Rechtbank Overijssel, 29-09-2015 / 08.760046.15, 07.038158.12 (tul) en 08.955105.15


ECLI:NL:RBOVE:2015:4436

Inhoudsindicatie
De dronken bestuurder die op 12 maart 2015 een vader en zijn baby aanreed in Lutten (gemeente Hardenberg) is door de rechtbank Overijssel veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf en de maximale rijontzegging van 10 jaar. De vijf weken oude baby overleed aan zijn verwondingen, de vader raakte zwaargewond. De aanrijding gebeurde in de proeftijd van een eerdere veroordeling voor dronken rijden. Daarom moet de 51-jarige man uit Lutten ook een voorwaardelijke celstraf van 1 maand uitzitten en krijgt hij nog 2 jaar rijontzegging. Ook krijgt hij zijn auto niet terug.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-09-29
Publicatiedatum
2015-09-29
Zaaknummer
08.760046.15, 07.038158.12 (tul) en 08.955105.15
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Zwolle


Parketnummers: 08.760046.15, 07.038158.12 (tul) en 08.955105.15

Datum vonnis: 29 september 2015


Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1964 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

nu verblijvende in de P.I. Overijssel, HvB Karelskamp Almelo te Almelo.



1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 september 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.A. Reah en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman

mr. R.W. van Faassen, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.


Ter terechtzitting heeft de rechtbank in het belang van het onderzoek de voeging bevolen van de bij afzonderlijke dagvaardingen onder parketnummers 08.760046.15 en 08.955105.15 tegen de verdachte aangebrachte zaken.


2De tenlastelegging


Aan de verdachte is, na wijziging ter terechtzitting van 15 september 2015, tenlastegelegd dat:


Parketnummer 08.760046.15


1.

hij op of omstreeks 12 maart 2015, te Lutten, gemeente Hardenberg, [slachtoffer 1] ( [geboortedatum] -2015) opzettelijk van het leven heeft beroofd, door,


na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek 1,50 milligram, in elk geval aanzienlijk hoger dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, althans terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol,

althans na het gebruik van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank,


als bestuurder van een personenauto (Mercedes) te gaan rijden vanaf café [café] aldaar en vervolgens op de Dedemsvaartseweg-Noord (komende uit de richting van Lutten centrum en gaande in de richting van Dedemsvaart),


niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg en/of het overige verkeer te letten en/of te blijven letten, en/of


geen, althans onvoldoende rekening te houden met andere weggebruikers/voetgangers, en/of


vervolgens op die Dedemsvaartseweg-Noord een aldaar aan de (gezien zijn, verdachtes, rijrichting) rechterkant van die weg deels op de (rode) voetgangers-/fietsstrook en deels op de oprit van de woning met huisnummer [huisnummer] lopende/stilstaande voetganger met kinderwagen (met daarin gelegen baby [slachtoffer 1] ), niet (tijdig) waar te nemen, en/of


zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate te verminderen en/of aan te passen (aan de situatie en/of plaatselijke omstandigheden), en/of


(vervolgens) de voetganger en de kinderwagen met voornoemde [slachtoffer 1] met zijn, verdachtes personenauto aan te rijden, door welke aanrijding de kinderwagen meters verderop in de berm terecht is gekomen en/of [slachtoffer 1] uit de kinderwagen werd geslingerd, ten gevolge waarvan deze is overleden;


Althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair, dat:


hij op of omstreeks 12 maart 2015, te Lutten, in de gemeente Hardenberg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Mercedes),

daarmede rijdende over de weg, de Dedemsvaartseweg-Noord, komende uit de richting van Lutten centrum en gaande in de richting van Dedemsvaart, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,


terwijl hij toen dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek 1,50 milligram, in elk geval aanzienlijk hoger dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, althans terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol, althans na het gebruik van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank, en/of


(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of


(daarbij) geen, althans onvoldoende rekening heeft gehouden met andere weggebruikers/ voetgangers, en/of


(daarbij) een aldaar aan de (gezien zijn, verdachtes, rijrichting) rechterkant van die weg deels op de (rode) voetgangers-/fietsstrook en deels op de oprit van de woning met huisnummer [huisnummer] lopende/stilstaande voetganger met kinderwagen, niet (tijdig) heeft waargenomen, en/of


(vervolgens) zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate heeft verminderd en/of aangepast (aan de situatie en/of plaatselijke omstandigheden), en/of

