Rechtbank Overijssel, 28-01-2015 / AWB 14/3185 en AWB 14/3186


ECLI:NL:RBOVE:2015:499

Inhoudsindicatie
Intrekking erkenning bedrijfsvoorraad voor periode van zes weken ; verzoekster heeft niet al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was gedaan om overtreding te voorkomen; beroep ongegrond en afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-01-28
Publicatiedatum
2015-01-30
Zaaknummer
AWB 14/3185 en AWB 14/3186
Procedure
Voorlopige voorziening
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummers: AWB 14/3185 en AWB 14/3186



uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen


[bedrijf 1] B.V., te [plaats], verzoekster,

gemachtigde: mr. A. Arslan,


en


de directie van de Rijksdienst voor het Wegverkeer, verweerster

gemachtigde: mr. E.C. Niemeijer.




Procesverloop


Bij besluit van 20 juni 2014 heeft verweerster (de RDW) de erkenning bedrijfsvoorraad van verzoekster ingetrokken voor een periode van zes weken.

Bij besluit van 10 december 2014 heeft de RDW het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2015. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door de kantoorgenoot van haar gemachtigde, mr. A.J. Ter Wee, vergezeld van [naam 1] en [naam 2], beiden werkzaam bij verzoekster. De RDW heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.



Overwegingen


1. Bij brief van 24 december 2014 heeft de RDW bevestigd dat de sanctie wordt opgeschort totdat de voorzieningenrechter een uitspraak op het verzoek van verzoekster heeft gedaan. Niettemin kan verzoekster een spoedeisend belang niet worden ontzegd.


Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.


2. Verzoekster exploiteert op het perceel [adres] te [plaats] een bedrijf dat handelt in auto’s.

Op 23 april 2014 heeft een bedrijvencontroleur van de RDW een bedrijfsbezoek afgelegd bij verzoekster. Daarbij is onder andere vastgesteld dat voor vijf auto’s een inschrijving met afzonderlijk onderzoek van het voertuig in het kentekenregister is aangevraagd, die – na onderzoek door een medewerker van de RDW ter plaatse op 4 en 27 juni 2013 – zijn aangemeld in de bedrijfsvoorraad van verzoekster, hoewel verzoekster daarvan niet de eigenares was. De eigenares was [bedrijf 2] B.V.

Deze B.V is op 4 maart 2013 door verzoekster opgericht en is net als verzoekster gevestigd op het adres [adres]. Dit bedrijf houdt zich bezig met onder andere de import van voertuigen. Op 24 mei 2013 is voor [bedrijf 2] B.V. een bedrijfsregistratie bij de RDW en erkenning Bedrijfsvoorraad (met een bedrijfsvoorraadpas) aangevraagd. De registratie vond plaats op 3 juni 2013 en de erkenning Bedrijfsvoorraad per 3 juli 2013.

Volgens de RDW is registratie van de vijf auto’s in de bedrijfsvoorraad van verzoekster in strijd met de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en de Regeling erkenning bedrijfsvoorraad. Op 5 juni 2014 heeft de RDW verzoekster medegedeeld voornemens te zijn in verband met deze bevindingen een sanctie op te leggen. Verzoekster is in de gelegenheid gesteld haar zienswijze hieromtrent kenbaar te maken. Zij heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Op 20 juni 2014 heeft de RDW het primaire besluit genomen, waartegen verzoekster op 24 juni 2014 bezwaar heeft gemaakt. Op 10 december 2014 heeft de RDW het door verzoekster bestreden besluit genomen.


3. In artikel 62, eerste lid, van de WVW 1994 is bepaald dat de RDW aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning kan verlenen waardoor deze gerechtigd is motorrijtuigen en aanhangwagens, waarvan hij de eigendom heeft verkregen, in zijn bedrijfsvoorraad op te nemen. Ingevolge artikel 65, tweede lid, onder c, van de WVW 1994 kan de RDW een erkenning intrekken, indien degene aan wie de erkenning is verleend handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.


In artikel 46, eerste lid, van het Kentekenreglement is bepaald dat een erkenning als bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de WVW 1994 wordt verleend teneinde voertuigen met behulp van een bedrijfsvoorraadpas in de bedrijfsvoorraad op te nemen. Aan die erkenning kan ingevolge het tweede lid, onderdeel a, worden verbonden de bevoegdheid tot het versneld aanvragen van de inschrijving van voertuigen.


In artikel 6, eerste lid, onder a, van de Regeling erkenning bedrijfsvoorraad is bepaald dat de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement betrekking heeft op de aanvraag van het versneld inschrijven van voertuigen met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig en met een afzonderlijke controle op de afdracht van de ter zake van het voertuig verschuldigde belastingen en rechten.


In de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW 2014 zijn de regels opgenomen die gelden voor iedere erkenning. Ook bevat de Toezichtbeleidsbrief voorbeelden van overtredingen en de sancties die daarbij horen.

In de Bijlage Bedrijfsvoorraad & Handelaarskentekenbewijzen is het aanmelden van een voertuig in de bedrijfsvoorraad terwijl het erkende bedrijf geen eigenares van dit voertuig is, als categorie III overtreding opgenomen. In het Stroomschema is bepaald dat ingeval van een eerste overtreding binnen 30 maanden in categorie III een intrekking van zes weken volgt.



