Rechtbank Overijssel, 13-10-2015 / 08/770036-15


ECLI:NL:RBOVE:2015:4603

Inhoudsindicatie
De rechtbank Overijssel veroordeelt een 42-jarige man tot een voorwaardelijke celstraf van 4 maanden en een proeftijd van 3 jaar met bijzondere voorwaarden wegens ontucht met een minderjarige jongen in Almelo in 2013.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-10-13
Publicatiedatum
2015-10-13
Zaaknummer
08/770036-15
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Almelo


Parketnummer: 08/770036-15

Datum vonnis: 13 oktober 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak (art. 279 Sv) van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1973 in [geboorteplaats] ,

verblijvende in [woonplaats] .


1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 september 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.Y. Huang en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. D.P. Kant, advocaat te Goor, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , die toen nog geen zestien jaar oud was:


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2013 tot 01 september 2013 te

Almelo, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1999, die toen de leeftijd van

zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten:

-het aan die [slachtoffer] vragen en/of verzoeken om zijn broek naar beneden

te trekken en/of (daarbij) zijn geslachtsdeel aan hem, verdachte, te tonen

en/of (vervolgens)

-zijn, verdachtes, (deels stijve) geslachtsdeel en/of schaamstreek aan die

[slachtoffer] te tonen;


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest en een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren, met reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde en oplegging van de voorwaarden zoals die zijn opgenomen in het reclasseringsadvies van 17 september 2015.

Verder vordert de officier van justitie toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot het gevorderde bedrag van € 1.027,72, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5. De beoordeling van het bewijs


5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging


Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de verklaringen van [slachtoffer] , de getuige [getuige] en verdachte, wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte in de ten laste gelegde periode ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] .


Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op standpunt gesteld dat verdachte van het hem tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, nu de ten laste gelegde periode niet kan worden bewezen en de door verdachte verrichte handelingen, voor zover bewezen, niet als ontuchtig zijn te beschouwen.


5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


[slachtoffer] heeft op 17 oktober 2014, zakelijk weergegeven, als volgt verklaard.

Op een geven moment zijn [getuige] en ik naar het huis van [verdachte] gegaan. [verdachte] vroeg mij toen of ik mijn broek naar beneden wilde trekken. Nadat wij porno hadden gekeken vroeg [verdachte] mij of ik de mijne aan hem wilde laten zien. [verdachte] vroeg dat een paar keer aan mij. Op het laatst zei hij tegen mij: “Laat zien”.


De getuige [getuige] heeft op 17 oktober 2014, zakelijk weergegeven, als volgt verklaard.

Niet heel lang geleden heeft [verdachte] , [slachtoffer] en mij bij hem thuis uitgenodigd. Ik zat toen in de tweede klas en ik zit nu in de derde. Op het moment dat wij binnen waren heeft hij een pornofilm aangezet en wou hij onze genitaliën zien. Ik ben twee keer in het huis van [verdachte] geweest. De eerste keer dat ik bij [verdachte] was, was volgens mij vorig jaar in 2013. Ik ben er daarna met [slachtoffer] geweest. We hebben daar op de bank gezeten en toen vroeg hij ons om onze genitaliën te laten zien. Toen liet hij een stukje van het begin van zijn piemel zien, daar waar je piemel aan het lichaam vast zit. Hij deed de broek een beetje naar beneden om zijn schaamhaar te laten zien.


Verdachte heeft op 10 en 11 februari 2015, zakelijk weergegeven, als volgt verklaard.

[getuige] en [slachtoffer] zijn een keer bij mij thuis geweest. [slachtoffer] was denk ik 14 jaar oud. Het moet twee jaar geleden zijn, met de wielerronde in augustus.

[slachtoffer] heeft op een gegeven moment zijn piemel laten zien. Ik heb mijn broek wel naar beneden gedaan. Het gesprek kwam op schaamhaar. Ik liet zien dat ik geen schaamhaar had. Toen heb ik gevraagd of zij schaamhaar hadden en of zij het ook wilden laten zien . Ik heb mijn schaamstreek laten zien.


