Rechtbank Overijssel, 07-01-2015 / Awb 14/2563


ECLI:NL:RBOVE:2015:44

Inhoudsindicatie
Last permanente bewoning van recreatiewoning te Dalfsen te beëidigen; op juiste gronden tot handhaving overgegaan; beroep ongegrond.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-01-07
Publicatiedatum
2015-01-07
Zaaknummer
Awb 14/2563
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 14/2563


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] te Dalfsen, eiseres,

en


het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen,

verweerder.




Procesverloop


Bij besluit van 7 mei 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres gelast om vóór 1 juli 2018 de permanente bewoning van de recreatiewoning op het perceel [adres] te Dalfsen te beëindigen. Wanneer eiseres niet tijdig aan de last voldoen verbeurt zij een dwangsom van € 50.000,00 in één keer.


Bij besluit van 1 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.


Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2014.

Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F. Klink



Overwegingen


1. Eiseres huurt de recreatiewoning op het perceel [adres] te Dalfsen, welke door haar permanent bewoond wordt. Bij brief van 24 juli 2013 heeft verweerder eiseres bericht dat de gemeenteraad op 24 juni 2013 het bestemmingsplan “Recreatieterreinen en recreatiewoningen gemeente Dalfsen” heeft vastgesteld, en dat het perceel [adres] daarin de bestemming ‘Recreatie- en recreatiewoningenterrein’ heeft gekregen, hetgeen inhoudt dat de recreatiewoning bestemd is voor verblijfsrecreatie in recreatiewoningen en het verboden is de recreatiewoning permanent te bewoning.

Met de vaststelling van het bestemmingsplan is ook het beleid ‘Handhaving permanente bewoning recreatiewoning’ en zijn de beleidsregels ‘Persoonsgebonden omgevingsvergunning voor het permanent bewonen van een recreatiewoning’ in werking getreden.

In dit kader heeft verweerder eiseres bij brief van 24 juli 2013 verzocht vóór 1 oktober 2013 een persoonsgebonden omgevingsvergunning aan te vragen, waarbij is aangegeven dat het aanvragen van deze vergunning alleen zin heeft wanneer kan worden aangetoond dat de bewoning sinds 31 oktober 2003 onafgebroken heeft plaatsgevonden.

Wanneer geen persoonsgebonden omgevingsvergunning kan worden verleend zal handhavend opgetreden worden.


Eiseres heeft het bij de brief van 24 juli 2013 gevoegde vragenformulier ingevuld en ingezonden. Het formulier is door verweerder ontvangen op 5 augustus 2013. Op dit formulier heeft eiseres vermeld dat de recreatiewoning sedert 2005 permanent door haar wordt bewoond. Tevens heeft zij verweerder verzocht voor haar af te zien van toepassing van het beleid, gelet op haar persoonlijke omstandigheden.


Verweerder heeft bij brief van 19 december 2013 gemeld dat in het beleid voldoende rekening is gehouden met persoonlijke situaties zoals die van eiseres, door de begunstigingstermijn te laten lopen tot 1 juli 2018.


Omdat verweerder van eiseres geen aanvraag voor een persoonsgebonden omgevingsvergunning heeft ontvangen, is bij brief van 20 maart 2014 aan eiseres het voornemen bekend gemaakt een last onder dwangsom op te leggen. Vervolgens heeft verweerder het besluit van 7 mei 2014 genomen.


Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 24 juni 2014 heeft een hoorzitting plaatsgevonden voor de Vaste Commissie van Advies voor de Bezwaarschriften (hierna: de commissie). Deze commissie heeft op 1 juli 2014 advies uitgebracht.


Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder, onder overname van het advies van de commissie, het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is vermeld dat het onderdeel van het advies van de commissie dat ziet op het aanpassen van de wettelijke basis van het besluit, omdat artikel 5.5 van de regels van het bestemmingsplan niet van toepassing zou zijn, niet wordt overgenomen.


2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.


3. Ingevolge het bestemmingsplan “Recreatieterreinen en recreatiewoningen gemeente Dalfsen” rust op het perceel [adres] te Dalfsen de bestemming ‘Recreatie – Recreatiebedrijf’ (R-RB). Gelet op deze bestemming is artikel 5 van de bij dit bestemminsplan behorende voorschriften van toepassing.


Ingevolge artikel 5.2 van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften mogen op de voor ‘Recreatie-Recreatiebedrijf’ aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waaronder recreatiewoningen.


Ingevolge artikel 1.40 van de planvoorschriften wordt onder een recreatiewoning verstaan: een gebouw dat periodiek dient voor recreatief (nacht)verblijf voor recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben.


Ingevolge artikel 5.5, onder a, van de planvoorschriften wordt tot een gebruik in strijd met het bestemmingsplan in ieder geval gerekend het gebruik van de recreatiewoningen voor permanente bewoning, met dien verstande dat permanente bewoning op grond van een objectgebonden gedoogbeschikking zoals die zijn opgenomen in Bijlage 3 Lijst van permanente bewoning is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – permanente bewoning’.


4. Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van de recreatiewoning [adres] te Dalfsen geen objectgebonden gedoogbeschikking is afgegeven en dat de permanente bewoning van deze recreatiewoning door eiseres in strijd is met het bestemmingsplan.


In artikel 4, tiende lid, van Bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht (Bor) is de mogelijkheid opgenomen om in strijd met het bestemmingsplan het gebruik van een recreatiewoning voor bewoning toe te staan aan personen die op 31 oktober 2003 meerderjarig waren en op die datum de recreatiewoning al voor bewoning gebruikten en dat sedertdien onafgebroken hebben gedaan. Een dergelijke omgevingsvergunning heeft een persoonsgebonden karakter.


In dit kader heeft verweerder de beleidsregels “Persoonsgebonden omgevingsvergunning voor het permanent bewonen van een recreatiewoning” vastgesteld. In deze beleidsregels is aangegeven aan welke aanvullende voorwaarden een bewoner van een recreatiewoning moet voldoen. De bewoner dient de recreatiewoning vóór, maar in elk geval op 31 oktober 2003 (en sindsdien onafgebroken) tot het moment van het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning te hebben bewoond. Wanneer de bewoner bij zijn aanvraag de in de beleidsregel genoemde bewijsmiddelen van zijn (onrechtmatige) bewoning heeft overgelegd, en hij voldoet aan de overige wettelijke eisen (zoals onder andere genoemd in artikel 4, tiende lid van Bijlage II van het Bor) verleent verweerder de persoonsgebonden omgevingsvergunning, tenzij belangen van derden zodanig zijn dat van het verlenen van een vergunning zal moeten worden afgezien.


5. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij vóór, maar in ieder geval op 31 oktober 2003, de recreatiewoning aan [adres] te Dalfsen bewoonde en dat sedertdien onafgebroken gedaan heeft.


De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Hiertoe wordt overwogen dat eiseres in haar brief van 26 november 2008 aangegeven heeft dat zij een half jaar bij haar dochter ingewoond heeft en daarvoor woonachtig was in Hengelo. Daarnaast heeft zij in het vragenformulier, door verweerder ontvangen op 5 augustus 2013, gemeld dat zij sinds 2005 op het adres [adres] woont. Uit de overige zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat eiseres pas op 26 augustus 2005 een verzoek heeft gedaan om ingeschreven te worden in de gemeentelijke basisadministratie (thans BRP) op het adres [adres]. Eiseres heeft gesteld dat zij dit al eerder n 2003 heeft geprobeerd, toen zij de recreatiewoning ging bewonen, maar dat dit niet mogelijk was. De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen, nu blijkens het verweerschrift inschrijving op het adres van recreatiewoning pas na 18 mei 2004 niet meer mogelijk was. Uit de BRP blijkt dat de recreatiewoning tot 1 oktober 2004 door andere personen bewoond werd. De laatste bewoner vóór eiseres heeft op dit adres ingeschreven gestaan van 12 december 2003 tot 1 oktober 2004. Niet alleen blijkt dat inschrijving voor 18 mei 2004 op dit adres mogelijk was, maar tevens is uit deze inschrijving af te leiden dat eiseres niet op dit adres woonde in die periode.


De door eiseres overgelegde bewijsstukken zijn allen uit 2005. Eiseres toont hier slechts mee aan dat zij in 2005 op dit adres woonde, maar daarmee wordt niet aangetoond dat zij vóór en in ieder geval op 31 oktober 2003 op dit adres woonde.


Nu eiseres niet heeft aangetoond dat zij vóór, maar in ieder geval op 31 oktober 2003, en sindsdien onafgebroken op het adres [adres] te Dalfsen woont, komt zij reeds op grond hiervan niet in aanmerking voor een persoonsgebonden omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4, tiende lid, van Bijlage II van het Bor.


Naar het oordeel van de rechtbank is wel aangetoond dat eiseres sedert 2005 de recreatiewoning [adres] te Dalfsen permanent bewoond. Dit is echter in strijd met het bepaalde in artikel 5.5, onder a, van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften.


Nu eiseres in strijd met het bestemmingsplan de woning permanent bewoont, en concreet zicht op legalisatie niet aanwezig is, nu zij niet in aanmerking kan komen voor een persoonsgebonden omgevingsvergunning of onder het in 1994 vastgestelde beleid inzake permanente bewoning van recreatiewoningen te brengen is, heeft verweerder op juiste gronden besloten tot handhaving over te gaan.


De rechtbank heeft in hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat verweerder daarvan behoorde af te zien.


6. Het beroep is ongegrond.


7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



















Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, rechter, in aanwezigheid van Y.van der Zaan-vanArnhem, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op










griffier rechter


Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.