Rechtbank Overijssel, 17-09-2015 / 08/955239-14


ECLI:NL:RBOVE:2015:4300

Inhoudsindicatie
De rechtbank Overijssel veroordeelt een 25-jarige man uit Enschede tot een gevangenisstraf van 2 jaar en 6 maanden voor het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeluk. De man reed onder invloed van alcohol en met veel te hoge snelheid een 25-jarige vrouw aan toen zij te voet de weg overstak. Naast de straf moet hij de vriend van het slachtoffer, die het ongeluk voor zijn ogen zag gebeuren, een schadevergoeding van ruim 35.000 euro betalen en mag hij 4 jaar lang geen auto besturen.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-09-17
Publicatiedatum
2015-09-17
Zaaknummer
08/955239-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Almelo


Parketnummer: 08/955239-14

Datum vonnis: 17 september 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1990 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] , [adres] .


1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 8 juli 2015 en 3 september 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. E. Agelink en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. R.F. Speijdel, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking onder feit 1 komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte als bestuurder van een personenauto onder invloed van alcohol, een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer] om het leven is gekomen (primair), dan wel dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan rijden onder invloed van alcoholhoudende drank en hierbij gevaar op de weg heeft veroorzaakt en het verkeer heeft gehinderd.

De verdenking onder feit 2 komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan rijden onder invloed van alcohol.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


1.


hij op of omstreeks 13 april 2014 te Enschede,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto, Opel Corsa, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg,

de Zuid Esmarkerrondweg, ter hoogte van een aldaar in die weg gelegen

(voetgangers) oversteekplaats,

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend

en/of onachtzaam heeft gereden,

hierin bestaande dat verdachte,


terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol, althans na het gebruik van

een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank, en/of


terwijl het zicht ter plaatse en/of het uitzicht van verdachte niet werd

belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd, en/of


aldaar op die weg met een (veel) hogere snelheid heeft gereden dan de ter

plaatse toegestane snelheid van 50 km/h, en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen

weggedeelte van die weg en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven

letten, en/of


(vervolgens) ter hoogte van die oversteekplaats zijn snelheid niet, althans in

onvoldoende mate heeft verminderd en/of aangepast (aan de situatie en/of

plaatselijke omstandigheden), en/of


(daarbij) in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij,

verdachte, in staat was zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen

de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of


(vervolgens) aldaar is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een

voetganger die doende was (op voormelde oversteekplaats) de weg over te steken,


en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] )

werd gedood,


terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8

tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994

en/of

zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij,

verdachte, een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige

mate heeft overschreden;


ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat


hij op of omstreeks 13 april 2014 te Enschede als bestuurder van een voertuig

(personenauto), daarmee rijdende op de weg, Zuid Esmarkerrondweg,


terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol, althans na het gebruik van

een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank, en/of


terwijl het zicht ter plaatse en/of het uitzicht van verdachte niet werd

belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd, en/of


aldaar op die weg met een (veel) hogere snelheid heeft gereden dan de ter

plaatse toegestane snelheid van 50 km/h, en/of


(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen

weggedeelte van die weg en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven

letten, en/of


(vervolgens) ter hoogte van die oversteekplaats zijn snelheid niet, althans in

onvoldoende mate heeft verminderd en/of aangepast (aan de situatie en/of

plaatselijke omstandigheden), en/of


(daarbij) in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij,

verdachte, in staat was zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen

de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of


(vervolgens) aldaar is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een

voetganger die doende was (op voormelde oversteekplaats) de weg over te steken,


door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;


2.


hij op of omstreeks 13 april 2014 te Enschede,

als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd,

na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van

verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid,

aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,78 milligram, in elk geval

hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het onder feit 1 primair tenlastegelegde misdrijf, in de variant van grove schuld, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vierentwintig maanden met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan verdachte dient verder een ontzegging van de rijbevoegdheid te worden opgelegd voor de duur van vier (4) jaar.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde. De officier van justitie heeft voorts geconcludeerd tot toewijzing van de civiele vordering van [benadeelde] , met oplegging daarbij van de schadevergoedingsmaatregel.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie voor wat betreft feit 1 ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5.1

De beoordeling van het bewijs ten aanzien van feit 1


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het ten laste gelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


5.1.1

De feiten die niet ter discussie staan


De rechtbank constateert dat de onderstaande feiten bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting niet ter discussie hebben gestaan.


Op 13 april 2014 omstreeks 01.22 uur reed verdachte in een personenauto, merk Opel (komend uit de richting van de Gronausestraat en gaande in de richting van de rotonde Zuid Esmarkerrondweg-Knalhutteweg-Broekheurne-Ring) op de Zuid Esmarkerrondweg in Enschede. Verdachte reed binnen de bebouwde kom, waar een maximum snelheid van

50 km/u geldt. Gekomen ter hoogte van het winkelcentrum Het Stroink kwam verdachte in botsing met een voetganger, die zich op de aldaar gelegen oversteekplaats voor fietsers en voetgangers begaf. Ten gevolge van deze botsing heeft de voetganger, mevrouw [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaraan zij ter plekke is overleden.


