Rechtbank Overijssel, 07-01-2015 / 150048 HA ZA 14-6


ECLI:NL:RBOVE:2015:379

Inhoudsindicatie
Aansprakelijkheid advocaat. Vast staat dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn. De aansprakelijkheid van de advocaat is op grond van genoemde voorwaarden uitgesloten. Nu er sprake is van een contractuele relatie is er slechts sprake van een onrechtmatige daad, in het geval de gedraging onafhankelijk van de schending van de verbintenis een onrechtmatige daad oplevert. Dit is niet gesteld, noch gebleken.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-01-07
Publicatiedatum
2015-01-26
Zaaknummer
150048 HA ZA 14-6
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JA 2015/37
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Almelo


Zaaknummer: 150048 HA ZA 14-6

Datum vonnis: 7 januari 2015 (m)



Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:



1 [eiser 1],

en

2. [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats 1],

eisers,

hierna gezamenlijk te noemen ‘[eiser 1]’,

advocaat: mr. B.W.M. Zegers te Edam,


tegen


[gedaagde],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde,

hierna te noemen ‘[gedaagde]’,

advocaat: mr. P.H. Kramer te Amsterdam.



1Het verdere procesverloop

1.1.

Naar aanleiding van het tussenvonnis van de rechtbank van 10 september 2014 heeft er op 13 november 2014 een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.


1.2.

De rechtbank heeft de zaak verwezen voor vonnis, welk vonnis is bepaald op heden.


1.3.

[eiser 1] heeft verzocht om pleidooi. [gedaagde] heeft zich tegen dit verzoek verzet. Dit verzoek is door de rechtbank op de voet van het bepaalde in artikel 134 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) afgewezen, omdat partijen tijdens de comparitie in voldoende mate mondeling hun standpunt hebben kunnen uiteenzetten.



2De vaststaande feiten

2.1.

In deze zaak staat als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en/of blijkend uit niet-betwiste producties het navolgende vast.


2.2.

[eiser 1] heeft op 7 augustus 2009 het ‘intakeformulier particulieren’ ondertekend, productie 1 bij conclusie van antwoord in de hoofdzaak en in het incident ex artikel 233 Rv. Dit formulier is ook op 4 augustus 2009 ondertekend door [gedaagde].

Blijkens dit intakeformulier zijn de algemene voorwaarden van de maatschap [X] van toepassing verklaard.

Artikel 3 van deze voorwaarden bepaalt:

“Alle opdrachten worden, met terzijdestelling van de artikelen 7:404 en 7:407 lid 2 BW, uitsluitend aanvaard en uitgevoerd door de maatschap [X].”

Artikel 11 van deze voorwaarden bepaalt:

“Alle bedingen in deze algemene voorwaarden zijn mede gemaakt ten behoeve van de vennoten van [X], alsmede van de bestuurders van de praktijkvennootschappen en van al degenen die voor de maatschap werkzaam zijn of waren.”


2.3.

[gedaagde] is als advocaat opgetreden namens [eiser 1] in een gerechtelijke procedure tussen [eiser 1] en [H], hierna te noemen ‘[H]’. In die procedure vorderde [H] een verklaring voor recht inhoudende dat [eiser 1] jegens hem onrechtmatig had gehandeld, doordat [eiser 1] hem onbevoegd zou hebben vertegenwoordigd bij de inzending van een zienswijze bij de gemeente Haaksbergen. De rechtbank heeft op 9 maart 2011 eindvonnis gewezen en voor recht verklaard dat [eiser 1] jegens [H] onrechtmatig heeft gehandeld en heeft [eiser 1] veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat. Het hof heeft het door [eiser 1] ingestelde hoger beroep verworpen voor zover gericht tegen enkele tussenvonnissen en heeft de overige vonnissen bekrachtigd. Tegen dit arrest is geen beroep in cassatie ingesteld, noch is een herroepingsvordering voorgesteld.


2.4.

Bij exploot van 15 oktober 2012 is [H] gekomen tot betekening van zijn schadestaat, met dagvaarding van [eiser 1] tot veroordeling van het daarbij gevorderde bedrag, vermeerderd met rente en kosten. [eiser 1] hebben tegen het door deze rechtbank op 3 april 2013 gewezen eindvonnis, waarbij de rechtbank de door [H] geleden schade heeft begroot op € 30.000,00, hoger beroep ingesteld en om behandeling als spoed-appèl verzocht. Voorts heeft [eiser 1] een incidentele vordering ex artikel 351 Rv. ingesteld. Het hof heeft vervolgens een comparitie van partijen bepaald. Tijdens deze comparitie hebben [eiser 1] en [H] door het treffen van een schikking hun geschil beëindigd. Uit het proces-verbaal van de comparitie blijkt dat is overeengekomen dat [eiser 1] uiterlijk op 30 september 2013 aan [H] een bedrag van € 25.000,00 zal betalen.


