtbank om verdachte te veroordelen tot betaling van een geldboete ter hoogte van € 499,-. In verband met de bepaling uit artikel 4 van het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999 zal een veroordeling tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- of hoger ingrijpende gevolgen hebben voor de aan verdachte verstrekte vergunning. Daar komt bij dat verdachte ingeval van een veroordeling fiscaal nadeel zal leiden. De raadsman verzoekt de rechtbank met die fiscale systematiek rekening te houden bij de eventuele strafoplegging.


5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


De verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] zijn op 27 september 2014 de woning aan de [adres] te [woonplaats] binnengetreden om een opsporingsonderzoek in te stellen naar aanleiding van een inbraakalarm in voornoemde woning. In de aan die woning geschakelde garage nemen de verbalisanten vervolgens een sterke hennepgeur waar.


Verbalisant [verbalisant 2] heeft in een proces-verbaal gerelateerd dat hij op 27 september 2014 in de bij de woning behorende garage een onafgesloten wapenkist heeft geopend vanwege het vermoeden dat de inhoud van de kist mogelijk de hennepgeur zou kunnen verklaren. Verbalisant [verbalisant 2] constateerde echter na opening dat de hennepgeur niet uit die wapenkist kwam.


Verbalisant [verbalisant 1] heeft in een proces-verbaal gerelateerd dat hij op 27 september 2014 door het raam aan de buitenzijde van de garage verbonden aan de woning heeft gekeken en dat hij daar een grote kluis, een groot aantal dozen en gesealde plastic zakken waarnam. Verbalisant [verbalisant 1] heeft hierop telefonisch contact gehad met de officier van justitie, welke hem toestemming en opdracht gaf in de afgesloten ruimte naar verdovende middelen te zoeken. De verbalisant heeft in een opgemaakt proces-verbaal gerelateerd dat de deur naar de afgesloten ruimte werd geforceerd en dat hij een groot aantal dozen, gesealde plastic zakken, een kluis en een aantal kasten in die ruimte aantrof. De verbalisant heeft hierop twee zakken geopend, waarbij hij heeft geconstateerd dat deze gedroogde henneptoppen bevatten. Op verzoek van verbalisant [verbalisant 1] heeft verdachte de kluis en twee kasten geopend, waarna de verbalisant in zowel de kluis als een kast pakken gesealde hasj aantrof. De verdovende middelen zijn hierop in beslag genomen.


Verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] hebben in een proces-verbaal gerelateerd dat zij op 30 september 2014 tweeëntwintig sealbags bevattende een op marihuana gelijkende stof en tweehonderdvijftig in plastic folie verpakte plaatjes en brokjes bevattende een op hasj gelijkende stof aan een nadere expertise hebben onderworpen. De vorenbedoelde op marihuana gelijkende stof is getest met de ODV verdovende middelentest, waarbij positief werd gereageerd op de aanwezigheid van tetrahydrocannabinol, zijnde de werkzame stof in marihuana. Het nettogewicht van deze marihuana tezamen bedroeg 45.335 gram. De vorenbedoelde op hasj gelijkende stof is getest met de ODV verdovende middelentest, waarbij positief werd gereageerd op de aanwezigheid van tetrahydrocannabinol, zijnde de werkzame stof in hasj. Het nettogewicht van deze hasj tezamen bedroeg 29.680 gram.


Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij op 27 september 2014 in zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] een grote hoeveelheid drugs, zijnde 45.335 gram marihuana en 29.680 gram hasj aanwezig heeft gehad. Verdachte heeft verklaard dat in de afgesloten ruimte van de garage behorende bij de woning een bedrijfsvoorraad lag van coffeeshop [coffeeshop] , gevestigd aan de [adres] te [plaats] , van welke coffeeshop verdachte (mede)eigenaar is.. Verdachte heeft bevestigd dat hem bekend is dat in de gedoogvoorwaarden voor voornoemde coffeeshop geen bepalingen met betrekking tot het gedogen van het aanhouden van een externe bedrijfsvoorraad in een privéwoning zijn opgenomen.