Vast staat dat verdachte op het moment van het ongeluk onder invloed was van alcohol. Uit de bloed-analyse, die ruim anderhalf uur na het ongeval is afgenomen, blijkt dat er sprake was van 1,78 milligram alcohol per milliliter bloed.


5.1.2

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging


De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, in de variant van grove schuld. Verdachte heeft bewust onaanvaardbare risico’s genomen door onder invloed van alcohol met een aanzienlijk hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan een voetgangersoversteekplaats te naderen. Hij was hierdoor niet meer in staat om zijn voertuig tijdig tot stilstand te brengen en is in botsing is gekomen met mevrouw [slachtoffer] , die ten gevolge van die botsing is overleden.


De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het tenlastegelegde integraal dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat uit het door de deskundige opgemaakte rapport naar voren komt dat zelfs bij een toegelaten snelheid van 50 km/u het ongeluk niet te vermijden was. Ook bij een snelheid van 80 km/u was het ongeluk niet te vermijden geweest. De genuttigde alcohol is in het rapport niet eens een factor van enig belang. Kortom, vanuit het perspectief van de bestuurder was, vanwege het gedrag van het slachtoffer, het ongeluk nimmer te vermijden geweest. Daarnaast is volgens de raadsman onduidelijk wat er gebeurd is, waardoor onduidelijk is aan wie een verwijt moet worden gemaakt.


5.1.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


Het juridisch kader


Voor een bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 is een tweeledig causaal verband vereist. Er dient in de eerste plaats sprake te zijn van een relatie tussen het verkeersongeval en het overlijden van het slachtoffer. In deze zaak staat het oorzakelijk verband tussen de aanrijding en de dood van het slachtoffer [slachtoffer] niet ter discussie: het slachtoffer is overleden aan de gevolgen van het bij de aanrijding opgelopen letsel.

In de tweede plaats dient sprake te zijn van een relatie tussen de aan de verdachte verweten gedragingen en het ontstaan van het ongeval. De kernvraag hierbij is of het verkeersongeval in redelijkheid is toe te rekenen aan de schuld van de verdachte, waarbij het aankomt op de beoordeling van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In het kader van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kent het juridische begrip ‘schuld’ een drietal gradaties: aanmerkelijke onoplettend/onvoorzichtig, zeer onoplettend/onvoorzichtig en roekeloos.


De beoordeling van de rechtbank


De rechtbank constateert op basis van de bewijsmiddelen dat verdachte op 13 april 2014, onder invloed van meer alcohol dan wettelijk toegestaan heeft gereden op de Zuid Esmarkerrondweg te Enschede. Vast staat dat verdachte ten tijde van de botsing te hard heeft gereden en dat hij geen noodstop heeft gemaakt om de botsing te voorkomen. Uit het rapport van de deskundige Ing. J. Wolbers van Schimmelpfennig & Becke d.d. 7 november 2014 komt naar voren dat zowel de botssnelheid als de gereden snelheid tussen de 65 km/h en 80 km/h heeft gelegen. De rechtbank heeft, mede gelet op de uitleg die de deskundige ter terechtzitting heeft gegeven, geen enkele reden te twijfelen aan deze uitkomst en aan de uitgangspunten die aan deze berekening ten grondslag hebben gelegen. De uitkomst is gebaseerd op drie verschillende berekeningsmethoden en de rechtbank verwerpt, mede gelet op de verklaring van de deskundige, de hypothese van de verdediging dat het slachtoffer mogelijk zou zijn meegesleept door de auto van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is te twijfelen aan de verklaring van de getuige [benadeelde] , waar hij zegt dat het slachtoffer door de auto door de lucht werd geworpen, nu deze verklaring door de getuige

[getuige 1] wordt ondersteund.

Bij de oversteekplaats ter hoogte van het winkelcentrum Het Stroink is een verkeersbord (J23) geplaatst dat waarschuwt voor overstekende voetgangers. De straatverlichting was in werking en het uitzicht ter plaatse werd niet belemmerd. Verdachte is met zijn auto in botsing gekomen met een voetganger, die zich op de aldaar gelegen oversteekplaats voor fietsers en voetgangers begaf. Ten gevolge van deze botsing heeft de voetganger, mevrouw [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaraan zij ter plekke is overleden.

Uit de verklaringen van de getuigen [benadeelde] , [getuige 1] en [getuige 2] , in samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat [benadeelde] en [slachtoffer] de oversteekplaats hebben willen oversteken, waarbij [benadeelde] als eerste de weg overstak en [slachtoffer] achter hem aanliep en zij vervolgens met de auto in botsing is gekomen. De rechtbank is van oordeel dat er moet worden uitgegaan van de signaalpositie van [benadeelde] . Dit is de positie waarop een reactie van de bestuurder (verdachte) wordt verwacht omdat er een gevaarlijke situatie ontstaat. De rechtbank is van oordeel dat verdachte had moeten reageren op het moment dat [benadeelde] zich op circa 1 meter op de rijbaan begaf. Hij betrad immers - kort voor [slachtoffer] dat deed - de rijbaan en vanaf dat moment had verdachte alert moeten zijn en moeten reageren. Aan de deskundige J. Wolbers is ondermeer verzocht om, uitgaande van deze signaalpositie van [benadeelde] , een vermijdbaarheidsanalyse te geven. De deskundige heeft geconcludeerd dat indien de verdachte de maximaal toegestane snelheid van 50 km/h had gereden, zowel bij het hanteren van de bovengrens van 80 km/h, als bij het hanteren van de ondergrens van

65 km/h, de botsing te voorkomen was geweest.

