Rechtbank Overijssel, 04-09-2015 / AWB 15/982


ECLI:NL:RBOVE:2015:4761

Inhoudsindicatie
Beroep op bezwaar tegen dwangsom wegens permanente bewoning van een recreatieverblijf. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-09-04
Publicatiedatum
2015-10-27
Zaaknummer
AWB 15/982
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 15/982


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. C.F. Roza,


en


het college van burgemeester en wethouders van Ommen, verweerder.

Procesverloop


Op 23 juli 2014 heeft verweerder een besluit genomen tot invordering van dwangsommen die eiser heeft verbeurd, omdat hij niet tijdig heeft voldaan aan de hem op 18 juni 2012 opgelegde last onder dwangsom.


Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 30 maart 2015 ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2015.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.


Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde E. Munneke.



Overwegingen


1. In geschil is de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot invordering van door eiser verbeurde dwangsommen.


Bij besluit van 18 juni 2012 heeft verweerder eiser een last onder dwangsom opgelegd vanwege het in strijd met artikel 11.31.1 van het bestemmingsplan “Buitengebied” permanent bewonen van het recreatieverblijf op het adres [adres] te [plaats] . Daarbij is eiser gelast om die permanente bewoning binnen 52 weken na verzending van dat besluit te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.500,-- voor iedere maand dat niet aan de last is voldaan met een maximum van

€ 15.000,--.


Na afloop van de begunstigingstermijn is op 9 juli 2014 en 30 juli 2014 door de toezichthouder van de gemeente geconstateerd dat niet is voldaan aan de lastgeving van 18 juni 2012.


Bij besluit van 23 juli 2014, verzonden op 24 juli 2014 heeft verweerder vastgesteld dat door eiser inmiddels over 10 maanden dwangsommen zijn verbeurd van in totaal € 15.000,--.en is besloten om met uitzondering van de inmiddels verjaarde dwangsom over de eerste periode, over te gaan tot invordering van de overige verbeurde dwangsommen van in totaal

€ 13.500,--.


Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.


Bij aangetekend verzonden besluit van 13 augustus 2014 heeft verweerder eiser een aanmaning doen toekomen en verzocht om binnen twee weken na verzending van dat besluit alsnog de verbeurde dwangsommen te voldoen.


Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard .


2. Eiser kan zich blijkens het beroepschrift en het verhandelde ter zitting niet met dit besluit verenigen. Hij is van mening dat geen aanmaning is verstuurd waardoor de bevoegdheid van verweerder om de dwangsommen in te vorderen is vervallen. Voorts stelt eiser dat nu hij, zij het te laat, een andere woning heeft betrokken, het met het dwangsombesluit beoogde doel is bereikt en de dwangsom nog slechts ten doel heeft om hem te bestraffen. Ook wijst eiser er op dat verweerder door tijdig na het verlopen van de begunstigingstermijn te reageren de schade had kunnen beperken.

Daarnaast stelt eiser dat de hoogte van de opgelegde dwangsommen niet conform de onder punt 4.6 van het plan van aanpak Handhaving op bewoning recreatieverblijven opgenomen indicaties is vastgesteld. Indien dat wel was gebeurd zou slechts een dwangsom van maximaal € 750,-- per maand zijn opgelegd.

Tenslotte stelt eiser dat verweerder reeds bij het vaststellen van het moment waarop de begunstigingstermijn verstrijkt en het vaststellen van de perioden waarover dwangsommen zijn verschuldigd, van verkeerde data is uitgegaan.


3.1

De bevoegdheid van verweerder om de verbeurde dwangsommen in te vorderen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de bevoegdheid van verweerder om de verbeurde dwangsommen in te vorderen, als volgt.


Artikel 4:104, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de rechtsvordering van een geldsom verjaart vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken.


Ingevolge artikel 5:35 van de Awb verjaart, in afwijking artikel 4:104 van de Awb de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom door verloop van één jaar na de dag waarop zij is verbeurd.


Nu eiser na afloop van de begunstigingstermijn op 15 juni 2013 nog niet aan de last onder dwangsom had voldaan, maar pas op 29 september 2014 heeft hij over de periode van

16 juni 2013 tot ven met 15 april 2014 van rechtswege dwangsommen verbeurd van in totaal € 15.000 (10 maanden maal € 1.500). De rechtbank concludeert dat de bevoegdheid tot invordering van de eerste van de door eiser verbeurde dwangsommen in beginsel is verjaard op 16 juli 2014 en de laatste op 16 april 2015.

Naar het oordeel van de rechtbank is (pas) sprake van invordering in de zin van artikel 5:35 van de Awb indien het bestuursorgaan feitelijke maatregelen treft om de verbeurde dwangsommen daadwerkelijk te incasseren.


Ten tijde van de verzending van het invorderingsbesluit op 24 juli 2014, was, zoals van de zijde van verweerder in dat invorderingsbesluit is onderkend, alleen de dwangsom over de eerste periode verjaard.


Ingevolge artikel 4:106 van de Awb kan een bestuursorgaan de verjaring onder meer ook stuiten door een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 van die wet.


De rechtbank stelt vast dat verweerder bij aangetekend schrijven van 13 augustus 2014 een aanmaning heeft verstuurd. Daarmee is de verjaring van de overige perioden gestuit.


3.2

Hoogte van de dwangsommen

Ten aanzien van het betoog van eiser dat de hoogte van de dwangsom niet conform het daartoe door verweerder gevoerde beleid is vastgesteld, is de rechtbank van oordeel dat eiser deze gronden niet meer kan inbrengen tegen de invorderingsbeschikking. Deze grond heeft betrekking op de last onder dwangsom als bedoeld in het besluit van 18 juni 2012 en had in een procedure tegen dat besluit kunnen worden aangevoerd.


3.3

Afzien van invordering

Ten aanzien van eiser stelling dat verweerder van invordering had moeten afzien omdat de invordering geen enkel doel dient nu aan de last is voldaan oordeelt de rechtbank dat blijkens vaste jurisprudentie, onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:648, aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht dient te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.


Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:32, is in beginsel het enkele feit dat aan de last is voldaan onvoldoende voor het oordeel dat het college geheel dan wel gedeeltelijk van invordering dient af te zien.

In hetgeen van de zijde van eiser is aangevoerd, te weten dat verweerder zonder voorafgaande waarschuwing tot invordering is overgegaan nadat de maximale dwangsom al was volgelopen, ziet de rechtbank evenmin een reden om te oordelen dat verweerder aanleiding had moeten zien om wegens bijzondere omstandigheden geheel of gedeeltelijk van invordering af te zien. Voor verweerder bestaat immers geen plicht om eiser nog eens te waarschuwen nadat de last onder dwangsom is opgelegd. Ook de omstandigheid dat verweerder inmiddels zijn beleid in die zin heeft gewijzigd dat standaard wel een herinneringsbrief wordt verzonden, leidt niet tot dat oordeel.


Gelet op het vorenstaande kan het bestreden besluit in stand worden gelaten.


4. Het beroep is ongegrond.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, rechter, in aanwezigheid van

M.W. Hulsman, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op





griffier rechter






Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.