De rechtbank is van oordeel dat de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] op

27 september 2014 rechtmatig zijn binnengetreden in de woning van verdachte om een opsporingsonderzoek in te stellen naar aanleiding van een (mogelijke) inbraak. Vervolgens hebben zij tezamen met verbalisant [verbalisant 1] , onder de feiten en omstandigheden zoals hiervoor weergegeven onder het relaas van de verbalisanten, telkens binnen de reikwijdte van artikel 9 van de Opiumwet gehandeld. Van een doorzoeking is onder deze omstandigheden geen sprake geweest. Een en ander maakt dat het bewijs op rechtmatige wijze is verkregen. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.


Gelet op het ambtsedige proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] , waaruit blijkt dat op 27 september 2014 in de garage behorende bij de woning aan de [adres] te [woonplaats] verdovende middelen, zijnde marihuana en hasj, zijn aangetroffen, gelet op het nadere onderzoek aan die verdovende middelen, waaruit blijkt dat de aangetroffen verdovende middelen respectievelijk 45.335 gram marihuana en 29.680 gram hasj betreffen en gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij op 27 september 2014 in zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] voornoemde verdovende middelen in voornoemde hoeveelheden aanwezig heeft gehad, komt de rechtbank door de inhoud van die wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


5.3

De conclusie


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 27 september 2014 te Hengelo (O) opzettelijk aanwezig heeft gehad 29.680 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en 45.335 gram marihuana, zijnde hasjiesj en marihuana telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.


De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.


8De op te leggen straf of maatregel


8.1

De gronden voor een straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van grote hoeveelheden drugs, zoals hierboven is bewezenverklaard. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het in Nederland geldende gedoogbeleid voor coffeeshops op basis waarvan de verkoop en het gebruik van softdrugs onder strikte voorwaarden door de overheid wordt gedoogd, heeft geleid tot een schemergebied in de opsporing en vervolging. Coffeeshophouders dienen op straffe van sluiting van de coffeeshop door de gemeente erop toe te zien dat zij binnen de kaders van dit gedoogbeleid hun onderneming drijven. Aan verdachte kan worden toegegeven dat enerzijds op basis van dit gedoogbeleid de “voordeur” van de coffeeshop wel gereglementeerd is door de zogenaamde AHOJG-criteria, waarin onder meer is opgenomen dat in de coffeeshop niet meer dan 500 gram softdrugs op voorraad aanwezig mag zijn. Dit terwijl anderzijds de “achterdeur” waarlangs de handelsvoorraad moet worden binnengebracht, niet geregeld is en overgelaten wordt aan de creativiteit van de coffeeshophouder. Dit kan in de praktijk van de handhaving aanleiding geven tot ondoorzichtige situaties. In geval door een gedoogde coffeeshophouder in strijd met de bepalingen van de Opiumwet wordt gehandeld door buiten de coffeeshop voorraden soft drugs ten behoeve van de coffeeshop aan te leggen, zou - zo begrijpt de rechtbank de strekking van het verweer van verdachte - het verwijt daarvoor gezien het halfslachtige coffeeshopbeleid - niet alleen in de richting van de coffeeshophouder mogen gaan. Wat daarvan ook zij, in dit geval heeft de verdachte door in strijd met de bepalingen van de Opiumwet grote hoeveelheden softdrugs (in totaal ruim 75 kilo) aanwezig te hebben in de privéwoning aan de [adres] te [woonplaats] , meer oog gehad voor zijn eigen positie als exploitant van de coffeeshop en voor zijn (eigen) financieel gewin dan voor het naleven van de Opiumwet. Zoals hiervoor al is overwogen heeft het gedoogbeleid uitsluitend betrekking op het onder bepaalde voorwaarden (de zogenaamde AHOJG-criteria) niet vervolgen van een coffeeshophouder voor het aanwezig hebben en verkopen van softdrugs in een door de gemeente gedoogde inrichting. Toepassen van en/of rekening houden met dit voor coffeeshops geldende gedoogbeleid op degenen die de coffeeshops bevoorraden en/of ten behoeve van de coffeeshop voorraden buiten de coffeeshop aanhouden zou een uitbreiding betekenen van het gedoogbeleid. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt in de eerste plaats bij de wetgevende en uitvoerende macht en gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten. De rechtbank ziet om de hiervoor genoemde redenen geen aanleiding om verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman om toepassing te geven aan artikel 9a Sr.