2.5.

[gedaagde] was ten tijde dat [eiser 1] de opdracht verstrekte, in loondienst bij de maatschap [X].


3De vordering van [eiser 1]

3.1.

vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] de in de dagvaarding geduide beroepsfouten jegens [eiser 1] heeft gepleegd, en aldus toerekenbaar jegens [eiser 1] is tekort geschoten althans jegens [eiser 1] onrechtmatig heeft gehandeld, met veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van de schade, reeds door [eiser 1] geleden of nog te lijden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente gerekend vanaf de dag van de beroepsfout tot aan die der algehele voldoening; met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure. [eiser 1] heeft samengevat de volgende stellingen aan zijn vordering ten grondslag gelegd.


3.2.

Er is sprake van een drietal beroepsfouten.

1. [gedaagde] heeft zonder (voor-)overleg met [eiser 1] na en naar aanleiding van de Memorie van Antwoord geen akte of pleidooi gevraagd, maar ook geheel buiten

[eiser 1] aanstonds meewerkt aan het vragen van arrest.

2.) Zou wel akte of pleidooi zijn gevraagd, dan had [eiser 1] onder meer in het geding kunnen brengen een tweetal uitspraken van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State uit welke uitspraken viel af te leiden dat namens [H] was geprocedeerd en dat de Raad van State uitsprak dat sedert 1983 ter plaatse het overgangsrecht van kracht werd en sedertdien de bestemming “burgerwoning” met betrekking tot het pand van [H] gold, aldus in overeenstemming met het reeds feitelijk gebruik, zodat deze [H] aldus geen schade kan hebben geleden toen hij de woning in 2006 wilde verkopen, omdat [H] toen enkel nog als zodanig een burger-woning kon verkopen.

2.) [gedaagde] was ook met die Raad van State-uitspraken bekend, en had aldus

[eiser 1] (tijdig genoeg) een procedure tot herroeping ex artikel 382 Rv. kunnen c.q. moeten adviseren nadat het hof zijn arrest d.d. 7 februari 2012 had gewezen, in welk arrest nu juist niet die Raad van State uitspraken waren betrokken door toedoen of nalaten van [gedaagde].


3.3.

[eiser 1] betwist dat hij de verkeerde persoon heeft gedagvaard. [gedaagde] is de opdrachtnemer. Het gaat hier om de beroepsaansprakelijkheid van de individuele advocaat en diens dekking krachtens de betrokken assurantiepolis.

Voorts heeft hij ter comparitie een beroep gedaan op een arrest van de Hoge Raad uit 2013 (LJN: BY7840). Subsidiair heeft [eiser 1] een beroep gedaan op artikel 118 Rv.

[gedaagde] komt geen beroep op exoneratie toe, nu er sprake is van een onrechtmatige daad.



4Het verweer van [gedaagde]

4.1.

[gedaagde] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser 1] in zijn vordering, althans tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van

[eiser 1] in de kosten van deze procedure. [gedaagde] heeft samengevat de volgende stellingen aan zijn verweer ten grondslag gelegd.


4.2.

[gedaagde] heeft primair gesteld, dat [eiser 1] de verkeerde partij heeft gedagvaard. Uit artikel 3 van de toepasselijke algemene voorwaarden blijkt dat alle opdrachten uitsluitend met terzijdestelling van de artikelen 7:404 en 7:407 lid 2 BW worden aanvaard door de maatschap [X]. Uitsluitend tussen [X] en [eiser 1] is een overeenkomst van opdracht ontstaan, waarbij de aansprakelijkheid ex artikel 7:404 en 7:407 lid 2 BW ter zake de feitelijke opdrachtnemer (de behandelend advocaat in loondienst) is uitgesloten. [gedaagde] verwijst naar een arrest van het hof Den Bosch van 25 maart 2014 (NJF 2014/216).

Op grond van artikel 11 van de algemene voorwaarden hebben deze voorwaarden derdenwerking ten gunste van de behandelend advocaat in loondienst.


