Rechtbank Overijssel, 17-09-2015 / 08/952106-14


ECLI:NL:RBOVE:2015:4302

Inhoudsindicatie
Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking en valsheid in geschrifte. . Hij heeft in de bewezen verklaarde periode circa tweehonderdduizend euro verduisterd. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 uur, plus een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-09-17
Publicatiedatum
2015-09-17
Zaaknummer
08/952106-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Zwolle


Parketnummer: 08/952106-14

Datum vonnis: 17 september 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1971 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] , [adres] .



1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

3 september 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.J. van Dijck en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. M.N. Maris, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


1.


hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2012

tot en met 22 januari 2014 te Zwolle, (telkens) opzettelijk één of meer

hoeveelhe(i)d(en) geld (totaal ongeveer 202.307,84 euro), in elk geval enig

geldbedrag, dat geheel of ten dele toebehoorde(n) aan Stichting

Orthopedagogisch Centrum 'De Ambelt', in elk geval (telkens) aan een ander of

anderen dan aan verdachte, en welk geldbedrag verdachte (telkens) uit hoofde

van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als teamleider financieel

(financieel medewerker van voornoemde Stichting 'De Ambelt'), in elk geval

anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft

toegeëigend;


2.


hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2012

tot en met 22 januari 2014 te Zwolle,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) één of meer batchbestand(en), - (elk)

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -

valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte (telkens)

valselijk (een) batchbestand(en) aangepast, althans bedragen en/of

rekeningnummers en/of leveranciersnamen in die/dat batchbestand(en) gewijzigd

(in de administratiesoftware van 'De Ambelt'), zulks (telkens) met het oogmerk

om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen

te doen gebruiken.


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De beoordeling van het bewijs


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


5.1

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte van feit 2 dient te worden vrijgesproken aangezien de onder 1 ten laste gelegde verduistering tegelijkertijd de onder 2 ten laste gelegde valsheid in geschrifte impliceert.


De rechtbank is van oordeel dat de stellingname van de raadsman, ook als de rechtbank het mede opvat als een beroep op niet-ontvankelijkheid, geen steun vindt in het recht. Naar het oordeel van de rechtbank is het strafrechtelijk verwijt van gekwalificeerde verduistering een heel andere dan die van valsheid in geschrifte. Zo is het beschermd belang bij verduistering het vermogen van de benadeelde en het vertrouwen in de persoon die het goed onder zich heeft. Bij valsheid in geschrift gaat het om het vertrouwen dat het publiek in het algemeen moet hebben in de juistheid van geschriften. In een dergelijke situatie is artikel 55 lid 1 Sr. niet van toepassing volgens de Hoge Raad (HR 24 april 1984, NJ 1984/639). Ook als artikel 55, lid 1 van toepassing zou zijn, staat het de officier van justitie trouwens vrij om beide feiten ten laste te leggen. In dat geval zou alleen de valsheid in geschrift, als het “zwaarste” feit, gekwalificeerd worden met als toevoeging dat het in eendaadse samenloop is gepleegd met het andere feit. Tot niet-ontvankelijkheid, of vrijspraak kan deze stelling van de raadsman niet leiden, zodat de rechtbank eraan voorbij gaat.


De rechtbank overweegt ten aanzien van de sub 1 en 2 ten laste gelegde feiten dat sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom in de bijlage van dit vonnis volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.


5.4

De conclusie


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:



1.


hij in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 22 januari 2014 te Zwolle, telkens opzettelijk een hoeveelheid geld, totaal 202.307,84 euro, toebehorende aan Stichting

Orthopedagogisch Centrum 'De Ambelt', welk geldbedrag verdachte telkens uit hoofde

van zijn persoonlijke dienstbetrekking als teamleider “financieel” onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;


2.


hij in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 22 januari 2014 te Zwolle, batchbestanden, - telkens zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - heeft vervalst, immers heeft verdachte valselijk batchbestanden aangepast, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.


De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 en feit 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 225, 321en 322 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.



Het bewezenverklaarde levert op:


feit 1

het misdrijf: verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd;


feit 2

het misdrijf: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.


8De op te leggen straf of maatregel


8.1

De gronden voor een straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking en valsheid in geschrifte. Verdachte is op enig moment aangesteld als “teamleider financieel” binnen de stichting, waarbij hij in dienstbetrekking werkzaam was. In deze functie heeft verdachte geld overgemaakt naar een rekening van een bedrijf dat hij had ingeschreven bij de kamer van koophandel om te kunnen frauderen. Verdachte heeft in de bewezen verklaarde periode circa tweehonderdduizend euro verduisterd. Verdachte heeft met zijn handelen zijn werkgever financiële schade toegebracht en het vertrouwen van zijn werkgever geschaad. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.


Bij haar beslissing heeft de rechtbank ten voordele van verdachte rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie d.d. 27 juli 2015 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat de gepleegde feiten voor verdachte en zijn gezin, buiten het strafrecht om, al vergaande nadelige consequenties heeft gehad. Verdachte is op staande voet ontslagen, waardoor hij geen recht op enige uitkering heeft. Ook zullen door het ontslag en zijn kansen op de arbeidsmarkt niet groot zijn. De eigen woning is gedwongen verkocht en met de opbrengst is een deel van de vordering van “De Ambelt” betaald. Voor het restant is inmiddels een in rechte afdwingbare betalingsregeling getroffen als gevolg waarvan het gezinsinkomen ver onder de bijstandsnorm ligt en de voedselbank uitkomst moet bieden. In het voordeel van verdachte kan ook meewegen dat hij, direct na de ontdekking van de malversaties, in behandeling is gegaan voor zijn gokverslaving en deze behandeling inmiddels met succes heeft afgerond. Hij probeert momenteel als zelfstandige een inkomen te verwerven, teneinde meer dan het huidige maandbedrag te kunnen aflossen op de vordering van “De Ambelt”.


Gelet op alle genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat in dit geval, ondanks dat het aanzienlijke benadelingsbedrag in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt, toch kan worden volstaan met de maximale werkstraf van 240 uur, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van 2 jaar.



10De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 Sr.

11De beslissing


De rechtbank:


bewezenverklaring

  • - verklaart bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde feit 1 en feit 2 heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 en feit 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan in zoverre vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:feit1: verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd;feit 2: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
  • - verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;

straf

  • - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;
  • - bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • - veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 240 uren;
  • - beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;


Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. E. Leentjes, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2015.

Mr. M. Melaard en mr. E. Leentjes zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL04ZC-2014007150. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


1.

het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 september 2015, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte;


2

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende als verklaring van aangeefster [aangever] , namens St. Orthopedagogisch Centrum de Ambelt, van 30 januari 2014, pagina 8 t/m 14.