Rechtbank Overijssel, 20-10-2015 / ak_15 _ 1195


ECLI:NL:RBOVE:2015:4708

Inhoudsindicatie
Weigering handhavend op te treden tegen stalconstructie en overlast van pony's; zeer summier verslag van hoorzitting opgenomen in advies van bezwaarschriftencommissie; besluit evenmin gedragen door deugdelijke motivering; beroep gegrond.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-10-20
Publicatiedatum
2015-10-26
Zaaknummer
ak_15 _ 1195
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 15/1195


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1], te Deventer, eiser,

gemachtigde: mr. T.D. Rijs, advocaat te Zutphen,


en


het college van burgemeester en wethouders van Deventer, verweerder.



Procesverloop


Bij besluit van 17 november 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om handhavend op te treden tegen een stalconstructie en tegen overlast van pony’s op het perceel [perceel] Deventer.


Bij besluit van 11 december 2014 heeft verweerder een herhaald verzoek om handhaving van eiser afgewezen.


Bij besluit van 4 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen deze besluiten ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. T.D. Rijs. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M.G.M. Wolbrink-Meijerink.



Overwegingen


1. Eiser woont aan de [adres] te Deventer. Naast het perceel van eiser ligt

het perceel [perceel] Deventer. Dit perceel is eigendom van de gemeente Deventer. De huurster van de woning op dit perceel houdt achter haar woning twee pony’s. Achter de woning is een aanbouw gebouwd, die dienst doet als stal voor de pony’s. De aanbouw is aan de woning van eiser bevestigd. Achter de aanbouw ligt zand waarin de pony’s buiten kunnen rondlopen.


2.1

Eiser heeft verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen overlast die hij ondervindt vanaf het perceel [perceel] Deventer. Eiser stelt dat sprake is van stank, stofhinder en van geluidsoverlast die veroorzaakt wordt door de pony’s. Tevens is sprake van een gebrekkige afvoer van regenwater vanaf dit perceel en is de staat van onderhoud van de woning op dit perceel zeer slecht. De stal is een zeer gammele constructie die aan zijn woning is gebouwd. Hij vreest door wrikken en trekken van die constructie en door regenwater van de stal dat langs de muur loopt ernstige schade aan zijn eigen woning.


2.2

Verweerder heeft geweigerd om handhavend op te treden omdat niet gebleken is

dat sprake is van overtreding van een wettelijk voorschrift. Eiser heeft zijn stelling dat sprake is van overtreding van het Bouwbesluit onvoldoende gespecificeerd. Niet gebleken is dat sprake is van zodanige hinder dat verweerder op grond van het bepaalde in artikel 2:60 van de Algemene Plaatselijke Verordening van Deventer (hierna: APV) gehouden was om hiertegen op te treden.


3.1

Eiser stelt zich op het standpunt dat ten onrechte geen volledig verslag van de hoorzitting in bezwaar bij de stukken is gevoegd. Zo zijn antwoorden van de gemachtigde van eiser op vragen die tijdens de hoorzitting gesteld zijn niet vermeld. Verweerder had zich bij het nemen van het bestreden besluit niet op een dergelijk onvolledig verslag mogen baseren.


3.2

De rechtbank overweegt dat artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat van het horen een verslag wordt gemaakt. Zoals onder meer blijkt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 mei 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ4076) wordt met de in deze bepaling neergelegde verplichting

tot het maken van een verslag het maken van een schriftelijk verslag bedoeld. De enkele verwijzing naar een van de hoorzitting gemaakte geluidopname is niet in overeenstemming met deze bepaling. Dat in een gemeentelijke verordening is bepaald dat ook aan het bepaalde in artikel 7:7 van de Awb kan worden voldaan door het maken van een geluidopname kan niet afdoen aan de formeelwettelijke verplichting tot het maken van een schriftelijk verslag van het horen.


3.3

De rechtbank constateert dat in dit geval niet volstaan is met een verwijzing naar een geluidopname, maar dat een als zeer summier aangeduid verslag is opgenomen in het advies van de bezwaarschriftencommissie. Al hoewel het verslag geen woordelijke weergave hoeft te zijn van wat tijdens het horen gezegd is, mag van een verslag wel worden verwacht dat het een zakelijke weergave geeft van wat besproken is. Hieraan voldoet het in het advies van 1 mei 2015 neergelegde verslag niet. Zo geeft het verslag alleen weer wat namens verweerder is verklaard en niet wat namens eiser is verklaard behoudens een verwijzing naar de pleitnota. Dit klemt te meer, nu op pagina 3 van het advies gerefereerd wordt aan vragen die tijdens de hoorzitting aan de gemachtigde van eiser zijn gesteld, waarvan uit het verslag niets blijkt.