De rechtbank overweegt voorts dat de deskundige J. Wolbers nader onderzoek heeft verricht naar de volgende varianten a) waarbij [slachtoffer] aanvankelijk achter haar vriend [benadeelde] is aangelopen de Zuid Esmarkerrondweg op, maar waarbij zij vervolgens - nadat [benadeelde] de middengeleider al had bereikt - is teruggegaan naar het begin van de oversteek en b) waarbij [slachtoffer] aanvankelijk achter haar vriend [benadeelde] is aangelopen de Zuid Esmarkerrondweg op, maar waarbij zij zich halverwege de rijbaan heeft omgedraaid en is teruggelopen naar het begin van de oversteek.

De conclusie van de deskundige J Wolbers luidt dat ook in de beide hiervoor genoemde varianten, het ongeluk te vermijden was geweest indien verdachte zich aan de ter plaatste geldende maximumsnelheid van 50 km/h had gehouden.

De rechtbank acht de door de deskundige J. Wolbers uitgebrachte deskundigenrapporten degelijk en goed onderbouwd en de deskundige heeft daaraan op de terechtzitting heldere uitleg gegeven, zodat de rechtbank de conclusies uit deze rapportages overneemt.


De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de botsing te vermijden was indien verdachte zich aan ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km/h had gehouden. Het forse alcoholgebruik van verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank ook een rol van betekenis gespeeld, al was het alleen al voor wat betreft de impact (snelheid) waarmee het slachtoffer werd geraakt. Vastgesteld is dat verdachte op het moment van de botsing onder invloed was van alcohol. Het is een feit van algemene bekendheid dat alcoholgebruik, zeker in de mate die bij verdachte is vastgesteld, leidt tot versmalling van het blikveld en ernstige vermindering van het reactievermogen. Dit laatste blijkt eveneens uit de in het deskundigenrapport van 24 augustus 2015 opgenomen publicatie. Dat verdachte de botsing niet heeft kunnen voorkomen, is naar het oordeel van de rechtbank niet alleen te wijten aan de door hem gehanteerde te hoge snelheid, maar ook aan het feit dat hij onder invloed was van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol. Hij heeft in het geheel niet gereageerd op de overstekende voetgangers, heeft met onverminderd hoge snelheid, zonder te remmen, zijn weg vervolgd en het slachtoffer in volle vaart geraakt.


De rechtbank dient voorts te beoordelen of het ongeval aan de schuld van verdachte te wijten is, en indien dit het geval is, welke vorm van schuld aan verdachte verweten kan worden. De rechtbank overweegt dat voor roekeloosheid in zijn algemeenheid is vereist dat er sprake moet zijn van bewustheid van het risico op ernstige gevolgen, waarbij op zeer lichtzinnige wijze ervan wordt uitgegaan dat deze risico's zich niet zullen realiseren.

De rechtbank is van oordeel dat tegen de achtergrond van deze maatstaf, gelet op inhoud van het dossier en de huidige stand van de jurisprudentie, niet kan worden bewezen dat er sprake is geweest van roekeloos rijgedrag van verdachte. In dit verband is van belang dat de limieten van alcohol en snelheid weliswaar fors zijn overschreden, maar niet dermate excessief dat daarin al roekeloosheid gelegen is. De rechtbank is van oordeel dat gezien alle omstandigheden als hierboven genoemd, wel wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zeer onvoorzichtig, zeer onoplettend en zeer onachtzaam heeft gereden, waardoor er een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, ten gevolge waarvan mevrouw [slachtoffer] is overleden.


5.2

De beoordeling van het bewijs ten aanzien van feit 2


De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het openbaar ministerie ten aanzien van feit 2 niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat aan verdachte een onherroepelijke verplichting is opgelegd tot deelname aan het Alcoholslotprogramma.



5.3

De conclusie


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


1. primair


hij op of omstreeks 13 april 2014 te Enschede, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Opel, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de Zuid Esmarkerrondweg, ter hoogte van een aldaar in die weg gelegen (voetgangers) oversteekplaats, zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,


terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol, en


terwijl het zicht ter plaatse en het uitzicht van verdachte niet werd belemmerd, beperkt of werd gehinderd, en


aldaar op die weg met een veel hogere snelheid heeft gereden dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 km/h, en


daarbij in onvoldoende mate op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg en het overige verkeer heeft gelet en is blijven letten, en


vervolgens ter hoogte van die oversteekplaats zijn snelheid niet heeft verminderd of aangepast aan de situatie en plaatselijke omstandigheden, en


daarbij in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, en


vervolgens aldaar is gebotst tegen een voetganger die doende was op voormelde oversteekplaats de weg over te steken,


en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander genaamd [slachtoffer]

werd gedood,


terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en

zulks terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.


