Rechtbank Overijssel, 09-09-2015 / C/08/175270 KG RK 15-540


ECLI:NL:RBOVE:2015:4258

Inhoudsindicatie
Wraking.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-09-09
Publicatiedatum
2015-09-14
Zaaknummer
C/08/175270 KG RK 15-540
Procedure
Wraking
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer


Zittingsplaats Zwolle


zaaknummer / rekestnummer: C/08/175270 KG RK 15-540


Beslissing van 9 september 2015


in de zaak van


[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker tot wraking (hierna te noemen: verzoeker),

advocaat mr. I. Mercanoğlu te Enschede,



1De procedure

1.1.

Op 6 augustus 2015 heeft verzoeker het verzoek tot wraking gedaan van mr. H.Th. Pos, rechter in deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaken die zijn geregistreerd onder C/08/174026 / JE RK 15-1157 en C/08/174363 / JE RK 15-1211.


1.2.

Bij schrijven ('ambtsbericht') van 14 augustus 2015 heeft mr. Pos gereageerd op het wrakingsverzoek. Mr. Pos heeft niet in de wraking berust.


1.3.

Het wrakingsverzoek is op 2 september 2015 in het openbaar behandeld. Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen, bijgestaan door zijn advocaat mr. Mercanoğlu, voormeld. Mr. Pos is met kennisgeving niet verschenen.


2De feiten

2.1.

Verzoeker is de vader van [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [2015] (hierna: [minderjarige] ).


2.2.

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 19 maart 2015, hersteld op 26 maart 2015, heeft de kinderrechter van deze rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van William Schrikker Jeugdbescherming, gevestigd te Amsterdam (een gecertificeerde instelling; hierna: GI), met ingang van 19 maart 2015 tot 19 september 2015 en machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin, met ingang van de dag van geboorte tot 19 september 2015.


2.3.

De hoofdzaken hebben betrekking op een schriftelijke aanwijzing als bedoeld in artikel 1:263 BW van GI d.d. 29 juni 2015 aan de moeder van [minderjarige] , [X] , en het verzoek van GI om verlenging ondertoezichtstelling (artikel 1:260 BW) en verlenging machtiging uithuisplaatsing (artikel 1:265c BW) van [minderjarige] . In beide zaken is verzoeker door de kinderrechter als belanghebbende aangemerkt.

2.4.

Op 6 augustus 2015 heeft een mondelinge behandeling van de (gevoegde) hoofdzaken plaatsgevonden. In het proces-verbaal van deze zitting is, voor zover hier van belang, het volgende neergelegd:


De kinderrechter: heeft [verzoeker] zelf ook nog een rol in de slechte verstandhouding met de GI?


[verzoeker] : William Schrikker Jeugdbescherming heeft het aan zichzelf te danken dat alles zo verlopen is.


De Kinderrechter: ik stel vast dat u hier met opgerolde mouwen verschijnt met een tattoo op uw onderarm (de griffier neemt waar de tattoo ACAB op de onderarm van [verzoeker] ) die niet veel goeds inhoudt.


[verzoeker] : dus u onderbreekt mij? Ik wil een wrakingsverzoek doen.


mr. Mercanoglu: ik verzoek schorsing om mij met cliënt te bezinnen op een wrakingsverzoek. U spreekt mijn cliënt aan over zijn tatoeages, mijn cliënt wenst dit niet en u insinueert zaken.


De kinderrechter schorst de behandeling ter zitting voor korte tijd.


Nadat de belanghebbenden weer binnen zijn geroepen geeft mr. Mercanoglu aan het wrakingsverzoek te handhaven. mr. Mercanoglu: ik denk dat u de onafhankelijkheid als rechter hebt aangetast. Een tattoo is persoonlijk dat mag u niet betrekken in deze zaak. U kunt niet meer onafhankelijk een uitspraak doen over het kind van deze mensen. In beide zaken, zowel in het verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling van [minderjarige] als in het verzoek vervallen verklaring aanwijzing, wraak ik u. Ik wens de zaken te laten overdragen aan een andere rechter.


3Het wrakingsverzoek

3.1.

