Rechtbank Overijssel, 08-09-2015 / 15/563


ECLI:NL:RBOVE:2015:4208

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om wijziging van enkele persoonsgegevens in de BRP. De door eiseres overgelegde documenten kunnen niet afdoen aan de eerdere afwijzing van haar verzoek om haar voornamen en geboortedatum in de basisregistratie te wijzigen. Geen aanleiding voor het oordeel dat op de uitspraak van de rechtbank van 27 januari 2011 dient te worden teruggekomen.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-09-08
Publicatiedatum
2015-09-18
Zaaknummer
15/563
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 15/563


uitspraak van de enkelvoudige kamer in het geschil tussen

[naam 1], zich noemende [naam 2] ,

wonende te Hardenberg, eiseres,

gemachtigde: mr. K.M. ten Voorde,


en


het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg,

verweerder.



Procesverloop


Bij besluit van 16 september 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om wijziging van enkele van haar persoonsgegevens in de basisregistratie personen (hierna: BRP) afgewezen.


Bij besluit van 10 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door eiseres ingediende bezwaar ongegrond verklaard.


Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens heeft eiseres zich laten vergezellen door L. Su, tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J. Gerrits en L. Kleene.



Overwegingen


1. Bij de beoordeling van dit geschil gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.


Eiseres heeft de Chinese nationaliteit. Op 24 april 2001 heeft zij een asielaanvraag ingediend. Op 10 maart 2008 heeft zij een aanvraag voor gezinsvorming gedaan.


Op 18 februari 2002 heeft eiseres een verklaring onder ede afgelegd ten overstaan van de ambtenaar van de afdeling Burgerzaken van de gemeente Amsterdam. Zij heeft toen verklaard dat haar naam [naam 1] is en dat zij is geboren op [datum 1] in [plaats] , China. Eiseres is destijds met deze persoonsgegevens geregistreerd in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (hierna: GBA), voorloper van de BRP.


Op 26 november 2009 heeft eiseres verweerder gevraagd om haar persoonsgegevens te wijzigen en in de GBA te vermelden dat zij [naam 2] heet en op [datum 2] is geboren in [plaats] , China. Bij besluit van 17 december 2009 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt, dat verweerder bij besluit van 29 april 2010 ongegrond heeft verklaard.


Bij uitspraak van 27 januari 2011 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad het hiertegen door eiseres ingediende beroep ongegrond verklaard. In deze uitspraak oordeelde de rechtbank dat niet onomstotelijk vast was komen staan dat de in de GBA met betrekking tot eiseres geregistreerde gegevens onjuist waren en dat verweerder het verzoek van eiseres daarom terecht had afgewezen. Aan dit oordeel heeft de rechtbank onder meer ten grondslag gelegd dat in de notariële certificaten die eiseres in die procedure had overgelegd niet werd verwezen naar een brondocument en dat bij die certificaten evenmin een ‘certified copy’ van de gebruikte brondocumenten was aangehecht.


Per brief van 6 mei 2014 heeft eiseres verweerder verzocht om haar voornamen en geboortedatum in de BRP te wijzigen. Bij dit verzoek heeft eiseres de volgende documenten overgelegd:

- een gelegaliseerd notarieel certificaat van 18 november 2013, waarin is opgenomen de geslachtsnaam ( [naam 3] ), de voornaam ( [naam 2] ), de geboortedatum ( [datum 2] ), de geboorteplaats en de namen van vader en moeder;

- een huishoudelijk register van 17 april 2006 betreffende [naam 2] , met daarbij gevoegd een gelegaliseerd notarieel certificaat van 18 november 2013, waarin wordt verklaard dat het huishoudelijk register overeenkomt met het oorspronkelijke huishoudelijk register van [naam 2] ;

- een certificaat van ongehuwdheid betreffende [naam 2] van 7 november 2013, met daarbij gevoegd een gelegaliseerd notarieel certificaat van 3 december 2013, waarin wordt verklaard dat het certificaat overeenkomt met het oorspronkelijke certificaat van ongehuwdheid van [naam 2] .


In de bezwaarfase heeft eiseres nog overgelegd:

- een notarieel certificaat van 9 oktober 2014, waarin wordt verklaard dat [naam 4] de vader is van [naam 2] .


2. In het primaire besluit heeft verweerder gewezen op de door het ministerie van Buitenlandse Zaken opgestelde regels die bepalen welke combinaties van Chinese documenten als voldoende bewijs gelden voor Nederlandse instanties dat een bepaalde gebeurtenis in China heeft plaatsgevonden en door de Chinese autoriteiten is geregistreerd. Op basis van deze regels dient eiseres volgens verweerder in aanvulling op de door haar overgelegde documenten nog één van de volgende documenten over te leggen:

- een gelegaliseerde ‘certified true copy’ van de Hukou van de ouders waarin de geboorte van eiseres is aangetekend;

- een gelegaliseerde ‘certified true copy’ van een verklaring van het ziekenhuis waarin expliciet staat vermeld dat deze verklaring kan worden gebruikt voor de inschrijving van de geboorte in het Hukou-register;

- een gelegaliseerde ‘certified true copy’ van een verklaring van het ‘Public Security Bureau’ waar de gevraagde gegevens uit blijken.