De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 6 en 175 Wegenverkeerswet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


feit 1 primair

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede, onderdeel b, van deze wet en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.


8De op te leggen straf of maatregel


8.1

De gronden voor een straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zeer onvoorzichtig en onoplettend verkeersgedrag. Verdachte reed met een aanzienlijk hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan. Bovendien is na het ongeval vastgesteld dat het alcoholgehalte in het bloed van verdachte hoger was dan wettelijk toegestaan.


Verdachte is door zijn zeer onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag in de nacht van

13 april 2014 met zijn auto in botsing gekomen met mevrouw [slachtoffer] , die bezig was om op een voetgangersoversteekplaats de weg over te steken. Zij is als gevolg van de botsing ernstig gewond geraakt en ter plekke overleden. Ook het hondje van het slachtoffer vond bij het ongeluk de dood. Als gevolg van het handelen van verdachte is groot leed en verlies toegebracht aan de vriend, de familie en overige naaste omgeving van het slachtoffer. Het spreekt voor zich dat de botsing voor de vriend van het slachtoffer, die het ongeluk voor zijn ogen heeft zien gebeuren, een traumatische ervaring is geweest. Hij kampt sinds het ongeluk met psychische problemen en heeft zijn toekomstplannen in duigen zien vallen. De rechtbank heeft in dit verband ook acht geslagen op de slachtofferverklaringen die ter zitting zijn voorgedragen door de moeder en de vriend van mevrouw [slachtoffer] . Hieruit komt naar voren dat de nabestaanden een enorm gemis en pijn ervaren, waardoor hun leven ingrijpend is veranderd.



Voor overtreding van artikel 6 van de WVW 1994 door een grove verkeersfout met de dood als gevolg, waarbij sprake is van alcoholgebruik boven de wettelijke grens, is een oriëntatiepunt voor de straftoemeting vastgesteld, waarmee de rechtbank rekening zal houden, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van de duur van vier jaren. De rechtbank zal dat oriëntatiepunt als vertrekpunt nemen voor de op te leggen straf en maatregel. De rechtbank zal, gelet op het bepaalde in artikel 175, derde lid, WVW, in strafverhogende zin rekening houden met de omstandigheden dat verdachte ook de maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank voorts mee dat hem in 2007 een transactie is opgelegd is in verband met rijden onder invloed. Kennelijk heeft deze waarschuwing verdachte er niet van weerhouden om wederom met alcohol op aan het verkeer deel te nemen. Daar komt nog bij dat uit het dossier naar voren komt dat verdachte zelfs de betreffende avond/nacht, voorafgaand aan het ongeval, nog was gewaarschuwd door een vriend die aangaf dat het niet verstandig was in zijn toestand naar huis te rijden.

De rechtbank heeft daarnaast in het oordeel betrokken dat er bij verdachte sprake was van een slechte verkeersmentaliteit, waarbij hij het niet zo nauw neemt met de verkeersregels en kennelijk genoegen schept in het overtreden van de maximum snelheid. Dit blijkt uit de uitgelezen telefoon van verdachte waarop filmpjes zijn aangetroffen, waarvan verdachte op de terechtzitting heeft toegegeven dat het zijn verrichtingen betreffen, en de door de officier van justitie toegevoegde Facebookberichten van verdachte, waarin hij opmerkingen maakt over onder meer een forse snelheidsovertreding en een verkeersboete voor het niet stoppen voor rood licht.


Slechts de oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf doet recht aan de ernst van het feit en de omstandigheden van het geval. Gelet op het voren overwogene acht de rechtbank een gevangenisstraf van een langere duur dan die door de officier van justitie is gevorderd op zijn plaats. De rechtbank acht een gevangenisstraf van twee jaar en zes maanden passend en geboden.


Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid acht de rechtbank oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid van vier jaren aangewezen.


9De schade van benadeelden


9.1

De vordering van de benadeelde partij


[benadeelde] , wonende te [woonplaats] aan de [adres] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 40.538,04, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • - Uitvaartkosten: € 5.719,64;
  • - Kosten grafsteen: € 6.437,20;
  • - Rouwboeketten: € 266,75;
  • - Grafrechten: € 3.180,00;
  • - Hond: €1.250,00;
  • - Shockschade: € 20.000,00;
  • - Rechtsbijstandkosten: € 2.922,15 + € 762,30 = € 3.684,45 (PM).

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.


Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer.

De opgevoerde schadepost met betrekking tot de uitvaartkosten, kosten grafsteen, rouwboeketten en grafrechten acht de rechtbank voldoende onderbouwd en aannemelijk en aldus voor toewijzing vatbaar. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde kosten met betrekking tot de hond onvoldoende onderbouwd zijn. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stellingen nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering voor dat gedeelte slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Ten aanzien van de door het slachtoffer gevorderde shockschade overweegt de rechtbank als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade, te weten immateriële schade en wel shockschade, heeft geleden.

