Rechtbank Overijssel, 28-01-2015 / 08/955262-14


ECLI:NL:RBOVE:2015:442

Inhoudsindicatie
Verdachte is als verkeersdeelnemer tegen voetgangers aangereden. Als gevolg van die aanrijding hebben deze voetgangers divers (ernstig) letsel bekomen. Door verdachtes handelen is aan deze betrokkenen leed toegebracht. Dit leed zal ook door strafoplegging niet geheel ongedaan gemaakt kunnen worden. In deze zaak acht de rechtbank niet bewezen dat de door verdachte gemaakte verkeersfout een misdrijf oplevert, zodat in de strafmaat er rekening mee moet worden gehouden dat een verkeersfout in de vorm van een overtreding is gemaakt. De rechtbank hecht eraan ten overvloede te benadrukken dat de juridische vaststelling dat geen sprake is geweest van een aanmerkelijke verkeersfout, los moet worden bezien van de ernst van het letsel dat slachtoffers hebben opgelopen. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een geldboete van €450,- en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van twee jaar.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-01-28
Publicatiedatum
2015-01-28
Zaaknummer
08/955262-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Almelo


Parketnummer: 08/955262-14

Datum vonnis: 28 januari 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].



1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 januari 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.C.C. Berendsen en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. J.G. Luiten, advocaat te Almelo, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: als bestuurder van een personenauto zodanig onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden – de ruiten van de auto waren immers beslagen -, dat het zijn aanmerkelijke schuld is dat daardoor de voetgangers [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (zwaar) lichamelijk letsel hebben opgelopen;

subsidiair: als bestuurder van een personenauto met beslagen ruiten heeft gereden, waardoor hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt en hij tegen één of meerdere voetganger(s) is aangereden.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


hij op of omstreeks 12 december 2013 te Vroomshoop, gemeente Twenterand,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto, Volkswagen, kenteken [kenteken]), daarmede rijdende over de weg,

de [straat], komende uit de richting van de Prins Clausstraat en

gaande in de richting van het Plantsoen, roekeloos, in elk geval zeer, althans

aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden,

hierin bestaande dat verdachte

- terwij1 de ruiten van het door verdachte bestuurde motorrijtuig zodanig

waren beslagen/bewasemd, dat het zicht door die ruiten in ernstige mate,

althans in enige mate werd belemmerd, en/of

- niet, althans onvoldoende, heeft gelet op de weg en/of mogelijke

weggebruikers op die weg vóór hem, en/of

- niet voortdurend de nodige oplettendheid en/of voorzichtigheid heeft

betracht, en/of

- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels

en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij,

verdachte, in staat was voormeld motorrijtuig tot stilstand te brengen

binnen de afstand waarover hij genoemde weg kon overzien en waarover deze

vrij was en/of

- een of meerdere voetganger(s) welke gezien verdachtes rijrichting geheel of

gedeeltelijk aan de rechterzijde op de rijbaan stond(en) althans zich

(deels) op de rijbaan bevond(en), niet heeft opgemerkt/gezien, en/of

- ( vervolgens) is gebotst, althans in aanrijding is gekomen met die

voetganger(s),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander of anderen (te weten

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]) zwaar lichamelijk

letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd

toegebracht;


ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat


hij op of omstreeks 12 december 2013 te Vroomshoop, gemeente Twenterand,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto, Volkswagen, kenteken [kenteken]), daarmede rijdende over de weg,

de [straat], komende uit de richting van de Prins Clausstraat en

gaande in de richting van het Plantsoen,

- terwij1 de ruiten van het door verdachte bestuurde motorrijtuig zodanig

waren beslagen/bewasemd, dat het zicht door die ruiten in ernstige mate,

althans in enige mate werd belemmerd, en/of

- niet, althans onvoldoende, heeft gelet op de weg en/of mogelijke

weggebruikers op die weg vóór hem, en/of

- niet voortdurend de nodige oplettendheid en/of voorzichtigheid heeft

betracht, en/of

- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels

en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij,

verdachte, in staat was voormeld motorrijtuig tot stilstand te brengen

binnen de afstand waarover hij genoemde weg kon overzien en waarover deze

vrij was en/of

een of meerdere voetganger(s) welke gezien verdachtes rijrichting geheel of

gedeeltelijk aan de rechterzijde op de rijbaan stond(en) althans zich

(deels) op de rijbaan bevond(en), niet heeft opgemerkt/gezien, en/of

- ( vervolgens) is gebotst, althans in aanrijding is gekomen met die

voetganger(s),

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;



De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren, bij niet verrichten te vervangen door 60 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de rijbevoegdheid van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De beoordeling van het bewijs


5.1

De vaststaande feiten


De onderstaande feiten volgen rechtstreeks uit de bewijsmiddelen en hebben bij de behandeling van de zaak niet ter discussie gestaan. Het vaststellen van deze feiten behoeft daarom geen andere motivering door de rechtbank dan een verwijzing naar de betreffende bewijsmiddelen.


