Rechtbank Overijssel, 30-09-2015 / AWB 15/562


ECLI:NL:RBOVE:2015:4482

Inhoudsindicatie
Planschade in Zuidveen, gemeente Steenwijkerland, terecht toegekend.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-09-30
Publicatiedatum
2015-10-01
Zaaknummer
AWB 15/562
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 15/562


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te Zuidveen, eiser,

gemachtigde: mr. M.F.J. Gelissen,


en


het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland, verweerder.


Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde partij] , te Wapserveen,

gemachtigde: mr. E. Wiarda.



Procesverloop


Bij besluit van 27 mei 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de op 18 juni 2013 namens eiser ingediende aanvraag om tegemoetkoming in de schade ex artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) vanwege de vaststelling van het op 8 augustus 2012 in werking getreden bestemmingsplan “Zuidveen, Zuidveenseweg” toegekend door aan hem een tegemoetkoming in de planschade te verstrekken van € 10.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente van € 294,25. Ook is het wettelijke recht ad € 300,-- terugbetaald.


Bij besluit van 29 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van zowel eiser als de derde-partij ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het beroep is gevoegd behandeld met het beroep van de derde-partij, geregistreerd onder nummer 15/544, ter openbare zitting van 19 augustus 2015. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. L. Bouma en L. van Dalen.

De derde-partij is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde


Na de zitting zijn de beroepen weer gesplitst voor het doen van uitspraak.


Overwegingen


1. Op 3 mei 1994 heeft eiser het perceel aan de [adres] te Zuidveen in eigendom verkregen door dit aan te kopen van de derde partij. Op de ten zuiden van dit perceel liggende gronden was ten tijde van het verkrijgen van de eigendom door de derde partij het bestemmingsplan “Zuidveen” van toepassing en nadien het bestemmingsplan “Steenwijk-West”.

Voor de ten zuiden van genoemd perceel gelegen gronden is op 29 mei 2012 het bestemmingsplan “Zuidveen, Zuidveenseweg” vastgesteld, welk bestemmingsplan op

8 augustus 2012 in werking is getreden en onherroepelijk is geworden. Ter zake van laatstgenoemd bestemmingsplan heeft verweerder met de derde-partij een verhaalsovereenkomst tegemoetkoming planschade gesloten.


Eiser stelt ten gevolge van dat laatste bestemmingsplan planschade te lijden en heeft daartoe een aanvraag om tegemoetkoming in de schade ex artikel 6.1 van de Wro ingediend.


Verweerder heeft aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) opdracht gegeven om advies uit te brengen over de aanvraag van eiser.

In april 2014 heeft de SAOZ advies uitgebracht aan verweerder, nadat partijen de gelegenheid hadden gehad om hun zienswijze ten aanzien van het conceptadvies in te dienen.


Bij besluit van 27 mei 2014 heeft verweerder de aanvraag toegewezen en aan eiser een tegemoetkoming in de planschade verstrekt van € 10.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente van € 294,25.

Na door eiser en de derde partij gemaakte bezwaren en gehoord de derde partij ter hoorzitting van 22 september 2014, is de derde partij in de gelegenheid gesteld een contra-expertise in te dienen. Na een reactie van de derde partij heeft de SAOZ op

21 oktober 2014 een nader advies uitgebracht.

Vervolgens zijn partijen nogmaals gehoord op 24 november 2014, waarna de commissie bezwaarschriften van de gemeente Steenwijkerland advies heeft uitgebracht.


Bij het thans bestreden besluit van 13 januari 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


2. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kennen burgemeester en wethouders

degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een

onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde

oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor

rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet

voldoende anderszins is verzekerd.


Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, is een oorzaak, als

bedoeld in het eerste lid, een bepaling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende

schade voor rekening van de aanvrager.


Ingevolge artikel 6.3, aanhef en onder a, betrekken burgemeester en wethouders met

bij hun beslissing op de aanvraag in ieder geval de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak.


3. Eiser voert kort weergegeven aan dat ten onrechte wegens normaal maatschappelijk

risico een korting van 50% is toegepast op het berekende schadebedrag

wegens normaal maatschappelijk risico en dat niet is voldaan aan de zwaardere

motiveringseisen die voor een dergelijk percentage gelden.


4.1

De rechtbank heeft bij uitspraak van heden het beroep van de derde partij tegen het

bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank verwijst kortheidshalve naar de inhoud

van die uitspraak voor hetgeen eiser tegen de vastgestelde schadevergoeding heeft

ingebracht en acht de van belang zijnde overwegingen die daaraan zijn gewijd ingevoegd in

deze uitspraak.


4.2

Naar aanleiding van hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd overweegt de rechtbank

daarbij, onder verwijzing naar genoemde uitspraak van heden, als

volgt.


De rechtbank is in het kader van de toetsing van de vraag of de schade binnen het normaal

maatschappelijk risico valt van oordeel dat eiser ten tijde van de aankoop

ernstig rekening kon houden met de planologische ontwikkeling die zich inmiddels heeft

voorgedaan.

In dat verband heeft de SAOZ er in zijn advies terecht op gewezen dat inbreiding van

woningen in de bebouwde kom in zijn algemeenheid is aan te merken als een normale

maatschappelijke ontwikkeling, waarmee eiser rekening had kunnen

houden.

Verder heeft de SAOZ gemeld dat, gelet op de structuur van de omgeving, zijnde een gebied dat overwegend uit vrijstaande en halfvrijstaande woningen bestaat, de nieuwe ontwikkeling zelfs als een zeer logische invulling van een open plek in het bebouwingslint kan worden beschouwd en mede gezien de aard en omvang van de nieuwe woningen ter plaatse in redelijkheid als passend kan worden aangemerkt. In dit kader acht de rechtbank voorts van belang dat voor eiser ook een bestemmingsplanwijziging heeft plaatsgevonden, waarbij is gewezen op precedentwerking. Verder duidde de huisnummering er op dat de mogelijkheid van meer woningen werd opengehouden.


De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat de planologische ontwikkeling in de

lijn der verwachtingen lag in dit specifieke geval niet betekent dat de gevolgen van die

ontwikkeling volledig onder het maatschappelijke risico vallen. De Afdeling heeft in dit licht

overwogen, dat onder omstandigheden ook in een zodanig geval sprake kan zijn van schade, die dusdanig hoog is, dat sprake is van onevenredige schade die voor vergoeding in aanmerking komt (zie ABRvS 9 april 2014, ECLI;NL:RVS:2014:1198, BR 2014/73 en ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4668).


Verweerder heeft de vaststelling van het normale maatschappelijke risico onder verwijzing

naar het advies van de SAOZ naar het oordeel van de rechtbank naar behoren gemotiveerd,

door daarbij de zeer korte afstand, de impact van de ontwikkeling op het woon- en

leefklimaat van de derde partij en de hoogte van de schade te betrekken. Ook is voldoende

meegewogen en op goede gronden zwaarwegend geacht de zeer logische invulling van de

open plek in het bebouwingslint lang de Zuidveenseweg.


5. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.


6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.







Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, rechter, in aanwezigheid van

M.W. Hulsman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op




griffier rechter





Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.