(daarbij) in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of

(vervolgens) aldaar aan de rechterkant van die weg is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die voetganger en de kinderwagen (met daarin gelegen baby [slachtoffer 1] ), door welke aanrijding de kinderwagen meters verderop in de berm terecht is gekomen en/of [slachtoffer 1] uit de kinderwagen werd geslingerd,


en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten baby [slachtoffer 1] werd gedood, terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;


2.

hij op of omstreeks 12 maart 2015 te Lutten, gemeente Hardenberg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek 1,50 milligram, in elk geval aanzienlijk hoger dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, althans terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol, althans na het gebruik van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank,


als bestuurder van een personenauto (Mercedes) is gaan rijden vanaf café [café] aldaar en vervolgens op de Dedemsvaartseweg-Noord (komende uit de richting van Lutten centrum en gaande in de richting van Dedemsvaart), niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg en/of het overig verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of


geen, althans onvoldoende rekening heeft gehouden met andere weggebruikers/voetgangers, en/of


vervolgens op die Dedemsvaartseweg-Noord een aldaar aan de (gezien zijn, verdachtes, rijrichting) rechterkant van die weg deels op de (rode) voetgangers-/fietsstrook en deels op de oprit van de woning met huisnummer [huisnummer] lopende/stilstaande voetganger met kinderwagen, niet (tijdig) heeft waargenomen, en/of


zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate heeft verminderd en/of aangepast (aan de situatie en/of plaatselijke omstandigheden) en/of


(vervolgens) de voetganger, voornoemde [slachtoffer 2] en de kinderwagen met zijn, verdachtes personenauto heeft aangereden,


terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


althans, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair, dat


op of omstreeks 12 maart 2015 te Lutten, gemeente Hardenberg, aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een hoofdwond en/of een gebroken middenhandsbeentje en/of een gebroken scheenbeen en/of gebroken middenvoetsbeentjes en/of een hersenschudding/kneuzing en/of meerdere schaafwonden in het gezicht en/of op het lichaam, heeft toegebracht door


na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek 1,50 milligram, in elk geval aanzienlijk hoger dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, althans terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol, althans na het gebruik van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank,


als bestuurder van een personenauto (Mercedes) te gaan rijden vanaf café [café] aldaar en vervolgens op de Dedemsvaartseweg-Noord (komende uit de richting van Lutten centrum en gaande in de richting van Dedemsvaart) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg en/of het verkeer te letten en/of te blijven letten en/of


geen, althans onvoldoende rekening te houden met andere weggebruikers/voetgangers en/of


vervolgens op die Dedemsvaartseweg-Noord een aldaar aan de (gezien zijn, verdachtes, rijrichting) rechterkant van die weg deels op de (rode) voetgangers-/fietsstrook en deels op de oprit van de woning met huisnummer [huisnummer] lopende/stilstaande voetganger met kinderwagen, niet (tijdig) waar te nemen en/of


zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate te verminderen en/of aan te passen (aan de situatie en/of plaatselijke omstandigheden) en/of


(vervolgens) de voetganger, voornoemde [slachtoffer 2] en de kinderwagen met zijn, verdachtes personenauto aan te rijden;


Althans, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, meer subsidiair, dat


hij op of omstreeks 12 maart 2015, te Lutten, in de gemeente Hardenberg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Mercedes), daarmede rijdende over de weg, de Dedemsvaartseweg-Noord, komende uit de richting van Lutten centrum en gaande in de richting van Dedemsvaart, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,


terwijl hij toen dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek 1,50 milligram, in elk geval aanzienlijk hoger dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, althans terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol, althans na het gebruik van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank, en/of


(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of


(daarbij) geen, althans onvoldoende rekening heeft gehouden met andere weggebruikers/ voetgangers, en/of


(daarbij) een aldaar aan de (gezien zijn, verdachtes, rijrichting) rechterkant van die weg deels op de (rode) voetgangers-/fietsstrook en deels op de oprit van de woning met huisnummer [huisnummer] lopende/stilstaande voetganger met kinderwagen, niet (tijdig) heeft waargenomen, en/of


(vervolgens) zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate heeft verminderd en/of aangepast (aan de situatie en/of plaatselijke omstandigheden) en/of


(daarbij) in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of


(vervolgens) aldaar aan de rechterkant van die weg is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die voetganger en de kinderwagen, door welke aanrijding de kinderwagen meters verderop in de berm terecht is gekomen en/of [slachtoffer 1] uit de kinderwagen werd geslingerd,


en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer 2] , zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht, terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;


Parketnummer 08.955105.15

hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden te Lutten, gemeente Hardenberg, op/aan de Dedemsvaartseweg-Noord aldaar, op of omstreeks 12 maart 2015 de voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval

heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan

een ander (te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] ) letsel en/of schade was toegebracht;


3De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.