Op 12 december 2013 heeft verdachte te Vroomshoop, gemeente Twenterand, met zijn personenauto, waarvan de ruiten beslagen waren, tegen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] aangereden, waardoor deze personen gewond raakten.


5.2

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging


De officier van justitie is van mening dat verdachte, omdat hij doorreed terwijl hij geen althans bijna geen zicht had en dus niet of nauwelijks kon zien wat zich op de weg bevond, zich schuldig maakte aan aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid. Daardoor is het zijn schuld dat hij in aanrijding is gekomen met de voetgangers. Daarbij hebben deze voetgangers zodanig letsel opgelopen dat zij daar lange tijd last van hebben gehad en daarvan ook nu nog fysieke en/of psychische problemen ervaren. Hieruit volgt dat het primair tenlastegelegde bewezen is.


Volgens de raadsman meende verdachte door gebrek aan ervaring dat, door de aanjager in zijn auto aan te zetten, de condens op de ruiten van zijn auto zou verdwijnen. Het betrof een oude auto waarin geen airco zat. Dat verdachte met beslagen ruiten doorreed was fout, maar het is wel opmerkelijk dat de voetgangers die hij aanreed op de weg stonden en daarbij donker gekleed gingen. Een en ander leidt ertoe dat er geen sprake was van roekeloosheid maar van door verdachte veroorzaakt gevaar, zodat het subsidiair tenlastegelegde bewezen is.


5.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


Verdachte woont in de straat waar het verkeersongeval heeft plaatsgevonden, op ongeveer 180 meter afstand. Volgens verdachte stapte hij die avond bij zijn huis in de auto, nadat hij de ruiten had vrijgemaakt van condens. Hij reed vervolgens van huis weg over de [straat] in Vroomshoop. Toen hij weg reed waren de ruiten nog schoon. Onderweg besloegen de ruiten van zijn auto zo snel dat hij ineens vrijwel geen zicht naar voren en opzij had. Hij deed de aanjager aan, maar de condens op de ruiten van zijn auto verdween niet. Niettemin stopte verdachte niet, maar reed hij door op de [straat] richting het Plantsoen. Volgens verdachte reed hij ongeveer 30 km per uur en zag hij niet dat er voor hem drie personen en twee honden zich deels op de rijbaan bevonden. Hij reed vervolgens de personen (en de honden) aan. Uit het proces-verbaal van politie en de bijgevoegde medische informatie blijkt dat die personen daarbij letsel opliepen, variërend van onder meer een hersenschudding, botbreuken, knieklachten en afgebroken tanden tot een posttraumatische stress stoornis.


Volgens het “Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse” heeft verdachte genoemde personen en honden kennelijk niet gezien en is hij zonder te remmen tegen ze aangereden. Verbalisant constateerde dat alle ruiten van de auto van verdachte waren beslagen, waardoor er nagenoeg geen zicht naar voren, naar opzij of naar achteren was. Het voertuig verkeerde, voor zover kon worden nagegaan, in een voldoende verkeerstechnische staat van onderhouden en vertoonde geen gebreken. Het was donker, de straatverlichting was in werking en het was droog weer.


Ten aanzien van de vraag of de fout van verdachte schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet oplevert, overweegt de rechtbank het volgende.


Gelet op het bepaalde in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) dient de rechtbank vast te stellen of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor anderen zwaar lichamelijk letsel hebben bekomen. Enerzijds komt dit neer op de vaststelling van het gedrag van de verdachte en de beoordeling of en zo ja, in welke mate hij verwijtbaar heeft gehandeld. Anderzijds dient een causaal verband te worden vastgesteld tussen het gedrag van de verdachte en het verkeersongeval. Het bestanddeel “schuld” is in dit geval nader omschreven als “roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam”.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR) is niet in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822).


Voor de beoordeling van de vraag of verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, dient de rechtbank dus op grond van voormeld toetsingskader vast te stellen of de bewezen geachte feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan, en de overige omstandigheden, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Die zorgplicht houdt mede in dat een bestuurder zijn voertuig onder controle houdt.

De rechtbank kan op grond van de bewijsmiddelen niet uitsluiten dat het zo is gegaan als verdachte heeft verklaard, namelijk dat hij aanvankelijk schone ruiten had, die plotseling zodanig beslagen raakten dat het zicht minimaal was, waarna hij verkeerd heeft gereageerd door de aanjager aan te zetten in plaats van meteen te stoppen. Hoe lang verdachte met minimaal zicht heeft gereden is op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet vast te stellen. Verdachte heeft verklaard dat hij op het moment dat hij de voetgangers aanreed, deze niet heeft gezien aangezien zijn zicht door de beslagen ruiten plotseling uiterst minimaal was. De rechtbank kan derhalve niet uitsluiten dat verdachte pas op het laatste moment geen zicht meer had.