Een vordering tot vergoeding van shockschade is voor toewijzing vatbaar als sprake is van ernstig, in rechte vast te stellen, geestelijk letsel dat de naaste van het slachtoffer rechtstreeks is aangedaan. Daarvan zal in het algemeen slechts sprake zijn bij een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De rechtbank acht aannemelijk dat de benadeelde partij [benadeelde] dergelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het van zeer dichtbij waarnemen van de botsing tussen verdachte met zijn voertuig en zijn vriendin, ten gevolge waarvan zijn vriendin ter plekke is overleden. Uit de brief van psychiater M. Vermaas van 26 juni 2015 blijkt dat er bij de benadeelde partij sprake is van een psychiatrische crisis waarvoor hij onder meer het antipsychoticum Quetiapine krijgt voorgeschreven.

Rest de vraag in welke omvang dit gedeelte van de vordering kan worden toegewezen. Ingevolge art. 6:106 lid 1 BW dient het smartengeld door de rechter naar billijkheid vastgesteld te worden. Die vaststelling geschiedt met in achtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, en de gevolgen hiervan. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op vergelijkbare gevallen.

Vorenstaande brengt met zich dat de vordering van € 20.000,- terzake immateriële schade dient te worden toegewezen. Hierbij wordt onder meer betekenis toegekend aan het feit dat verdachte met het begaan van het bewezenverklaarde feit een ernstig verwijt wordt gemaakt, terwijl moet worden vastgesteld dat dit handelen van verdachte voor de benadeelde partij zeer ingrijpende gevolgen heeft gehad. Alles afwegende is het betalen door verdachte van het gevorderde smartengeld van € 20.000,-, als een passende vergoeding te beschouwen op het onrecht dat door hem de benadeelde partij is aangedaan.

Ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde rechtsbijstandkosten hanteert de rechtbank het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven. Hierbij rekent de rechtbank

1. punt voor de indiening van de vordering en 3 punten voor de behandelingen ter zitting (op 7 oktober 2015, 8 juli 2015 en 3 september 2015), waarbij de benadeelde met zijn raadsman steeds aanwezig waren. Dit totaal van 4 punten wordt vervolgens vermenigvuldigd met

€ 579,00 (tarief III, dit tarief geldt met betrekking tot zaken van een geldwaarde van

€ 20.000,00 tot € 40.000,00). In totaal beraamt de rechtbank de rechtsbijstandskosten aldus op € 2.316,00. De vordering zal op dit punt tot dat bedrag worden toegewezen.



9.2

De schadevergoedingsmaatregel


De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 1 primair is toegebracht.


10De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikel 27 en 91 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 175 en 179 WVW 1994.

11De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
  • - verklaart het openbaar ministerie ten aanzien van feit 2 niet-ontvankelijk;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:feit 1 primair:

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van deze wet en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair bewezenverklaarde;


straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) jaren en 6 (zes) maanden;

  • - bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
  • - veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 4 (vier) jaren.
  • - beveelt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge art. 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip waarop de bijkomende straf ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die straf geheel in mindering wordt gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van een bedrag van € 35.603,59, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf

13 april 2014;

  • - veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
  • - legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 1 primair tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 35.603,59 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 213 dagen zal worden toegepast;
  • - bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
  • - bepaalt dat de benadeelde partij: [benadeelde] wonende te [woonplaats] , aan de [adres] voor een deel van € 1.250,00 niet-ontvankelijk is in zijn vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
  • - veroordeelt de verdachte tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt voor rechtsbijstand met betrekking tot deze vordering. De rechtbank begroot die kosten op € 2.316,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. H. Stam en mr. B.T.C. Jordaans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Falkmann-Herber, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2015.


Buiten staat

Mr. Stam is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0500-2014037969. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 juli 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte.

Op 13 april 2014 omstreeks 1.00 uur ben ik naar Glanerbrug gereden. Vervolgens ben ik naar huis gereden. Het is een domme beslissing van mij geweest om in mijn auto te stappen. Het was niet verantwoord. Het is nooit verantwoord om met alcohol op achter het stuur te stappen.

De rode pijl op foto 3 van de VerkeersOngevalsAnalyse is mijn rijrichting. Het ging allemaal heel snel. Het moment dat ik het slachtoffer zag, was vlak voor het moment van de aanrijding.


2.

Het proces-verbaal aanhouding van 13 april 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als volgt.

Verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] kregen op zondag 13 april 2014, omstreeks 1.22 uur van het regionale Meldkamer Centrum te Hengelo de melding om te gaan naar de kruising Zuid Esmarkerrondweg en Knalhutteweg te Enschede. Aldaar had zojuist een aanrijding met letsel plaatsgevonden, waarbij mogelijk iemand overleden was.