Omdat eiseres niet één van deze drie documenten heeft overgelegd, is verweerder van mening dat zij niet heeft aangetoond dat de gegevens die destijds in de GBA zijn geregistreerd onjuist zijn. In het bestreden besluit concludeert verweerder dat de door eiseres overgelegde documenten weliswaar gegevens vermelden met betrekking tot een zekere [naam 2] , geboren op [datum 2] in [plaats] , China, maar dat uit die documenten niet onomstotelijk blijkt dat eiseres die persoon ook werkelijk is, in tegenstelling tot hetgeen zij destijds onder ede heeft verklaard.


3. Eiseres stelt zich in beroep op het standpunt dat zij met de vier akten alle documenten en gegevens heeft overgelegd die vereist zijn voor het doorvoeren van de door haar gewenste wijzigingen in de BRP, mede nu verweerder de juistheid/echtheid van die documenten niet heeft betwist. Daarnaast is eiseres van mening dat haar belang bij het doorvoeren van de door haar gevraagde wijzigingen groter is dan het belang dat verweerder heeft bij het afwijzen van haar verzoek. Ook is het volgens eiseres in het belang van de Nederlandse rechtsorde om de juiste gegevens in de BRP op te nemen. Zij wijst voorts op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Zwolle, van 12 januari 2011. In die uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat door de IND is aanvaard dat eiseres een en dezelfde persoon is die in haar paspoort staat geregistreerd als [naam 2] , geboren op [datum 2] en in de GBA als [naam 1] , geboren op [datum 1] .


4. Ingevolge artikel 2.8, tweede lid, van de Wet basisregistratie personen (Wet brp) worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:


een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

en verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.


5. Op 6 januari 2014 is de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet gba) vervangen door de Wet brp. De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) voorop dient te worden gesteld dat de gegevens in de basisadministratie betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Het bewijs dat eenmaal in de basisadministratie opgenomen gegevens feitelijk onjuist zijn, kan alleen maar worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten. Voor het wijzigen van eenmaal in de basisadministratie geregistreerde gegevens zal gelet op het systeem van de Wet brp onomstotelijk moeten vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2326.


6. De rechtbank overweegt voorts dat uit de jurisprudentie van de Afdeling voortvloeit dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen (zie onder andere de uitspraak van 20 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2369).


7. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een – hernieuwde – toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.


8. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van 27 januari 2011 en dat daarmee de afwijzing van het verzoek van 26 november 2009 in rechte vast is komen te staan.


9. In de uitspraak van 27 januari 2011 oordeelde de rechtbank dat verweerder bij de behandeling van het verzoek van eiseres om wijziging van haar persoonsgegevens in de GBA de informatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken als leidraad heeft mogen hanteren. Dat is in dit geval niet anders.


10. De rechtbank is van oordeel dat eiseres de documenten die zij in deze procedure heeft overgelegd, eerder had kunnen verkrijgen. Zij had deze documenten ook in de vorige procedure kunnen en daarom moeten indienen. Daarnaast zijn, zoals verweerder ook heeft geconcludeerd, in de door eiseres overgelegde notariële certificaten niet de vereiste brondocumenten vermeld of een ‘certified copy’ van de gebruikte brondocumenten aangehecht. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet één van de drie documenten heeft verstrekt die ingevolge de regels van het ministerie van Buitenlandse zaken zijn vereist voor het doorvoeren van de door eiseres gewenste wijzigingen. Naar het oordeel van de rechtbank is het daarom uitgesloten dat de documenten die eiseres in deze procedure heeft overgelegd kunnen afdoen aan de eerdere afwijzing van haar verzoek om haar voornamen en geboortedatum in de basisregistratie te wijzigen. Op basis hiervan ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat op de uitspraak van de rechtbank van 27 januari 2011 dient te worden teruggekomen.


11. De door eiseres aangehaalde uitspraak van de rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Zwolle, van 12 januari 2011, maakt het voorgaande niet anders. Zoals de rechtbank in de uitspraak van 27 januari 2011 reeds oordeelde, wordt door de IND, tegen een andere achtergrond, een ander toetsingskader gehanteerd, dat los staat van de verantwoordelijkheden en het toetsingskader van verweerder.


12. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is.


13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2015



De rechter is verhinderd deze uitspraak te tekenen



griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op 8 september 2015


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.