Deze verwijtbare fout van verdachte, het niet meteen stoppen, is naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig van aard en ernst, dat de fout moet worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam rijgedrag. De rechtbank concludeert daarom dat geen sprake is geweest van schuld in de zin van het misdrijf van artikel 6 WVW 1994 en dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

De gedraging van verdachte leidt evenwel tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde overtreding, nu het zicht op de weg ernstig werd belemmerd en hij niettemin zijn auto niet meteen tot stilstand bracht maar doorreed, waardoor hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt.


De rechtbank hecht eraan ten overvloede te benadrukken dat de juridische vaststelling dat geen sprake is geweest van een aanmerkelijke verkeersfout, los moet worden bezien van de

ernst van het letsel dat slachtoffers hebben opgelopen.


5.4

De conclusie


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 12 december 2013 te Vroomshoop, gemeente Twenterand, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Volkswagen, kenteken [kenteken]), daarmede rijdende over de weg, de [straat], komende uit de richting van de Prins Clausstraat en gaande in de richting van het Plantsoen,

- terwijl de ruiten van het door verdachte bestuurde motorrijtuig zodanig

waren beslagen, dat het zicht door die ruiten in ernstige mate werd belemmerd, en

- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels

en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij,

verdachte, in staat was voormeld motorrijtuig tot stilstand te brengen

binnen de afstand waarover hij genoemde weg kon overzien en waarover deze

vrij was en

- voetgangers welke zich deels op de rijbaan bevonden, niet heeft opgemerkt/gezien en

- vervolgens is gebotst, althans in aanrijding is gekomen met die

voetgangers,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.


De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 5 en 177 Wegenverkeerswet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


subsidiair

de overtreding: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.


8De op te leggen straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte is als verkeersdeelnemer tegen voetgangers aangereden. Als gevolg van die aanrijding hebben deze voetgangers, te weten tegen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], divers (ernstig) letsel bekomen. Door verdachtes handelen is aan deze betrokkenen leed toegebracht. Dit leed zal ook door strafoplegging niet geheel ongedaan gemaakt kunnen worden. Strafoplegging dient bovendien niet alleen met inachtneming van de gevolgen van de gemaakte verkeersfout te geschieden, maar dient ook en vooral afgezet te worden tegen de ernst van de gemaakte verkeersfout en de mate van schuld daaraan van verdachte. In deze zaak acht de rechtbank niet bewezen dat de door verdachte gemaakte verkeersfout een misdrijf oplevert, zodat in de strafmaat er rekening mee moet worden gehouden dat een verkeersfout in de vorm van een overtreding is gemaakt.


Als uitgangspunt voor strafbare feiten als de onderhavige kijkt de rechtbank naar hetgeen in soortgelijke zaken wordt opgelegd. Bij de vaststelling van de hoogte van de straf houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte er rekening mee dat verdachte niet eerder voor verkeersdelicten in aanraking is geweest met politie en justitie. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die door de raadsman ter zitting naar voren zijn gekomen, acht de rechtbank een geldboete van € 450,-- passend en geboden, terwijl als waarschuwing een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaar, dient te worden opgelegd.


9De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 91 Sr en op artikel 179 Wegenverkeerswet 1994.

10De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
  • - verklaart bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:subsidiair: de overtreding: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;
  • - verklaart verdachte strafbaar voor het onder subsidiair bewezenverklaarde;

straf

  • - veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 450,-- (vierhonderdvijftig euro);
  • - beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 9 (negen) dagen;
  • - ontzegt veroordeelde de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 3 (drie) maanden;
  • - bepaalt dat de ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit.


Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en

mr. M.A.H. Heijink, rechters, in tegenwoordigheid van E.P. Endlich, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2015.





Buiten staat

Mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.


1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Twente met registratienummer PL050D-2013127367 van 3 april 2014. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 14 januari 2015. Het proces-verbaal Aanrijding misdrijf d.d. 3 april 2014 (blz. 2 tem. 8).
3 Het proces-verbaal aanrijding misdrijf d.d. 3 april 2014 (blz. 4 en 5). De als bijlagen bij het strafdossier gevoegde bescheiden, te weten: een “Aanvraagformulier medische informatie” d.d. 31 januari 2014, betreffende [slachtoffer 1]; een “Aanvraagformulier medische informatie” d.d. 27 januari 2014, betreffende [slachtoffer 2]; een brief van chirurg G. de Klerk d.d. 27 februari 2014, betreffende [slachtoffer 3].