Overweging met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 08.955105.15.

Onder bovengenoemd parketnummer wordt verdachte, zakelijk weergegeven, verweten dat hij is doorgereden na een ongeval dat plaatsvond op 12 maart 2015, omstreeks 19.35 uur. Verdachte heeft, onder meer ter terechtzitting van 15 september 2015, verklaard dat hij na het ongeval is doorgereden naar zijn woning. Blijkens de stukken heeft verdachte zich vervolgens op 12 maart 2015 omstreeks 22.42 uur bij de politie gemeld.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op artikel 184 van de Wegenverkeerswet 1994, de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien verdachte zich binnen twaalf uren na het ongeval vrijwillig bij de politie heeft gemeld. Daartoe is, kortgezegd, aangevoerd dat verdachte - voordat hij als verdachte is aangehouden of verhoord - zich op advies van anderen vrijwillig heeft gemeld bij het politiebureau en dat hij op dat moment niet wist dat de politie hem zocht.


De rechtbank overweegt als volgt. Verdachte heeft verklaard dat hij een klap hoorde toen hij over de Dedemsvaartseweg-Noord reed en dat hij op dat moment wist dat hij iets geraakt had. Vervolgens is hij naar zijn nabij gelegen huis gereden en heeft daar forse schade aan zijn auto geconstateerd. Hij heeft toen een borrel gedronken. Verdachte hoorde enige tijd later sirenes en zag zwaailichten en heeft zich toen naar eigen zeggen gerealiseerd dat er toch wel iets gebeurd moest zijn. Naar het oordeel van de rechtbank moet verdachte op dat moment hebben geweten dat de politie een onderzoek was gestart naar de toedracht van het ongeval waarbij hij betrokken was geweest. Verdachte heeft echter, in plaats van de politie te bellen, op dat moment ervoor gekozen zijn broer te bellen en is met hem naar een vriend gereden, waar hij nog een flesje bier heeft gekregen. De rechtbank merkt op dat dit het onderzoek naar de toedracht van het ongeval heeft bemoeilijkt. Pas enige uren daarna heeft verdachte zich bij de politie gemeld. Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden is het feit dat verdachte zich uiteindelijk rond 22.30 uur heeft gemeld bij de politie naar het oordeel van de rechtbank de resultante geweest van een aantal van buitenaf komende omstandigheden die optraden nadat verdachte zich al, op het moment van de botsing, maar in elk geval op het moment dat hij thuiskwam en de schade aan zijn auto zag, van een aanrijding bewust moet zijn geweest. Van vrijwillige kennisgeving als bedoeld in artikel 184 van de Wegenverkeerswet 1994 is onder die omstandigheden geen sprake meer. Het verweer wordt daarom verworpen. De officier van justitie is derhalve ontvankelijk in de vervolging van dit feit.


De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie ook overigens ontvankelijk is in de

vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


4De beoordeling van het bewijs


4.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging


De officier van justitie heeft, zakelijk weergegeven, het volgende gevorderd:

- vrijspraak van het in de dagvaarding met parketnummer 08.760046.15 onder 1 primair en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde;

- veroordeling voor het in de dagvaarding met parketnummer 08.760046.15 onder 1 subsidiair, 2 meer subsidiair (telkens behoudens de tenlastegelegde roekeloosheid) en het in de dagvaarding met parketnummer 08.955105.15 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vijf jaren (beide met aftrek van de tijd die voorafgaand aan het vonnis reeds is opgelegd);

- toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 07.038158.12 opgelegde straf;

- verbeurdverklaring van de op de beslaglijst vermelde personenauto, merk Mercedes.


De raadsman van verdachte heeft, zakelijk weergegeven, het volgende bepleit:

- vrijspraak van het in de dagvaarding met parketnummer 08.760046.15 onder 1 primair en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde;

- veroordeling voor het in de dagvaarding met parketnummer 08.760046.15 onder 1 subsidiair, 2 meer subsidiair (telkens behoudens de tenlastegelegde roekeloosheid) ten laste gelegde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan het grootste gedeelte reeds in voorarrest (thans durende ruim zes maanden), is doorgebracht en tot een maximale werkstraf.


De raadsman heeft zich daarnaast gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 07.038158.12 opgelegde straf. Over de inbeslaggenomen personenauto heeft de verdediging zich niet uitgelaten.