Op basis van vorenstaande verklaringen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met [slachtoffer] de hierna in de bewezenverklaring beschreven handelingen heeft gepleegd .

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat die handelingen, gelet op de omstandigheden waaronder en de sfeer waarin die handelingen zijn gepleegd, als ontuchtig in de zin van artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht moeten worden aangemerkt. Door in een woning waarvan de gordijnen gesloten waren, jongens van 13 en 14 jaar oud, een pornofilm te tonen en met hen seksueel getinte gesprekken te voeren en door met zijn hand achter de broek aan zijn geslachtsdeel te zitten, heeft verdachte een sfeer gecreëerd waarvan gezegd kan worden dat met zijn handelingen van seksuele aard een sociaal-ethische norm wordt overschreden.


Met betrekking tot de periode waarin het feit is gepleegd gaat de rechtbank uit van de verklaring van de getuige [getuige] en die van verdachte. Beiden verklaren dat de jongens op of omstreeks de wielerronde in Almelo in de woning van verdachte geweest zijn. Verdachte verklaart in 2015 dat het twee jaar geleden moet zijn geweest, met de wielerronde in augustus en [getuige] heeft verklaard dat het in 2013 is geweest. Hij zat toen volgens eigen zeggen in de tweede klas en nu in de derde klas.


5.3

De conclusie


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij in de periode van 1 juli 2013 tot 1 september 2013 te Almelo, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1999, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten:

-het aan die [slachtoffer] vragen en/of verzoeken om zijn broek naar beneden

te trekken en zijn geslachtsdeel aan hem, verdachte, te tonen en

-zijn, verdachte’s, schaamstreek aan die [slachtoffer] te tonen.


De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 247 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.


Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.


8De op te leggen straf of maatregel


8.1

De gronden voor een straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte heeft met zijn seksueel grensoverschrijdende gedrag het vertrouwen dat een minderjarige in een volwassene moet kunnen hebben, beschaamd. Verder heeft hij met zijn gedragingen de belangen van het slachtoffer ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen behoeften en lustgevoelens. De ervaring leert dat slachtoffers van zedendelicten nog jarenlang kunnen lijden aan vooral de psychische gevolgen van dergelijke feiten, zoals gevoelens van angst en onveiligheid. Het dient verdachte ernstig te worden aangerekend dat hij daar kennelijk geheel aan voorbij is gegaan. Dat het feit voor het slachtoffer negatieve gevolgen heeft gehad blijkt wel uit de door hem opgestelde schriftelijke slachtofferverklaring.

Op feiten als deze dient, naar het oordeel van de rechtbank, in principe gereageerd te worden met een straf in orde van grootte als door de officier van justitie gevorderd. Gelet echter op de ter terechtzitting gebleken persoonlijke omstandigheden van verdachte zal de rechtbank volstaan met een geheel voorwaardelijke vrijheidsstraf met voorwaarden, teneinde verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst andermaal aan zedenmisdrijven schuldig te maken.