Aan zijn verzoek tot wraking legt verzoeker, samengevat, ten grondslag dat mr. Pos door zijn uitlatingen de rechterlijke onpartijdigheid in twijfel heeft getrokken. Daartoe voert verzoeker aan dat mr. Pos op een zodanige wijze een opmerking over zijn tatoeage op zijn onderarm heeft geplaatst dat hij gerechtvaardigde twijfel heeft of – in de letterlijke woorden van mr. Mercanoğlu – “mr. Pos voldoende afstand kan nemen van zijn persoonlijke opvattingen over de uiterlijkheden van de rechtzoekenden”. Verzoeker ziet geen enkel verband tussen de samenwerking en de tatoeages die hij draagt. In dit verband wijst verzoeker erop dat de gezinsvoogd geen enkele opmerking heeft gemaakt over zijn uiterlijkheden, namelijk dat hij zich agressief zou presenteren door de tatoeages op zijn arm, en voorts dat de opmerking van mr. Pos niet los kan worden gezien van de eerste zitting waarop het verzoek machtiging uithuisplaatsing is behandeld. Op die zitting, aldus verzoeker, ontstond bij hem de indruk dat de rechter al een beslissing had genomen ten aanzien van de uithuisplaatsing. Ook wijst verzoeker erop dat, als mr. Pos daadwerkelijk met hem wenste te communiceren, hij eerst had kunnen ingaan op de voorstellen die door zijn advocaat zijn gedaan. Volgens verzoeker heeft hij aangegeven dat hij de bereidheid heeft om samen te werken met de gezinsvoogd, waartoe zijn advocaat de gezinsvoogd heeft uitgenodigd op zijn kantoor om de samenwerkingsproblemen te bespreken. Om onduidelijke redenen is dit voorstel door de gezinsvoogd afgewezen, zodat het volgens verzoeker voor de hand had gelegen dat mr. Pos eerst de gezinsvoogd zou hebben geconfronteerd met de vraag waarom het voorstel is afgewezen en niet verzoeker met zijn presentatie. Voor verzoeker staat vast dat hij geen eerlijk proces krijgt wanneer mr. Pos zijn zaken blijft behandelen. Verzoeker stelt dat “niet ontkend kan worden dat deze rechter onvoldoende afstand heeft genomen van zijn persoonlijke opvattingen met betrekking tot de uiterlijkheden van de rechtzoekenden en dat deze uiterlijkheden invloed hebben op de samenwerking met de gezinsvoogd”. Dit betekent, aldus verzoeker, dat mr. Pos niet meer in staat kan worden geacht om ingrijpende beslissingen te nemen ten aanzien van de uithuisplaatsing, terugplaatsing en ondertoezichtstelling van [minderjarige] .


4Het standpunt van mr. Pos


4.1.

Volgens mr. Pos is een van zijn taken als kinderrechter op de zitting het vergaren van informatie die nodig is om beslissingen te nemen die in het belang van de minderjarige zijn en voorts dat het voor de minderjarige van belang is om een ontspannen contact met beide ouders te hebben. Op basis van beschikbare informatie, aldus mr. Pos, leek ontspannen contact tussen de minderjarige en de ouders ver te zoeken, en deze zou zonder fundamentele verandering van communicatiestijlen waarschijnlijk ver te zoeken blijven. Daarom vroeg mr. Pos aan verzoeker of hij zelf in de slechte verstandhouding tussen hem en GI nog een rol speelde. Volgens mr. Pos was zijn opmerking voor verzoeker de gelegenheid geweest om toe te lichten of en zo ja wat hij met het tonen van de tattoo beoogde en dat het zou kunnen dat verzoeker zich van zijn presentatie niet bewust was of juist wel. In beide gevallen had dat volgens mr. Pos een aanknopingspunt kunnen vormen voor een verder gesprek over wat dat betekenen kan voor communicatie met officiële instanties, en wellicht een eerste stap in de richting van betere verhoudingen met GI, en uiteindelijk tot meer ontspannen omgang met [minderjarige] .


5De beoordeling


5.1.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken partij dat dat het geval is, is daarbij niet beslissend. De vrees voor partijdigheid moet, op grond van feiten en omstandigheden, objectief gerechtvaardigd zijn.


5.2.

De wrakingskamer stelt voorop dat thans in het kader van deze wrakingsprocedure slechts ter beoordeling staat de vraag of feiten en omstandigheden aan de orde zijn waardoor de onpartijdigheid van mr. Pos in twijfel moet worden getrokken. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.


5.3.

Uit het gegeven dát mr. Pos een vraag heeft gesteld over een bepaalde bij verzoeker zichtbare tatoeage kan op zichzelf genomen geen vooringenomenheid worden afgeleid. De overige omstandigheden van het geval duiden daar ook niet op. Dat ter zake eerder kennelijk een rechterlijke beslissing is genomen waarmee verzoeker moeite heeft, maakt dat niet anders. Mr. Pos heeft uitgelegd de vraag over de tatoeage te hebben willen inzetten om een naar zijn inzicht relevant te achten thema met verzoeker te bespreken. Ook daaruit blijkt niet van vooringenomenheid. Dat het middel – achteraf bezien – wellicht wat ongelukkig gekozen blijkt, levert evenmin grond voor wraking op.

5.4.

Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat gebleken is van vooringenomenheid of het niet onpartijdig zijn van mr. Pos. Dit betekent dat het verzoek tot wraking moet worden afgewezen.


6De beslissing

- het verzoek tot wraking wordt afgewezen.



Deze beslissing is gegeven door mrs. T.R. Hidma, J.H. Keuzenkamp en G.A. Versteeg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. van der Stroom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2015.



de griffier de voorzitter








Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.