4.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


Overweging met betrekking tot het in de dagvaarding met parketnummer 08.760046.15 ten laste gelegde.

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij [slachtoffer 1] om het leven is gekomen en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dit is beschreven in verschillende juridische varianten en tenlastegelegd als twee feiten, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking. De rechtbank zal hierna overwegen welke feiten en omstandigheden zij van belang acht bij de beoordeling van de tenlastelegging en vervolgens welke juridische duiding daaraan moet worden gegeven.


feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast.

Verdachte is op 12 maart 2015 in café [café] geweest en heeft daar meerdere glazen rivella-jenever gedronken. Vervolgens is hij in zijn Mercedes in de richting van zijn huis gereden over de Dedemsvaartseweg-Noord. Omstreeks 19.35 uur is verdachte tegen de daar op rand van de fietsstrook en de oprit staande [slachtoffer 2] en een kinderwagen met daarin [slachtoffer 1] gebotst. De rechtbank leidt uit de verklaring van getuige [getuige 1] en de verklaring van verdachte ten overstaan van de politie op 14 maart 2015 af dat verdachte kort voorafgaand aan en ten tijde van het ongeval uiterst rechts van de weg, strak langs de rand van de berm en de fietsstrook, heeft gereden en dat hij niet is uitgeweken. Ten gevolge van het ongeval is [slachtoffer 1] overleden en heeft [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Op het moment van het ongeval was het ter plaatse helder en droog weer en het wegdek was droog. Het was schemerig, de straatverlichting was in werking en aan het normaal ingereden wegdek zijn tijdens het onderzoek geen bijzonderheden geconstateerd met betrekking tot het onderhoud van de weg.


Bij verdachte is enige uren na het ongeval bloed afgenomen. Na een herberekening op basis van de verstreken tijd sinds het ongeval en de genuttigde alcohol na het ongeval, is komen vast te staan dat ten tijde van het ongeval het alcoholpromillage in verdachtes bloed minimaal 1,5 betrof. De rechtbank zal daarom bij haar beoordeling uitgaan van voornoemd promillage.


Verdachte heeft verklaard dat hij, conform de ter plaatse geldende maximumsnelheid, 50

kilometer per uur heeft gereden ten tijde van het ongeval. Uit het dossier komt naar voren dat twee getuigen van het ongeval, [getuige 2] en [getuige 1] , de snelheid van de auto van verdachte hoger hebben ingeschat. Uit de betreffende verklaringen blijkt dat getuige [getuige 2] de snelheid van de auto heeft geschat kort nadat zij een zeer ernstig ongeval van dichtbij had waargenomen en dat getuige [getuige 1] in haar auto reed en de auto van verdachte zag rijden, terwijl zij hem van tegengestelde richting naderde. De algemene ervaring leert dat het onder voornoemde omstandigheden zeer moeilijk is om de snelheid van een auto juist in te kunnen schatten. De rechtbank acht deze schattingen daarom van onvoldoende gewicht om vast te kunnen stellen dat verdachte harder reed dan ter plaatse was toegestaan. Het moet er daarom naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat verdachte ten tijde van het ongeval 50 kilometer per uur reed.


Verdachte heeft voorts verklaard dat hij niemand had gezien en ineens een klap hoorde bij zijn rechterportier. Om te bepalen hoe het zicht was ten tijde van het ongeval is een reconstructie gehouden, waarbij drie verbalisanten zoveel mogelijk onder gelijke omstandigheden dezelfde route als verdachte hebben gereden. Bij deze reconstructie hebben alle drie de deelnemende verbalisanten – die niet wisten wat er tijdens de door hen te rijden route stond te gebeuren en niet op de hoogte waren gesteld omtrent de precieze gebeurtenissen ten tijde van de aanrijding - tijdig waargenomen dat er iemand (in de reconstructie: een pop) op de plaats van het ongeval stond en zij hebben vervolgens alle drie een aanrijding weten te vermijden. De rechtbank stelt op basis van deze resultaten vast dat bij oplettend rijgedrag een aanrijding vermijdbaar was geweest. Uit die vaststelling en de verklaring van verdachte dat hij niemand langs of op de weg heeft waargenomen, leidt de rechtbank af dat verdachte onvoldoende heeft opgelet om ander verkeer tijdig waar te nemen.


