Rechtbank Overijssel, 16-10-2015 / 08/770123-14


ECLI:NL:RBOVE:2015:4670

Inhoudsindicatie
Verdachte is ten laste gelegd dat hij ontucht zou hebben gepleegd met zijn minderjarige stiefdochter. De rechtbank acht het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-10-16
Publicatiedatum
2015-10-16
Zaaknummer
08/770123-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Almelo


Parketnummer: 08/770123-14

Datum vonnis: 16 oktober 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1972 te [geboorteplaats] (Indonesië),

wonende in [woonplaats] , [adres] .


1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 26 juni 2015 en 2 oktober 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.Y. Huang en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. J.W. Bosman, advocaat te Almelo, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


feit 1: ontuchtige handelingen heeft gepleegd die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] die toen de leeftijd van 12 jaren maar nog niet de leeftijd van zestien jaren had bereikt;

feit 2: ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige stiefdochter.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


1.


hij in of omstreeks periode van [geboortedag] 2009 tot [geboortedag] 2011 in de gemeente Almelo, (telkens) met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 1997, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte meermalen, althans éénmaal:

- zijn penis en/of vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/ gedrukt/ gebracht/ gehouden;


2.


hij in of omstreeks de periode van 14 december 2005 tot [geboortedag] 2011 in de gemeente Almelo (telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige stiefdochter, [slachtoffer] ,

geboren op [geboortedag] 1997, immer heeft/is hij, verdachte, meermalen, althans éénmaal:

- de borsten van die [slachtoffer] bevoeld/betast/aangeraakt en/of

- de broek en/of onderbroek, althans de kleren, van die [slachtoffer] naar beneden, althans uit getrokken en/of (vervolgens) op die [slachtoffer] gaan liggen en/of (vervolgens) zijn (al dan niet stijve) penis tegen de vagina, althans schaamstreek, van die [slachtoffer] geduwd/gedrukt/gehouden en/of

- die [slachtoffer] (al dan niet) op de mond gezoend/gekust en/of

- die [slachtoffer] getongzoend en/of

- zijn hand(en) op het/de bovenbe(e)n(en) (nabij de schaamstreek) van die [slachtoffer] gelegd/gehouden en/of (vervolgens) met een of meer vinger(s) (tegen) de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gedrukt en/of

betast/bevoeld/aangeraakt.


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de feiten 1 en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de door verdachte in verzekering doorgebrachte tijd. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de civiele vordering van de benadeelde partij toewijsbaar is tot het gevorderde bedrag van

€ 3.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toewijzing daarbij van de schadevergoedingsmaatregel.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De beoordeling van het bewijs


5.1

Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Aangeefster [slachtoffer] heeft uitgebreide en gedetailleerde verklaringen afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris. De moeder van [slachtoffer] bevestigt op diverse punten het relaas van [slachtoffer] , hetgeen maakt dat de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar is. Bovendien is steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer] mede gelegen in de verklaring van haar vriendin [getuige 1] en haar voormalig stiefmoeder, als ook de verklaring van docent [getuige 2] .


5.2

Het standpunt van de verdediging


De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het hele procesdossier dient te worden uitgesloten van het bewijs omdat er sprake is van een vormverzuim in de zin van art. 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gelet op het sturende optreden van verbalisanten en het buiten het dossier laten van ontlastende omstandigheden. Subsidiair voert de verdediging aan dat de verklaringen van [slachtoffer] moeten worden uitgesloten van het bewijs. Immers, uit de ontstaansgeschiedenis van de aangifte, de wijze van verklaren van [slachtoffer] en de inhoud van de aangifte blijkt/kan worden afgeleid dat er niets van klopt. De verhalen van [slachtoffer] zijn onwaarschijnlijk en bovendien is [slachtoffer] gestuurd door de zedenrecherche zonder dat dit is terug te lezen in het aanvankelijke onderzoekdossier. De verklaringen van [slachtoffer] zijn dus onbetrouwbaar en onrechtmatig. Nu verdachte de feiten bovendien stellig heeft ontkend dient vrijspraak te volgen.


5.3

De overwegingen van de rechtbank


Bewijsuitsluiting

Wat de door de verdediging bepleite bewijsuitsluiting betreft, overweegt de rechtbank dat bewijsuitsluiting als op grond van art. 359a, eerste lid Sv voorzien rechtsgevolg aan de orde kan komen, indien het bewijsmateriaal is verkregen door onrechtmatige bewijsgaring waarbij een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat van een dergelijke onrechtmatige bewijsgaring in de onderhavige strafzaak niet is gebleken, zodat van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a, eerste lid Sv geen sprake is. De rechtbank verwerpt daarom het verweer en stelt concluderend vast dat de naar aanleiding van onderzoek door de zedenrecherche verkregen bewijsmiddelen kunnen worden gebruikt voor het bewijs.


Overwegingen

De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat slechts twee personen aanwezig zijn bij de veronderstelde seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Wanneer dan de veronderstelde dader de seksuele handelingen ontkent, hetgeen ook in deze zaak het geval is, leidt dat er in veel gevallen toe dat slechts de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer als wettig bewijs beschikbaar zijn.


Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.


Vast staat dat aangeefster [slachtoffer] bij de politie en tegenover de rechter-commissaris uitgebreide en gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd waarin zij onder meer heeft verklaard dat ze van haar 9e tot haar 13e jaar seksueel is misbruikt door verdachte. [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte na de geboorte van haar broertje [broertje] af en toe bij haar op zolder sliep en daar meermalen ontuchtige handelingen met haar pleegde. [slachtoffer] was ten tijde van de geboorte van haar broertje 12 jaar. De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer] op zich niet ongeloofwaardig. Daar tegenover staat de stellige ontkenning van verdachte.


De rechtbank constateert dat het dossier weliswaar enkele verklaringen van getuigen bevat die mogelijkerwijs als steunbewijs voor de verklaring van aangeefster zouden kunnen dienen, maar deze verklaringen zijn met name gebaseerd op hetgeen hen door aangeefster is verteld en ondersteunen naar het oordeel van de rechtbank in onvoldoende overtuigende mate de kern van de tenlastegelegde feiten. De rechtbank acht derhalve het tenlastegelegde


niet wettig en overtuigend bewezen. Ander onafhankelijk en objectief bewijsmateriaal dat de verklaring van aangeefster zou kunnen ondersteunen, ontbreekt.


Gelet op het voorgaande dient verdachte van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten te worden vrijgesproken.


5.4

De conclusie


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


6De schade van benadeelden


6.1

De vordering van de benadeelde partij


[slachtoffer] , wonende te [woonplaats] , [adres] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 3.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de post: smartengeld.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.


De benadeelde partij dient in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, aangezien verdachte wordt vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.


7De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;


schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] , wonende te [woonplaats] aan de [adres] , niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.


Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. J. Wentink en

mr. C.C.S. Koppes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Krooshof, griffier,

en is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2015.


Buiten staat

Mr. Jordaans is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.