4.3.

Subsidiair heeft [gedaagde] gemotiveerd verweer gevoerd en ontkend dat hij beroepsfouten heeft gemaakt.



5De verdere beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

5.1.

De rechtbank neemt hier over hetgeen zij heeft overwogen en beslist in haar tussenvonnis van 10 september 2014.


5.2.

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat [eiser 1] de verkeerde partij gedagvaard heeft. Niet [gedaagde], maar de maatschap [X] had [eiser 1] moeten dagvaarden. [gedaagde] verwijst in dit kader naar artikel 3 van de algemene voorwaarden van de maatschap [X], waarbij volgens hem de aansprakelijkheid ex artikel 7:404 en 7:407 lid 2 BW ter zake de feitelijke opdrachtnemer (de behandelend advocaat in loondienst) is uitgesloten.

Artikel 7:404 BW bepaalt:

Indien de opdracht is verleend met het oog op een persoon die met de opdrachtnemer of in zijn dienst een beroep of een bedrijf uitoefent, is die persoon gehouden de werkzaamheden, nodig voor de uitvoering van de opdracht, zelf te verrichten, behoudens voor zover uit de opdracht voortvloeit dat hij deze onder zijn verantwoordelijkheid door anderen mag laten uitvoeren; alles onverminderd de aansprakelijkheid van de opdrachtnemer.

Artikel 7:407 lid 2 BW bepaalt:

Indien twee of meer personen tezamen een opdracht hebben ontvangen, is ieder van hen voor het geheel aansprakelijk ter zake van een tekortkoming in de nakoming, tenzij de tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend.

Ter comparitie heeft [gedaagde] aangevoerd dat een beroep op artikel 118 Rv. te laat is.


5.3.

[eiser 1] heeft aangevoerd dat [gedaagde] de opdrachtnemer is. Bovendien kan [gedaagde] zich niet exonereren voor een onrechtmatige daad.


5.4.

Tussen partijen staat vast dat de algemene voorwaarden van de maatschap [X] op de overeenkomst van toepassing zijn. De rechtbank is van oordeel dat op grond van artikel 3 van deze voorwaarden de opdracht van [eiser 1] is aanvaard door de maatschap [X]. De aansprakelijkheid van [gedaagde] is op grond van genoemde voorwaarden uitgesloten. [gedaagde] was op het moment van verstrekken van de opdracht in loondienst bij de maatschap [X]. Op grond van artikel 11 van genoemde algemene voorwaarden komt aan deze voorwaarden derhalve derdenwerking ten gunste van [gedaagde] toe. [gedaagde] kan derhalve een beroep doen op deze voorwaarden, zoals hij heeft gedaan.


5.5.

Aangezien [gedaagde] niet in de maatschap zat, is de uitspraak van de Hoge Raad waarnaar [eiser 1] verwijst (LJN BY BY7840), niet relevant. [eiser 1] heeft een beroep gedaan op artikel 118 Rv., maar is niet tot dagvaarden overgegaan. De rechtbank kan derhalve geen consequenties verbinden aan deze stelling van [eiser 1] Nog daargelaten dat [eiser 1] hier veel te laat mee is.


5.6.

Nu er sprake is van een contractuele relatie is er slechts sprake van een onrechtmatige daad, in het geval de gedraging onafhankelijk van de schending van de verbintenis een onrechtmatige daad oplevert. Dit is niet gesteld, noch gebleken.


5.7.

Op grond van het bovenstaande zal de rechtbank de vordering van [eiser 1] afwijzen.


5.8.

De rechtbank zal [eiser 1] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van deze procedure. De rechtbank begroot deze kosten als volgt:


verschotten:

 griffierecht: € 842,00

salaris advocaat:

  • - conclusie van antwoord: 1 punt
  • - conclusie van dupliek: 1 punt
  • - comparitie van partijen: 1 punt +

totaal: 3 punten x € 452,00 = € 1.356,00



6De beslissing

De rechtbank:


6.1.

Wijst de vordering af.


6.2.

Veroordeelt [eiser 1] in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 842,00 verschotten en € 1.356,00 aan salaris van de advocaat.


6.3.

Veroordeelt [eiser 1] in de nakosten van deze procedure ten bedrage van respectievelijk € 131,-- zonder betekening en € 199,-- in geval van betekening, indien en voor zover [eiser 1] niet binnen een termijn van veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan.


6.4.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.




Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Margadant en op 7 januari 2015 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.