Op grond van het voorgaande is - onder meer - vastgesteld dat verdachte ten tijde van het ongeval met 1,5 promille alcohol in zijn bloed, uiterst rechts - derhalve over de rode fietsstrook - over de Dedemsvaartseweg-Noord reed met 50 kilometer per uur, en dat hij daarbij onvoldoende heeft opgelet om ander verkeer tijdig waar te nemen. De rechtbank zal in het navolgende beoordelen hoe deze feiten juridisch moeten worden geduid.


Opzet op de dood, respectievelijk zwaar lichamelijk letsel

Onder 1 primair en 2 primair is doodslag, respectievelijk poging tot doodslag, tenlastegelegd. Voor een bewezenverklaring van deze feiten moet telkens komen vast te staan dat verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer. Bij opzettelijk handelen gaat het in de kern om gedrag waarbij een verdachte aan een bepaald gevolg heeft gedacht en dit ook heeft gewild.


De rechtbank overweegt dat het op basis van het dossier niet aannemelijk is dat verdachte doelbewust is ingereden op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Van opzet in juridische zin kan voorts ook sprake zijn indien een verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een bepaald gevolg - in dit geval: de dood - intreedt, ook wel genoemd voorwaardelijk opzet op de dood. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het hierboven vastgestelde rijgedrag van verdachte onder de gegeven omstandigheden niet worden afgeleid dat hij de aanmerkelijke kans op een ongeval met dodelijke afloop bewust heeft aanvaard. Bij dat oordeel speelt onder meer een rol dat verdachte geen personen op of langs de weg heeft gezien. Hij meende kennelijk dat de weg vrij was en heeft, verkerend in die veronderstelling, uiterst rechts gereden, waarbij niet is vast komen te staan dat hij te hard heeft gereden. Dat verdachte met drank op achter het stuur zat maakt dit oordeel niet anders.

De rechtbank overweegt dat hetzelfde geldt ten aanzien van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde, nu uit het rijgedrag van verdachte evenmin kan worden afgeleid dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op een ongeval waarbij [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

De rechtbank zal daarom, conform het standpunt van de officier van justitie en de raadsman, verdachte vrijspreken van het onder 1 primair en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde.


Schuld

Onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair is, kortgezegd, tenlastegelegd dat verdachte schuld heeft aan het ongeval, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] is overleden en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Bij schuld gaat het in de kern om verwijtbaar onvoorzichtig gedrag, zonder dat de gevolgen daarvan zijn gewild. De schuld is in verschillende bewoordingen in de tenlastelegging opgenomen, variërend in zwaarte van roekeloos tot onachtzaam rijgedrag.


De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Voor het oordeel dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, moet in ieder geval komen vast te staan dat sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Volgens vaste jurisprudentie moeten daarbij worden gewogen het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst van de verkeersovertreding(en) en voorts de omstandigheden waaronder die overtreding(en) is of zijn begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de

Wegenverkeerswet 1994.

Voor de schuldvorm "roekeloosheid" geldt hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als "de zwaarste vorm van het schulddelict" wordt aangemerkt. Deze vorm van schuld heeft in de wet onder meer tot een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf geleid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal volgens bestendige rechtspraak slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" - in de betekenis van "onberaden" - wordt verstaan.


De rechtbank heeft hierboven reeds vastgesteld hoe het rijgedrag van verdachte ten tijde van het ongeval is geweest en onder welke omstandigheden dit heeft plaatsgevonden. Evenals de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat voormeld rijgedrag, gelet op vaste jurisprudentie, waarin is bepaald dat het, kortgezegd, moet gaan om “extreem” rijgedrag, niet kan worden aangemerkt als roekeloosheid in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.


Wél acht de rechtbank op grond van het hiervoor vastgestelde rijgedrag, te weten het uiterst rechts rijden over de fietsstrook, waar verdachte bedacht moest zijn op de aanwezigheid van andere verkeersdeelnemers, in combinatie met het rijden onder invloed van alcohol, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat daarbij sprake is geweest van zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag. Daaraan doet niet af dat [slachtoffer 2] zich met de kinderwagen, zoals uit diverse verklaringen is gereconstrueerd, gedeeltelijk op de oprit van nummer [huisnummer] en gedeeltelijk op de fietsstrook heeft bevonden. Verdachte wordt aangerekend dat hij hen niet tijdig heeft waargenomen en niet tijdig heeft gereageerd en gehandeld teneinde een aanrijding te voorkomen, hetgeen, zo blijkt uit de resultaten van de gehouden reconstructie, mogelijk moet zijn geweest. De rechtbank gaat er van uit dat de aanwezigheid van alcohol in het bloed van verdachte een vertragende rol in de reactiesnelheid gespeeld zal hebben.