In zoverre heeft verweerder, door zich mede op dit verslag te baseren, dan ook gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 7:7 van de Awb.


4.1

De rechtbank stelt vast dat partijen van mening verschillen over de vraag in hoeverre eiser zijn verzoek om handhaving diende te onderbouwen en over de vraag hoe de ver de verplichting van verweerder om naar aanleiding van een verzoek om handhaving onderzoek te doen reikt.



4.2

De rechtbank overweegt over de bewijslast verdeling mede gelet op de artikelen

4:2, tweede lid, en 3.2 van de Awb dat als uitgangspunt geldt dat het op de weg ligt van degene die stelt dat sprake is van een overtreding van een bestuursrechtelijke norm om dit zo concreet mogelijk te onderbouwen en om aanknopingspunten voor onderzoek te bieden.


Als het handhavingsverzoek aanknopingspunten biedt op grond waarvan kan worden aangenomen dat mogelijk sprake is van een overtreding, dan ligt het op de weg van het bestuursorgaan om actief te onderzoeken of daarvan inderdaad sprake is. De onderzoeksplicht van een bestuursorgaan gaat niet zo ver dat dit gehouden zou zijn om ook zonder dat sprake is van concrete aanknopingspunten op grond waarvan kan worden aangenomen dat mogelijk sprake is van een overtreding dergelijk onderzoek te doen.


4.3

De rechtbank is, in het licht van de hiervoor genoemde uitgangspunten, van oordeel dat verweerder in voldoende mate heeft onderzocht of voor wat betreft de woning met aanbouw op het perceel [perceel] Deventer sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet. Uit het door verweerder verrichtte onderzoek is gebleken dat in bepaalde opzichten sprake is van matig onderhoud. Er zijn evenwel geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de woning met aanbouw niet langer voldoet aan de voorschriften voor bestaande bouw, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Woningwet. Verweerder was niet gehouden om naar aanleiding van het door eiser gedane handhavingsverzoek een volledig bouwkundig onderzoek met betrekking tot de woning en de daarbij behorende aanbouw te laten verrichten.


4.4

De omstandigheid dat de aanbouw aan de woning van eiser is gebouwd en zo aan deze woning is bevestigd dat mogelijk schade kan optreden is een privaatrechtelijke kwestie.


4.5

De rechtbank stelt voorop dat eiser de stelling dat sprake is van een brandonveilige situatie niet heeft aangevoerd in zijn inleidende verzoek om handhaving. Eerst in bezwaar heeft eiser naar voren gebracht dat hiervan sprake is. Naar aanleiding van deze stelling is onderzoek verricht door de brandweer, in het bijzonder naar de veiligheid van eiser en anderen in de woning aan de [adres] te Deventer. Volgens de brandweer is er geen gevaar voor branddoorslag en brandoverslag vanuit de woning met aanbouw op het perceel [perceel] Deventer. Verweerder mocht op het advies van de brandweer afgaan.

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het advies van de brandweer onjuist is. Verweerder hoefde op grond van wat eiser heeft verzocht en aangevoerd geen uitgebreider onderzoek te verrichten dan heeft plaatsgevonden.


4.6

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het verzoek van eiser geen aanleiding behoefde te zien om onderzoek te doen naar mogelijke bodemverontreiniging op het perceel [perceel] Deventer. De enkele, niet nader onderbouwde, stelling dat hiervan mogelijk sprake is, is onvoldoende om verweerder te verplichten tot het verrichten van bodem-onderzoek op dit perceel.