De verbalisanten zijn hierop gelijk met optische en geluidssignalen ter plaatste gegaan. Verbalisanten kwamen ter plaatse en zagen in ieder geval een personenauto, welke aan alle zijden gedeukt was. Tevens zagen verbalisanten dat er naast deze personenauto een vrouw op de grond lag. Deze vrouw was niet aanspreekbaar en haar ledematen lagen er niet natuurlijk bij. Verbalisant heeft de bestuurder van de auto aangesproken. De bestuurder heeft zich geïdentificeerd en heeft verklaard mee te willen werken aan een blaastest. Verbalisant heeft de man vervolgens ter plaatste laten blazen. De man blies hierop een “F” indicatie. Hierop heeft [verbalisant 2] de man medegedeeld dat hij was aangehouden.


3.

Het op pagina 52 en verder opgenomen proces-verbaal verhoor getuige [benadeelde] van

16 april 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als volgt.

[slachtoffer] en ik zijn zaterdagavond met drie vrienden uit eten geweest. Wij waren rond 01.05 weer thuis. [slachtoffer] is ons huis binnengegaan en heeft de hond opgehaald. Wij zijn toen samen een rondje gaan lopen met onze hond. Ik zag de auto op het eerste moment dat je hem kan zien. Ik zag dat de auto nog ver was. Ik ben toen over gaan steken. Ik zag dat [slachtoffer] aan de rechterhand van mij, iets achter mij liep. Ik begon met oversteken. Ik denk dat [slachtoffer] een halve meter achter mij liep toen ik begon met oversteken, ik weet dit omdat [slachtoffer] een halve meter achter mij liep toen ik begon met oversteken. Op het moment dat ik over mijn rechterschouder keek vas het “patss”. Dit was het moment dat [slachtoffer] geraakt werd door de auto. Ik hoorde een knal en zag dat [slachtoffer] van af daar waar ik stond tot aan de rotonde vliegt.

4.

Het op pagina 58 en verder opgenomen proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] van

15 april 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als volgt.

Op 13 april 2014 stond ik met mijn neef bij het winkelcentrum Stroinkslanden gelegen nabij de rotonde aan de Zuid-Esmarkerrondweg. Op een gegeven moment hoorden wij een auto aankomen. Normaal als je daar een auto aan hoort komen rijden kijk je niet echt om, zo van “oh, daar komt een auto aan”. Maar deze auto reed hard waardoor wij allebei omkeken. Ik zag de auto rijden. Ik keek toen verder en zag een koppel oversteken. En toen reed de auto met volle vaart een persoon aan. Ik zag dat die over de auto heen vloog.


5.

Het op pagina 57 opgenomen proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant

[verbalisant 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als volgt.

Op zondag 13 april 204 omstreeks 01.21 kwam ik ter plaatse aan de Zuid Esmarkerrondweg te Enschede alwaar een dodelijke aanrijding had plaatsgevonden. Ik heb ter plaatse gesproken met getuige [getuige 1] . Zij verklaarde het volgende:

Ik stond samen met een neef van mij onder het afdak van het winkelcentrum “het Stroink”. Op een gegeven moment hoorde ik het geluid van een hard rijdende auto. Ik draaide mij toen om en keek in de richting van het geluid. Ik zag toen bij de oversteekplaats twee personen staan. Hierna zag ik de twee personen naar de middenberm toe bewegen. Enkele tientallen meters voor de aanrijding hoorde ik de bestuurder nog gas bijgeven. Ik zag dat de auto een van de personen raakte. Ik zag dat die persoon, die aangereden werd, door de lucht vloog. Ik hoorde ook de klap.


6.

Het op pagina 65 en verder opgenomen proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] van 16 april 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als volgt.

Ik stond met mijn nichtje [getuige 1] bij de ingang van het winkelcentrum Stroinkslanden. Ik hoorde een auto die veel te hard reed. Je hoort het geluid van een auto die harder rijdt dan normaal. Ik hoorde het aan het geluid van de motor van de auto. Ik hoorde het geluid snel op mij afkomen. Ik zag een man, een vrouw en een hondje lopen.

V: Kun je mij vertellen waar zij vandaan kwamen en waar zij naartoe liepen?

A: Aan de kant van het winkelcentrum is een bospaadje. Daar kwamen zij vandaan en zij liepen van het winkelcentrum af.

V; Kun je me duidelijker vertellen waar zij vandaan kwamen en waar zij naartoe liepen?

A: Als ik met de rug naar het winkelcentrum sta, zag ik ze voor mij van links aan komen lopen. Ik zag ze toen recht voor mij uit weglopen in de richting van de Braamlanden. Zij liepen eerst parallel met de Zuid Esmarkerrondweg en staken later de Zuid Esmarkerrondweg over in de richting van de Braamlanden.

V: Waar staken zij de Zuid Esmarkerrondweg over?

A: Dat was 50 a 75 meter van de rotonde af. Daar is een oversteekplaats.

V: Had je daar goed zicht op?

A: Ja, er waren geen bossages, bomen of dergelijke die het zicht belemmerden.


7.