Overweging met betrekking tot het in de dagvaarding met parketnummer 08.955105.15 ten laste gelegde.

De rechtbank stelt op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] vast dat verdachte is doorgereden na het ongeval en aldus de plaats van het ongeval heeft verlaten. De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen.






4.3

Het oordeel van de rechtbank


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte in de dagvaarding met parketnummer 08.760046.15 onder 1 primair en 2 primair en subsidiair is tenlastegelegd en zal hem daarvan vrijspreken.


De navolgende bewezenverklaring steunt op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. De rechtbank overweegt dat ten aanzien van het bewezenverklaarde sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom in de bijlage van dit vonnis ten aanzien van deze feiten volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het in de dagvaarding met parketnummer 08.760046.15 onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair tenlastegelegde en het in de dagvaarding met parketnummer 08.955105.15 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


Parketnummer 08.760046.15


1. subsidiair:

hij op 12 maart 2015, te Lutten, in de gemeente Hardenberg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Mercedes), daarmede rijdende over de Dedemsvaartseweg-Noord, komende uit de richting van Lutten centrum en gaande in de richting van Dedemsvaart, zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,


terwijl hij toen dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek 1,50 milligram bleek te zijn,


daarbij niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg en het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en


daarbij geen, althans onvoldoende rekening heeft gehouden met andere weggebruikers/ voetgangers, en


daarbij een aldaar aan de (gezien zijn, verdachtes, rijrichting) rechterkant van die weg deels op de rode voetgangers-/fietsstrook en deels op de oprit van de woning met huisnummer [huisnummer] lopende/stilstaande voetganger met kinderwagen, niet tijdig heeft waargenomen, en


vervolgens zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate heeft verminderd en/of aangepast aan de situatie en/of plaatselijke omstandigheden, en


daarbij in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, en

vervolgens aldaar aan de rechterkant van die weg is gebotst tegen, die voetganger en de kinderwagen (met daarin gelegen baby [slachtoffer 1] ), door welke aanrijding de kinderwagen meters verderop in de berm terecht is gekomen en [slachtoffer 1] uit de kinderwagen werd geslingerd,


en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten baby [slachtoffer 1] werd gedood,


terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;


2 meer subsidiair:

hij op 12 maart 2015, te Lutten, in de gemeente Hardenberg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Mercedes), daarmede rijdende over de Dedemsvaartseweg-Noord, komende uit de richting van Lutten centrum en gaande in de richting van Dedemsvaart, zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,


terwijl hij toen dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek 1,50 milligram, in elk geval aanzienlijk hoger dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn,


daarbij niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg en het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en


daarbij geen, althans onvoldoende rekening heeft gehouden met andere weggebruikers/ voetgangers, en


daarbij een aldaar aan de (gezien zijn, verdachtes, rijrichting) rechterkant van die weg deels op de rode voetgangers-/fietsstrook en deels op de oprit van de woning met huisnummer [huisnummer] lopende/stilstaande voetganger met kinderwagen, niet tijdig heeft waargenomen, en


vervolgens zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate heeft verminderd en/of aangepast aan de situatie en/of plaatselijke omstandigheden, en


daarbij in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, en


vervolgens aldaar aan de rechterkant van die weg is gebotst tegen, die voetganger en de kinderwagen (met daarin gelegen baby [slachtoffer 1] ), door welke aanrijding de kinderwagen meters verderop in de berm terecht is gekomen en [slachtoffer 1] uit de kinderwagen werd geslingerd,


en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer 2] , zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht,


terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;


Parketnummer 08.955105.15


hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden te Lutten, gemeente Hardenberg, op/aan de Dedemsvaartseweg-Noord, op 12 maart 2015 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander letsel en/of schade was toegebracht.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, en zal hem daarvan zal vrijspreken.


5De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 6 juncto 175 en 7 van de Wegenverkeerswet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


Parketnummer 08.760046.15


feit 1 subsidiair:

het misdrijf: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;


feit 2 meer subsidiair:

het misdrijf: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;


Parketnummer 08.955105.15


het misdrijf: Overtreding van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994.


6De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.