4.7

Naar aanleiding van de stelling van eiser, dat het achterterrein van het perceel [perceel] Deventer zich ten gevolge van het houden van pony’s in een onzindelijke staat bevindt en dat hij daarvan hinder ondervindt, stelt de rechtbank voorop dat meerdere bestuursrechtelijke bepalingen het veroorzaken van hinder ten gevolge van de staat van een terrein en/of het houden van dieren verbieden. Zo bepaalt artikel 7.21 van het Bouwbesluit 2012 dat het een bouwwerk, open erf en terrein zich in een zodanig zindelijke staat bevindt, dat dit geen hinder voor personen en geen gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van personen oplevert. Artikel 2:60 van de APV bepaalt dat degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt, welke redelijkerwijze niet behoeft te worden geduld. Bij de toepassing van deze bepalingen geldt als uitgangspunt dat burgers binnen het normaal maatschappelijk verkeer een zekere mate van hinder van elkaar behoren te dulden. Slechts indien sprake is van ernstige hinder, die binnen het normaal maatschappelijk verkeer niet behoeft te worden geduld, kan sprake zijn van overtreding van deze bepalingen.


4.8

De omstandigheid dat de bewoonster van de woning aan de [perceel] Deventer op het achtererf van haar perceel een tweetal pony’s houdt en dat het achtererf van haar woning als ren voor de pony’s is ingericht, is op zichzelf genomen niet in strijd met een van de hiervoor genoemde bepalingen. Wel kunnen de gevolgen hiervan onder omstandigheden in strijd komen met deze bepalingen. De rechtbank stelt vast dat naar aanleiding van het door eiser gedane handhavingsverzoek één controle door toezichthouders van de gemeente Deventer heeft plaatsgevonden, op 9 oktober 2014. Ten tijde van deze controle is, voor zover hier van belang, geconstateerd dat er geen mestopslag aanwezig was, dat geen sprake was van geuroverlast en evenmin van stofvorming. Ook zijn bij deze controle geen vliegen geconstateerd. Wel is geconstateerd dat in het achterste deel van het perceel sprake was van een grote plas hemelwater. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geconcludeerd dat op dat tijdstip geen sprake was van zodanige hinder, dat hiermee in strijd werd gehandeld met een van de hiervoor genoemde bepalingen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat één enkele controle, bij nat weer in oktober, onvoldoende is om te concluderen dat geen sprake is van overtreding van het bepaalde in artikel 7.21 van het Bouwbesluit 2012 en/of het bepaalde in artikel 2:60 van de APV. In dit verband acht de rechtbank van belang dat eiser en zijn gemachtigde ter zitting hebben verklaard dat de hinder afhankelijk is van de weersomstandigheden en dat hij bij nat en koud weer geen hinder ondervindt. Het had onder deze omstandigheden op de weg van verweerder gelegen om nogmaals, bij andere weersomstandigheden, een controle te verrichten. Verweerder heeft de relevante feiten dan ook, in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb, niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld.


4.9

Ten aanzien van de stelling van eiser dat hij geluidsoverlast ondervindt van de pony’s, wanneer deze in de stal staan, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht vooreerst van belang dat de aanbouw, die als stal dienst doet, tegen de woning van eiser aangebouwd is. Niet onaannemelijk is dan ook dat het trappen van pony’s tegen de buitenmuur van eisers woning, die door de bewoonster van de woning aan de [perceel] Deventer gebruikt wordt als stalwand, tot geluidsoverlast in de woning van eiser kan leiden. Verweerder heeft hiernaar geen onderzoek verricht. Niet gebleken is dat onderzoek hiernaar onmogelijk is. Ook in zoverre is het bestreden besluit, in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb, niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.


4.10

Het bestreden besluit wordt, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, evenmin gedragen door een deugdelijke motivering.


5.1

Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient, wegens strijd met de artikelen 7:7, 7:12, eerste lid, en 3:2 van de Awb, te worden vernietigd.


5.2

Verweerder dient, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Verweerder dient nader onderzoek te doen naar de vraag of door de aanwezigheid van pony’s op het achtererf van de woning aan de [perceel] Deventer hinder wordt veroorzaakt. Verweerder dient tevens te onderzoeken of de aanwezigheid van de pony’s in de aanbouw achter de woning op het perceel [perceel] Deventer voor eiser tot geluidsoverlast leidt. Vervolgens dient verweerder te onderzoeken of hetgeen geconstateerd is zodanige hinder oplevert dat hiertegen handhavend dient te worden opgetreden.


6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.


7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1960,-- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 490,-- en een wegingsfactor 1).



Beslissing


De rechtbank:


  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het bestreden besluit;
  • - gelast verweerder om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen opnieuw op het bezwaar te beslissen;
  • - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,-- aan eiser te vergoeden;
  • - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1960,--.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op





griffier rechter





Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.