- Het op pagina 116 opgenomen proces-verbaal van onnatuurlijke dood, opgesteld door

[verbalisant 4] d.d. 16 april 2014.

- Het Verslag betreffende een niet-natuurlijke dood d.d.13 april 2014. In dit verslag verklaart drs. S. van der Veen, forensisch arts, dat hij het lijk persoonlijk heeft geschouwd en verklaart de arts er niet van overtuigd te zijn dat de dood ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden. De conclusie: overlijden door verkeersongeval.


8.

- Het op pagina 119 en verder opgenomen proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 18 februari 2015 waaruit blijkt dat uit het bloedonderzoek van verdachte, afgenomen op 13 april 2014, om 03.05 uur, naar voren is gekomen dat het alcoholgehalte in het bloed van de verdachte ten tijde van het bloedonderzoek 1,78 milligram alcohol per millimeter bloed bedroeg.

- Het op pagina 128 opgenomen rapport Alcohol in het verkeer d.d. 17 april 2014, waaruit naar voren komt dat het alcoholgehalte in het bloed van de verdachte ten tijde van het bloedonderzoek 1,78 milligram alcohol per millimeter bloed bedroeg.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de VerkeersOngevallenAnalyse (VOA) van de politie Twente, opgemaakt en ondertekend op 28 november 2014 door [verbalisant 5] , werkzaam als brigadier bij de politie Twente. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


9.

Op pagina 4 onder het kopje beknopte ongevalsbeschrijving:

Bij het ongeval was het volgende voertuig betrokken: Voertuig, merk Opel, kenteken [kenteken] .


10.

Op pagina 6 onder het kopje Verkeersmaatregelen ter plaatste:

- Voor motorvoertuigen bedroeg de ter plaatse toegestane maximumsnelheid 50 km/h.

- Er waren de volgende verkeersmaatregelen van kracht:

B1. Voorrangsweg en J23. Voetgangers

Op het moment van de aanrijding was het nacht. De straatverlichting was in werking. Het was helder en droog weer. Het wegdek, bitumen met dichte structuur, was droog.


11.

Op pagina 30 onder het kopje Oorzaak, toedracht en gevolg:

Bij het onderzoek werd vastgesteld:

- de Opelbestuurder geen noodstop heeft gemaakt om de botsing te vermijden.


12.

Het ingenieursbureau Schimmelpfennig en Becke uit Munster (Duitsland) is verzocht om een verkeerstechnische ongevallenanalyse uit te voeren waarin antwoord zal worden gegeven op ondermeer de volgende vraag

1. Kan op basis van de ter beschikking staande stukken de botssnelheid en gereden snelheid van de personenauto worden bepaald?



Expertiserapport Schimmelpfennig en Becke d.d. 7 november 2014:


Het antwoord op vraag 1 is dat de botssnelheid en gereden snelheid van de auto 65 tot 80 km/h bedroeg.


13.

Aanvullende vraag van de officier van justitie d.d. 7 juli 2015.

Op 7 juli 2015 heeft de officier van justitie de deskundige J. Wolbers van ingenieursbureau Schimmelpfennig en Becke per e-mail de volgende aanvullende vraag gesteld:

[benadeelde] , de vriend van [slachtoffer] is voor haar de weg overgestoken. Zou er hierdoor sprake kunnen zijn van een eerdere signaalpositie? De signaalpositie van [benadeelde] . Uitgaande van die theorie welke invloed heeft dat op de vermijdbaarheidsanalyse?


Antwoord deskundige d.d. 8 juli 2015 (e-mail van 10.45 uur)

In de bijlage bevinden zich 2 weg-tijd diagrammen waarin ik in groen ook een ‘looplijn’ voor dhr. [benadeelde] heb weergegeven. In de beide diagrammen ben ik er van uitgegaan dat dhr. [benadeelde] eveneens met een snelheid van 5 km/h loopt en 2 seconden eerder de straat oversteekt dan mevrouw [slachtoffer] . Neem ik hiervoor 1 seconde dan had de auto ook nog contact met dhr. [benadeelde] moeten hebben en dit is zeker niet het geval.


Bijlage C1: Gaat men er vanuit dat de bestuurder van de auto reageren moet op dhr. [benadeelde] als deze positie S inneemt (bevindt zich ca. 1 m op de rijbaan), dit is 2 seconden voor de botsing (Positie P1/S, groen). Had de bestuurder op dit moment de maximale snelheid van

50 km/h gereden dan was hij ca. 7 a 8 m voor de botsplaats tot stilstand gekomen als men een volle remming neemt met een vertraging van 7m/s2. Een tweede mogelijkheid is dat de voetganger [benadeelde] ziet en uitgaande van de maximumsnelheid van 50 km/h zijn voertuig afremt met een vertraging van 3,5 m/s2 (dit is een vertraging die gemiddeld wordt gehaald als men normaal remt voor een stoplicht/kruising). De auto was dan ca 1,2 sec later op de botsplaats aangekomen in deze tijd was mevr. [slachtoffer] ca. 1,7 m (Pv) verder gelopen en buiten bereik van het voertuig (geen botsing).