7De op te leggen straf of maatregel


7.1

De gronden voor een straf of maatregel


Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt door onder invloed van alcohol zijn auto te besturen, rechts gedeeltelijk over een fietsstrook te blijven rijden en daarbij onvoldoende op te letten, waardoor hij niet tijdig [slachtoffer 2] met de kinderwagen met daarin [slachtoffer 1] heeft waargenomen en deze heeft aangereden. Hij is, hoewel hij zich realiseerde dat hij “iets had geraakt”, na het ongeval doorgereden zonder zich kenbaar te maken of eerste hulp te bieden. Ten gevolge van het ongeval is de toen pas vijf weken oude [slachtoffer 1] vrijwel direct aan zijn ernstige verwondingen overleden en heeft diens vader [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het leed dat verdachte de nabestaanden van [slachtoffer 1] heeft aangedaan is onbeschrijflijk groot en onherstelbaar, zoals ook in de slachtofferverklaringen van de moeder, vader en opa's en oma van [slachtoffer 1] tot uitdrukking is gebracht.


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. In het bijzonder neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte heeft ten tijde van het ongeval zijn auto bestuurd met driemaal de maximaal toegestane hoeveelheid alcohol in zijn bloed, hetgeen al een fors misdrijf is. Het is algemeen bekend dat de concentratie en de reactietijd door het gebruik van alcohol negatief worden beïnvloed. Verdachte meende kennelijk toch te kunnen gaan rijden, terwijl uit verklaringen van verschillende getuigen die verdachte op 12 maart 2015 in café [café] hebben gezien het beeld naar voren komt dat verdachte bij het verlaten van dat café onvast ter been was en niet meer in staat kon worden geacht een auto te besturen. Dat verdachte toch in zijn auto is gestapt, is des te kwalijker nu verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 augustus 2015 in het verleden voor meerdere verkeersmisdrijven is veroordeeld, waaronder zeven maal voor rijden onder invloed van alcohol. Bij die veroordelingen is aan verdachte onder meer een cursus opgelegd over het omgaan met alcohol en daarnaast zijn voor die feiten forse straffen aan hem opgelegd. Ten tijde van het ongeval bevond verdachte zich nog in de proeftijd van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van een maand en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaren. Blijkbaar heeft verdachte niet geleerd van de sancties in het verleden en heeft de voorwaardelijke straf die hem nog boven het hoofd hing verdachte er niet van weerhouden om opnieuw onder invloed van alcohol een auto te gaan besturen. In combinatie met het uiterst rechts blijven rijden op een fietsstrook en het daarbij onvoldoende opletten op overig verkeer, heeft dat geleid tot zeer onvoorzichtig rijgedrag. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.


De rechtbank heeft acht geslagen op een rapportage Pro Justitia, bevattende psychologisch onderzoek betreffende verdachte, opgemaakt door N. van der Weegen, GZ-psycholoog,

d.d. 15 juli 2015. Uit dit rapport komt naar voren dat bij verdachte geen sprake is van alcoholverslaving en evenmin van andere stoornissen die zijn gedrag hebben beïnvloed ten tijde van het ongeval. De rechtbank zal het daarop gebaseerde advies van de psycholoog overnemen en verdachte volledig toerekeningsvatbaar achten voor de bewezenverklaarde feiten.


De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk overleg vakinhoud strafrecht. Gezien de aanmerkelijke verkeersfout, de hoeveelheid alcohol die verdachte in zijn bloed had en de gevolgen die dat voor beide slachtoffers heeft gehad, is een langdurige vrijheidsbenemende straf aangewezen. De rechtbank weegt de hiervoor beschreven recidive van verdachte daarin als sterk strafverzwarende factor mee. In de negatieve berichtgeving over verdachte in de media voorafgaand aan de strafzaak, ziet de rechtbank geen grond om de op te leggen straf te matigen. Het is verdachte zelf die meerdere malen is veroordeeld voor rijden onder invloed. Dat dit rijgedrag heeft gezorgd voor een gekleurd beeld van verdachte in de media dient voor zijn eigen rekening te komen. Anders dan het reclasseringsadvies, dat voorafgaand aan voornoemd psychologisch rapport tot stand is gekomen, ziet de rechtbank geen aanleiding om een gedeelte van de straf voorwaardelijk op te leggen, nu bij verdachte geen stoornis is vastgesteld die - in het kader van te stellen voorwaarden - behandeling behoeft.


Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van tien jaren. De rechtbank is van oordeel dat de maximale rijontzegging aan verdachte moet worden opgelegd, gelet op de eerdere veroordelingen voor het rijden onder invloed, ook in de afgelopen vijf jaren voorafgaande aan de feiten van 12 maart 2015, waarbij verdachte zelfs nog in een proeftijd van een ontzegging van de rijbevoegdheid liep. Een kortere rijontzegging, zoals geëist door de officier van justitie, doet geen recht aan het hardnekkig negeren van deze waarschuwingen.