Met betrekking tot die persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank in het bijzonder in aanmerking genomen, de negatieve en ingrijpende gevolgen van het feit voor verdachte en zijn bereidheid er alles aan te doen om herhaling in de toekomst te voorkomen. Verdachte is zijn baan en woning kwijtgeraakt en zijn huwelijk is geëindigd. Daar komt bij dat een terugkeer naar Almelo voor hem onmogelijk wordt gemaakt. Verdachte heeft het kwalijke van zijn handelen ingezien en gedurende zes maanden in een gesloten setting verbleven. Hij heeft aangegeven zich ook aan een ambulante vervolgbehandeling te zullen onderwerpen. Een begeleidingscontact/verplicht reclasseringscontact wordt aanbevolen door de GZ-psycholoog J.M. de Jonge, die over verdachte heeft gerapporteerd. In de Pro Justitia-rapportage geeft deze psycholoog aan dat er bij verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, maar dat er wel factoren zijn die het functioneren en het maken van gedragskeuzes van/door verdachte sterk beïnvloeden. Sociale behoeften en ook seksuele behoeften versus zijn (sociale) angsten/vaardigheden en stilgehouden biseksualiteit maken dat er een innerlijke strijd in verdachte ontstaat die hij zelf moeilijk kan hanteren en die enigszins verlicht wordt door contact met jongens. Op grond daarvan acht de psycholoog verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare. Verder constateert de rechtbank dat verdachte blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie, afgezien van een veroordeling in 1993 ter zake een zedendelict, niet vaker met justitie in aanraking is geweest. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden, met na te melden bijzondere voorwaarden dient te worden opgelegd. De rechtbank zal de duur van de proeftijd, anders dan de officier van justitie die vijf jaren heeft gevorderd, drie jaren doen zijn, nu, naar het oordeel van de rechtbank, deze duur voldoende waarborgen biedt voor een juiste invulling van de voorwaarden en de naleving ervan.


9De schade van benadeelden


9.1

De vordering van de benadeelde partij


[slachtoffer] wonende te [adres] , ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.M. Breukink, advocaat te Arnhem, heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1.027,72, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • - reiskosten: € 2,72;
  • - telefoonkosten: € 25,00;
  • - immateriële schade: € 1000,00.

Dit is gevorderd als “voorschot”. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelde partij behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.


Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 1.027,72, te verhogen met de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.


9.2

De schadevergoedingsmaatregel


De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.



10De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 27 Sr.

11De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen

plegen.

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;


straf

  • - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;
  • - bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;- omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd (één van) de onderstaande bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich na ingang van de proeftijd meldt bij de reclassering Nederland op het adres Molenstraat 50, 7514 DK Enschede;
  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zal deelnemen aan een intake en een daaruit voortkomend poliklinisch/ambulant behandeltraject bij Transfore, poli- en dagkliniek De Tender, of soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering in overleg met de behandelaar;
  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zal meewerken aan een plaatsing bij het Leger des Heils of soortgelijke instelling die kan voorzien in sociale opvang;
  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zijn toekomstige woonplaats kiest na overleg en met toestemming van de reclassering en niet van woonplek verandert anders dan na overleg en met toestemming van de reclassering;
  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde, indien de reclassering zulks nodig acht, zal meewerken aan de controle van zijn computer en mobiele telefoon door de politie;
  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde open en transparant zal zijn over zijn gedachten en gevoelens en ontwikkelingen in zijn leven en tijdig de risicofactoren bespreekt.;
  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland;
  • - draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;


schadevergoeding

  • - veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , wonende te [adres] , van een bedrag van € 1.027,72, (éénduizend zevenentwintig euro en tweeënzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 september 2013;
  • - veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
  • - legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.027,72 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 20 dagen zal worden toegepast;
  • - bepaalt dat, als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;


Dit vonnis is gewezen door mr. C.C.S. Koppes, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. S.K. Huisman, rechters, in tegenwoordigheid van P.G.M. Klaassen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2015.


1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland, met nummer PL0600-2015068691 van 24 maart 2015. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2 Proces-verbaal van verhoor getuige van [slachtoffer] van 17 oktober 2014, pagina 61.
3 Proces-verbaal van verhoor getuige van [slachtoffer] van 17 oktober 2014, pagina 64.
4 Proces-verbaal van verhoor getuige van [getuige] van 17 oktober 2014, pagina’s 50 t/m 52.
5 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 10 februari 2015, pagina 82 en 83.
6 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 11 februari 2015, pagina 95.
7 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 11 februari 2015, pagina 101.
8 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 11 februari 2015, pagina 102.
9 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 11 februari 2015, pagina 105.