Namens de verdediging is nog aangevoerd dat bij de bepaling van de strafmaat rekening gehouden moet worden met de fiscale wetgeving, op grond waarvan kosten die verband houden met een misdrijf waarvoor een veroordeling is uitgesproken, van aftrek zijn uitgesloten. De rechtbank zal met deze omstandigheid niet in strafmatigende zin rekening houden. Verdachte mag bekend worden verondersteld met de fiscale risico’s die hij liep met het plegen van het onderhavige feit en die risico’s heeft hij op de koop toe genomen, uit hoofdzakelijk financiële motieven. Wanneer de partij softdrugs niet ontdekt was, had verdachte hier financieel ten volle van geprofiteerd, ook in fiscaal opzicht. De rechtbank ziet gelet hierop geen aanleiding om de nadelige fiscale consequenties die gepaard gaan met een veroordeling, ten voordele van verdachte te laten strekken, door deze in strafmatigende zin mee te wegen. Voor zover de verdediging nog heeft verwezen naar het vonnis van de rechtbank in Middelburg van 25 maart 2010 merkt de rechtbank op dat het in die zaak ging om de vaststelling van wederrechtelijk verkregen voordeel. In de onderhavige zaak gaat het evenwel om straftoemeting en alleen al om die reden gaat een vergelijking met de zaak die door de rechtbank in Middelburg is beoordeeld, mank.

De rechtbank acht - alles overwegende - oplegging van een geldboete op zijn plaats. Het gaat hier immers om een feit dat verdachte heeft gepleegd om financieel gewin te behalen, zodat bestraffing op het financiële vlak door de rechtbank als passend wordt aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat de eis van de officier van justitie onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen de grote hoeveelheid soft drugs die verdachte in zijn woning had opgeslagen terwijl verdachte als geen ander weet dat het anders dan binnen de kaders van het gedoogbeleid aanhouden van een bedrijfsvoorraad soft drugs strafbaar is. Ter zitting heeft verdachte bovendien nog verklaard dat er in het verleden driemaal eerder een inbraak in dan wel een overval op zijn woning heeft plaatsgevonden, met als kennelijk doel het wegnemen van de daar opgeslagen softdrugs. Daaruit blijkt eens te meer dat het opslaan van grote hoeveelheden softdrugs in een woning grote risico’s oproept in de zin van de kans op het plegen van zogenaamde ripdeals. Dit is niet alleen gevaarzettend voor de bewoners en de omgeving van die woning maar vraagt in voorkomende gevallen ook veel kostbare capaciteit van politie en justitie. Hierdoor wordt ernstige schade aan de samenleving berokkend. Verdachte heeft door thuis deze aanzienlijke hoeveelheid softdrugs op te slaan onvoldoende oog gehad voor de nadelige gevolgen van zijn gedrag voor de openbare orde.


De rechtbank heeft voorts geconstateerd dat blijkens het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 juni 2015 verdachte enkele antecedenten op het gebied van de Opiumwet heeft. Nu dit echter oude feiten betreffen, zal de rechtbank deze niet in nadelige zin voor verdachte meewegen bij de bepaling van de strafmaat. Alles afwegende zal de rechtbank verdachte veroordelen tot na te noemen geldboete. Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.


8.2

De in beslag genomen voorwerpen


De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen goederen, zijnde 29.680 gram marihuana en 45.335 gram hasjiesj, vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het feit is begaan en zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.


De rechtbank gelast de teruggave van het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag ad € 27.174,00.


11De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 23, 24, 24c, 36b en 36c Sr.


12De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbaar feit oplevert:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde.


straf

veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 50.000,00 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 285 dagen hechtenis.


Beslag

  • - verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen goederen, zijnde 29.680 gram marihuana en 45.335 gram hasj;
  • - gelast teruggave van het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag ad € 27.174,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en mr. M. Aksu, rechters, in tegenwoordigheid van J.J.J. Bernsen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op

28 juli 2015.



Buiten staat

Mr. M. Aksu is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.


1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit de dossiers van de Regiopolitie Twente, Divisie Informatie en Recherche, Districtsrecherche Twente, met registratienummer PL0500-2014097383 van 13 november 2014. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2 Proces-verbaal aanhouding d.d. 27 september 2014 (blz. 14 tem 16)
3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 september 2014 (blz. 21)
4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 september 2014 (blz. 23 tem 38)
5 Proces-verbaal expertise marihuana, hasj en cocaïne d.d. 30 september 2014 (blz. 55 tem 59)