8De vordering na voorwaardelijke veroordeling


Bij onherroepelijk geworden vonnis van 27 november 2012, gewezen door de politierechter te Zwolle-Lelystad, is verdachte veroordeeld tot - voor zover hier van belang – een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaar, beide met een proeftijd van drie jaren. Ter terechtzitting van 15 september 2015 heeft de officier van justitie gepersisteerd bij de op 25 augustus 2015 ingediende vordering, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.De hiervoor bewezenverklaarde feiten zijn door de verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd. De rechtbank zal op grond daarvan en gelet op het bepaalde in artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht de vordering tot tenuitvoerlegging toewijzen.


9De inbeslaggenomen voorwerpen


De rechtbank zal het inbeslaggenomen voorwerp op de beslaglijst, te weten een personenauto, merk Mercedes-Benz E320 cdi, kleur grijs, verbeurdverklaren, omdat met betrekking tot dit voorwerp de bewezenverklaarde feiten zijn begaan.


10De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 27, 33, 33a, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.


11De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

verklaart niet bewezen dat verdachte het in de dagvaarding met parketnummer 08.760046.15

  • - onder 1 primair en 2 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
  • - verklaart bewezen dat verdachte het in de dagvaarding met parketnummer 08.760046.15 onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair en het in de dagvaarding met parketnummer 08.955105.15 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren;
  • - bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
  • - legt op een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van tien jaren.
  • - bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip waarop de bijkomende straf ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die straf geheel in mindering wordt gebracht.

de inbeslaggenomen voorwerpen

- verklaart verbeurd het op de beslaglijst vermelde goed, te weten een personenauto, merk Mercedes-Benz E320 cdi, kleur grijs;


tenuitvoerlegging vonnis met parketnummer 08.760046.15

- gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van 27 november 2012, te weten een gevangenisstraf voor de duur van één maand en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren.


Dit vonnis is gewezen door mr. F. van der Maden, voorzitter, mr. B.T.C. Jordaans en

mr. E. Leentjes, rechters, in tegenwoordigheid van D.D. Drost, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2015.


Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina's uit het dossier van de Politie Eenheid Oost-Nederland, District IJsselland met registratienummer PL0600-2015124319. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


Parketnummer 08.760046.15, ten aanzien van 1 subsidiair en 2 meer subsidiair

1. Een proces verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] .


2. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] .


3. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 september 2015, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.


4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] .


5. Een proces-verbaal van aanhouding verdachte [verdachte] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] .


6. Een schriftelijk stuk, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, betreffende "Alcohol in het verkeer."


7. Een schriftelijk stuk, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, betreffende een "Herberekening bloedalcoholgehalte."


8. Een proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, opgemaakt d.d. 18 augustus 2015 door verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] .


9. Een proces-verbaal Reconstructie, opgemaakt d.d. 4 augustus 2015 door verbalisant [verbalisant] , inclusief bijlagen.


10. Een proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 2] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] .


11. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , opgemaakt door verbalisant [verbalisant] .


12. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] .


13. Een schriftelijk stuk, bevattende een vaststelling van overlijden [slachtoffer 1] , opgemaakt d.d. 12 maart 2015 door G.M.N. de Rooij, als arts verbonden aan het Mobiel Medisch Team van het Universitair Medisch Centrum Groningen.


14. Een schriftelijk stuk, bevattende een letselrapportage betreffende [slachtoffer 2] , opgemaakt d.d. 10 april 2014 door S.J.Th. van Kuijk, forensisch arts.


Parketnummer 08.955105.15

1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 september 2015, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.


2. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , opgemaakt door verbalisanten

[verbalisant] en [verbalisant] .


3. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , opgemaakt door verbalisant [verbalisant] .


1 Pagina 20-21.
2 Pagina 22-23.
3 Proces-verbaal ter terechtzitting van 15 september 2015.
4 Pagina 91-97.
5 Pagina 9-10.
6 Pagina 30.
7 Pagina 34-38.
8 Als losse bijlage aan het dossier toegevoegd proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, met BVH-nummer 2015-124319.
9 Als losse bijlage aan het dossier toegevoegd proces-verbaal Reconstructie, met BVH-nummer 2015124319.
10 Pagina 102-106.
11 Pagina 126-128.
12 Pagina 135-137.
13 Pagina 70.
14 Pagina 74-84.
15 Proces-verbaal ter terechtzitting van 15 september 2015.
16 Pagina 135-137.
17 Pagina 126-128.