Bijlage C2: Gaat men er vanuit dat de bestuurder van de auto reageren moet op dhr. [benadeelde] als deze de positie S inneemt (bevindt zich ca. 1 m op de rijbaan), dit is 2 seconden voor de botsing (Positie P1/S, groen). Had de bestuurder op dit moment de maximale snelheid van

50 km/h gereden dan was hij ca. 17 a 18 m voor de botsplaats tot stilstand gekomen als men een volle remming neemt met een vertraging van 8 m/s2. Had hij op dit tijdstip (2 sec voor de botsing) 50 km/h gereden en deze snelheid niet gereduceerd, dus gewoon met 50 km/h verder gereden, dan was de auto 1,2 s later op de botsplaats aangekomen in deze tijd was mevrouw [slachtoffer] ca. 1,7 m (Pv) verder gelopen en buiten bereik van het voertuig (geen botsing).


14.

Op 8 juli 2015 heeft de rechtbank aanvullende vragen aan de deskundige J.Wolbers van Schimmelpfennig en Becke gesteld. De deskundige wordt verzocht om 2 nieuwe vermijdbaarheidsanalyses te maken uitgaande van:


1. De situatie dat moet worden uitgegaan van een verhoogde reactietijd bij verdachte ten gevolge van een alcoholpromillage van 1,78 milligram alcohol per millimeter bloed ook in verband met impact (snelheid) waarmee slachtoffer wordt geraakt.

2. De situatie dat [slachtoffer] aanvankelijk achter haar vriend [benadeelde] is aangelopen de Zuid Esmarkerrondweg op en vervolgens nadat [benadeelde] de middengeleider al had bereikt is teruggegaan naar het begin van de oversteek.




Aanvulling Expertiserapport Schimmelpfennig en Becke d.d. 24 augustus 2015


Antwoorden:

1. Verwezen wordt naar een publicatie die in de bijlagen D 1 t/m D 5 is opgenomen en waaruit blijkt dat de reactietijd onder invloed van alcohol wordt verlengd.


2.In de bijlage E1 is de variant weergegeven waarbij de Opel met een constante snelheid van 65 km/h (ondergrens botssnelheid) rijdt (rode lijn). In de bijlage E2 is de variant weergegeven waarbij de Opel met een constante snelheid van 80 km/h (bovengrens botssnelheid) rijdt.

De beide varianten laten zien dat de voetganger 1,3 seconde voor de botsing de rijbaan van de auto betrad. Dit wordt als signaalpositie aangenomen. Er is in de eerste variant uitgegaan van een constant gereden snelheid van 65 km/h. Gaat men er vanuit dat de bestuurder van de Opel op het mogelijke reactiepunt Rmogl. in plaats van 65 km/h de maximale toegestane snelheid van 50 km/h had gereden en na 1 s (normale reactietijd) met een vertraging van

7 m/s2 (ondergrens) had geremd dan had hij ca. 0,6 s later met een snelheid van 28 km/h de botsplaats bereikt en had de voetganger ca. 0,8 m verder gelopen. Het was dan niet tot een aanrijding gekomen. Het ongeval is – uitgaande van de ondergrens – voor de bestuurder van de Opel in tijd (de voetganger kan tijdig oversteken) te vermijden.

Uitgaande van de bovengrens van 80 km/h en een reactie tijd van 1 s (normale reactietijd) en een vertraging van 8 m/s2 (bovengrens), had de bestuurder zijn auto ca. 2,9 m voor de botsplaats tot stilstand kunnen brengen. Het ongeval is – uitgaande van de bovengrens – voor de bestuurder van de Opel zowel in tijd (voor de voetganger om tijdig over te steken ) als in afstand (voor de auto om tijdig voor de botsplaats te stoppen) te vermijden geweest.


15.

Het deskundigenrapport van J. Wolbers van ingenieursbureau Schimmelpfennig en Becke d.d. 3 september 2015 en de hierop ter zitting van 3 september 2015 gegeven toelichting van J. Wolbers.

Vraag van de rechtbank: Kunt u een vermijdsbaarheidsanalyse geven uitgaande van de situatie dat [slachtoffer] aanvankelijk achter haar vriend [benadeelde] is aangelopen de Zuid Esmarkerrondweg op, maar dat zij zich halverwege de rijbaan heeft omgedraaid en is teruggelopen naar haar uitgangspositie?

Antwoord van de deskundige: Ik was op deze vraag voorbereid en heb hiervan twee vermijdbaarheidsanalyses gemaakt die ik bij deze overleg. Indien er wordt uitgegaan van een constant gereden snelheid van 65 km/h, dan was het ongeval voor de bestuurder van de Opel zowel in tijd (voor de voetganger om tijdig over te steken ) als in afstand (voor de auto om tijdig voor de botsplaats te stoppen) te vermijden geweest. Dezelfde conclusie geldt wanneer er wordt uitgegaan van een constant gereden snelheid van 80 km/h. (De deskundige verwijst in dit verband naar zijn rapport van 3 september 2015 en de daarin opgenomen twee bijlagen).