Rechtbank Overijssel, 16-09-2015 / Awb 15/1693


ECLI:NL:RBOVE:2015:4283

Inhoudsindicatie
Stichting Twents Bureau voor Toerisme contra dagelijks bestuur van Regio Twente; geen sprake van genomen besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht; voorzieningenrechter verklaart verzoek om voorlopige voorziening dan ook niet-ontvankelijk.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-09-16
Publicatiedatum
2015-09-16
Zaaknummer
Awb 15/1693
Procedure
Voorlopige voorziening
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 15/1693


uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen


Stichting Twents Bureau voor Toerisme (TBT), te Enschede, verzoekster,

gemachtigde: mr. M. Ichoh, advocaat te Enschede,


en


het dagelijks bestuur van Regio Twente, verweerder,

gemachtigde: mr. W van de Wetering, advocaat te Enschede.



Procesverloop


1. Bij brief van 19 december 2014 heeft verweerder verzoekster in gebreke gesteld zoals bedoeld in artikel 11 van de tussen verzoekster en verweerder gesloten prestatieovereenkomst met betrekking tot subsidiëring TBT 2013-2015. Verweerder heeft daarbij verzoekster in de gelegenheid gesteld om zo spoedig mogelijk en uiterlijk 20 maart 2015 een deugdelijke voortgangsrapportage in te dienen. Verder heeft verweerder aangegeven dat zij zich vanwege het ontbreken van genoemde voortgangsrapportage genoodzaakt ziet om vooralsnog niet tot subsidieverlening over 2015 over te gaan.

Namens verzoekster is tegen deze brief op 29 januari 2015 een bezwaarschrift ingediend.


2. Bij brief van 10 juni 2015 heeft verweerder aan verzoekster bevestigd dat het voornemen bestaat de subsidie aan het TBT te beëindigen per 31 december 2015 vanwege veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten. Verweerder heeft verzoekster in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 24 juni 2015 op dit voornemen een reactie kenbaar te maken.

Namens verzoekster is tegen deze brief op 24 juni 2015 een bezwaarschrift ingediend.


3. Bij brief van 29 juni 2015 heeft verweerder aan verzoekster meegedeeld dat de verantwoording over 2014 (vooralsnog) te onvolledig, ondeugdelijk en te weinig transparant is om de subsidie 2014 vast te kunnen stellen. Verweerder heeft daarom gesteld dat verzoekster nog aanvullende gegevens zal moeten verstrekken.

Namens verzoekster is tegen deze brief op 5 augustus 2015 een bezwaarschrift ingediend.


4. Op 5 augustus 2015 heeft verzoekster aan de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen en verweerder te gelasten binnen zeven dagen nadat uitspraak is gedaan een bedrag van € 300.000,-- aan verzoekster over te maken.


5. Op 24 augustus 2015 en 8 september 2015 heeft verweerder een (aanvullend) verweerschrift ingediend.

6. Bij een viertal besluiten van 7 september 2015 heeft verweerder:


-de subsidie voor het jaar 2014 vastgesteld op een bedrag van € 385.000,-- en een reeds betaald voorschot over dit jaar van € 110.000,-- van verzoekster teruggevorderd;

-voor het jaar 2015 besloten geen subsidie aan verzoekster toe te kennen behoudens een bijdrage van 31.000,--;

-de reeds aan verzoekster verleende subsidie van € 57.500,-- voor het project “Twents Gastheerschap” lager vast te stellen tot een bedrag van € 27.929,58 en in verband hiermee een bedrag van € 18.072,42 van verzoekster terug te vorderen;

-de reeds aan verzoekster verleende subsidie voor het project “Signing Twente Tourist Info” van € 26.800,-- lager vast te stellen tot de werkelijke kosten, inhoudende een bedrag van

€ 21.002,66 en in verband hiermee een bedrag van € 437,34 van verzoekster terug te vorderen.


De totale terugvordering bedraagt aldus € 130.841,10.


De gemachtigde van verzoekster heeft op 8 september 2015 tegen al deze besluiten bezwaar gemaakt en in dit kader de voorzieningenrechter tevens verzocht deze besluiten te schorsen tot tenminste zes weken nadat verweerder op deze bezwaren heeft beslist.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2015. Namens verzoekster is haar gemachtigde en mw. A. Waanders verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, mw.mr. P.J.M. Boerkamp en mw. S. van der Steen.


Overwegingen


7. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegezegd dat aan de op 7 september 2015 genomen besluiten geen uitvoering zal worden gegeven tot tenminste zes weken nadat op de ingediende bezwaren zal zijn beslist. In verband hiermee is de grond voor het door de gemachtigde van verzoekster ingediende verzoek (ook) ten aanzien van deze besluiten een voorlopige voorziening te treffen, komen te vervallen, hetgeen de gemachtigde van verzoekster ter zitting heeft bevestigd.


8. Verzoekster is een stichting die in 2005 in het leven is geroepen met het doel om toerisme in Overijssel te promoten. Zij doet dit onder meer door de samenwerking tussen Twentse ondernemers in de toeristische sector te bevorderen door bijvoorbeeld het initiëren van samenwerkingsverbanden en het coördineren van toeristische projecten. Reeds vanaf 2008 bestaat er tussen verzoekster en verweerder een subsidierelatie.


9. In het verzoekschrift is namens verzoeker gesteld dat zij in een financiële noodsituatie verkeert nu er sprake is van een negatief saldo van € 300.000,-- bestaande uit schulden die op korte termijn aan derden voldaan moeten worden, terwijl verzoekster daarvoor op dit moment geen financiële middelen heeft. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding gevonden hieraan te twijfelen, zodat verzoekster een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening niet kan worden ontzegd. Daarbij komt dat de aard van de onderhavige procedure zich niet leent voor een uitgebreid onderzoek naar de vraag hoe genoemd negatief saldo is ontstaan.


10. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.


Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.


Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.


Een rechtshandeling is een handeling die is gericht op rechtsgevolg. Een beslissing heeft een rechtsgevolg indien zij erop is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen.


Artikel 4:51 van de Awb bepaalt dat indien aan een subsidieontvanger voor drie of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten, gehele of gedeeltelijke weigering van de subsidie voor een daarop aansluitend tijdvak op de grond, dat veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, slechts met inachtneming van een redelijke termijn geschiedt.


De voorzieningenrechter dient de vraag te beantwoorden of de brieven van 19 december 2014, 10 juni 2015 en 29 juni 2015 als besluiten in de zin van de Awb kunnen worden aangemerkt waartegen de mogelijkheid van bezwaar open stond en de mogelijkheid een voorlopige voorziening aan te vragen (connexiteit).


-de brief van 19 december 2014;


De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder bij deze brief verzoekster met klem heeft verzocht op korte termijn een voortgangsrapportage in te dienen, alsmede een geactualiseerd campagneplan en begroting voor 2015.


Indien verzoekster hier niet aan voldoet heeft verweerder aangegeven zich vrij te voelen en het voornemen uitgesproken de subsidierelatie dan met onmiddellijke ingang te beëindigen, waarbij de kosten voor rekening van verzoekster komen.


De gemachtigde van verzoekster heeft aangegeven dat de inhoud van deze brief als een besluit in de zin van de Awb moet worden aangemerkt nu onder verwijzing naar een uitspraak van 24 april 2002, zaaknummer 200106333/1 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waaruit volgens de gemachtigde blijkt dat een aankondiging als bedoeld in artikel 4:51 van de Awb een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.


De voorzieningenrechter is van oordeel dat het door de gemachtigde van verzoekster gedane beroep op deze uitspraak niet slaagt nu in die procedure zonder voorwaarde is aangekondigd dat de opzet en uitvoering van het in casu geldende subsidiebeleid zal worden gewijzigd, terwijl in de onderhavige procedure de beëindiging van de subsidierelatie is gekoppeld aan het eventueel niet voldoen aan het verstrekken van de gevraagde voortgangsrapportage.

Verweerder heeft ook aangegeven dat de inhoud van deze brief door de tijd en de vervolgcontacten is achterhaald, zodat verzoekster ook geen belang meer heeft bij de behandeling van het ingediende bezwaarschrift. De voorzieningenrechter kan verweerder hierin volgen nu uit de stukken is gebleken dat verzoekster in maart 2015 en naderhand de gevraagde voortgangsrapportage en op 28 mei 2015 de eindrapportage en jaarrekening 2014 heeft ingediend en derhalve op19 december 2014 bij verweerder nog niet het concrete voornemen zal hebben bestaan de subsidierelatie te beëindigen. Ter zitting is ook gebleken dat er veel bestuurlijke en ambtelijke overleggen hebben plaatsgevonden vanaf december 2014, hetgeen eveneens niet wijst op eerdere definitieve besluitvorming door verweerder over de subsidiejaren 2014 en 2015 dan de besluiten die eerst op 7 september 2015 door verweerder zijn genomen.


Hieruit volgt dat de brief van 19 december 2014 niet als een besluit in de zin van de Awb wordt aangemerkt en het hiertegen gemaakte bezwaar naar verwachting niet-ontvankelijk zal worden verklaard.


-de brief van 10 juni 2015;


Bij deze brief heeft verweerder verzoekster in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 24 juni 2015 een reactie te geven op het voornemen van verweerder de subsidierelatie te beëindigen per 31 december 2015 vanwege veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten.


Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat de inhoud van deze brief geen betrekking heeft op de vaststelling van de subsidie over 2014 en de verlening over 2015, doch om de beëindiging van de subsidierelatie per 31 december 2015, terwijl het verzoek om voorlopige voorziening wel op genoemde jaren 2014 en 2015 ziet. Los van de vraag of het hier een besluit in de zin van de Awb betreft volgt de voorzieningenrechter verweerder hierin, zodat reeds hierom het verzoek om voorlopige voorziening niet tot het beoogde doel kan leiden.


-de brief van 29 juni 2015;


Bij deze brief heeft verweerder aan verzoekster verzocht aanvullende gegevens te verstrekken voor het kunnen vaststellen van de subsidie over het subsidiejaar 2014. Vanwege het ontbreken van rechtsgevolg is de voorzieningenrechter tot het oordeel gekomen dat ook deze brief niet aangemerkt kan worden als een besluit in de zin van de Awb, zodat daartegen geen bezwaar mogelijk was en verzoekster niet in haar verzoek om voorlopige voorziening kan worden ontvangen. Dat in de brief als onderwerp is vermeld: “Subsidievaststelling 2014, subsidieverlening 1015 en voorschotverlening 2015” moge zo zijn, doch verzoekster heeft uit het verzoek van verweerder dat nog aanvullende gegevens verstrekt dienden te worden af kunnen leiden dat verweerder ten aanzien van deze subsidiejaren nog niet definitief had beslist.


11. Samenvattend is de voorzieningenrechter tot het oordeel gekomen dat naar verwachting de door verzoekster ingediende bezwaren tegen de brieven van respectievelijk 19 december 2014 en 29 juni 2015 vanwege het ontbreken van het besluitkarakter in de zin van artikel 1:3 van de Awb, niet-ontvankelijk verklaard zullen worden.

Nu tegen genoemde brieven de mogelijkheid van bezwaar niet open staat kan verzoekster niet in haar verzoek om voorlopige voorziening worden ontvangen, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van de gevraagde voorziening.


12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing


De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.



Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. van Lochem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op





griffier voorzieningenrechter







Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.