4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.


Het gaat in deze zaak om de voertuigen met de kentekens [kenteken 1], [kenteken 2], [kenteken 3], [kenteken 4] EN [kenteken 5]. Niet in geding is dat deze vijf voertuigen ten tijde van het onderzoek door de RDW medewerker op 4 en 27 juni 2013 geen eigendom waren van verzoekster, maar van [bedrijf 2] B.V. Na goedkeuring zijn de voertuigen door de RDW in het kentekenregister ingeschreven en in de bedrijfsvoorraad van verzoekster opgenomen.

Niet in geschil is dat de opname van deze voertuigen een overtreding oplevert, zodat de RDW de sanctie van intrekking van de erkenning kan opleggen.


Het intrekken van de erkenning bedrijfsvoorraad voor zes weken kwalificeert als een punitieve sanctie. Het gaat bij een dergelijke intrekking om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid van de RDW. De RDW moet bij de aanwending van deze bevoegdheid het al dan niet opleggen en de duur van de intrekking afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.


De RDW heeft in de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW 2014 beleidsregels vastgesteld waarin de op te leggen sancties voor te onderscheiden overtredingen zijn vastgesteld. Deze beleidsregels zijn als zodanig niet onredelijk. Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde sancties moet de RDW in elk voorkomend geval beoordelen of die toepassing strookt met de eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een sanctie moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, moet de sanctie, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig worden vastgesteld dat het opleggen of de duur daarvan passend en geboden is.


De voorzieningenrechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van de RDW tot intrekking van de erkenning voor een periode van zes weken voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie. Daarbij geldt dat in situaties waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt van de intrekking moet worden afgezien. Hiertoe moet verzoekster aannemelijk maken dat zij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen.


5. Bij die beoordeling zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Het bedrijf [bedrijf 2] B.V. is opgericht door verzoekster. Blijkens het uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel is verzoekster bestuurder van [bedrijf 2] B.V. Beide bedrijven bevinden zich op dezelfde locatie, te weten de [adres] te [plaats], en maken gebruik van een identiek e-mailadres.

Ter zitting is namens verzoekster verklaard dat de RDW medewerker, die de hiervoor genoemde voertuigen heeft onderzocht, vrijwel wekelijks op de locatie van verzoekster kwam om voertuigen te keuren. Hij had daartoe altijd contact met dezelfde medewerker van verzoekster. Het verzoek voor het onderzoek van de meergenoemde vijf voertuigen is niet schriftelijk gedaan, althans daarvan is niet gebleken. De vaste medewerker van verzoekster heeft waarschijnlijk telefonisch een afspraak gemaakt met de RDW medewerker. Ter zitting is door de bewuste medewerker van verzoekster verklaard dat de voertuigen die gekeurd moesten worden in één ruimte stonden; de voertuigen die eigendom waren van verzoekster stonden bij elkaar, en de voertuigen van [bedrijf 2] B.V. ook.

Op het moment dat deze keuring plaatsvond (op 4 en 27 juni 2013) beschikte [bedrijf 2] B.V. nog niet over de erkenning bedrijfsvoorraad met bijbehorende bevoegdheden. Eerst op 3 juli 2013 is de gevraagde erkenning door de RDW afgegeven.

Verzoekster heeft betoogd dat alle voertuigen waren voorzien van documentatie, waaronder de aankoopnota’s van de voertuigen, waaruit bleek dat [bedrijf 2] B.V. de eigenares was. De RDW had dus kunnen weten dat niet verzoekster eigenares was. De gemachtigde van de RDW heeft ter zitting echter verklaard dat bij dergelijke onderzoeken niet wordt gekeken naar aankoopnota’s, omdat de eigendom wordt verondersteld. Alleen in geval van controles worden de aankoopnota’s in het onderzoek betrokken.


De voorzieningenrechter is van oordeel dat de handelwijze van verzoekster, nu niet is gebleken dat verzoekster de RDW medewerker ondubbelzinnig heeft laten weten dat de voertuigen niet haar eigendom waren, onduidelijkheid en mogelijke verwarring bij de (medewerkers van de) RDW in de hand heeft gewerkt. Niet kan dus worden geconcludeerd dat verzoekster al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid is geen sprake.


6. De sanctie die de RDW heeft opgelegd is gebaseerd op het hetgeen de RDW daaromtrent heeft opgenomen in de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW 2014. Tussen partijen is niet in geschil dat de overtreding in kwestie op grond van deze beleidsregels kan worden gevolgd door een intrekking van de erkenning voor een periode van zes weken.


De gemachtigde van de RDW heeft ter zitting uiteengezet dat de gevolgen van het opleggen van sancties in het beleid is verdisconteerd. Namens de RDW is gewezen op het belang van de zuiverheid van de gegevens in het kentekenregister en dat vervuiling daarvan dreigt bij opname van voertuigen in de bedrijfsvoorraad die niet tot het eigendom behoren van een erkenninghouder.


Verzoekster heeft betoogd dat de gevolgen van de sanctie voor haar onevenredig zijn. De intrekking van de erkenning is negatief voor haar in financiële zin – een schadepost van € 600.000,-- wordt gesteld – maar leidt mogelijk ook tot verlies van klanten en reputatieschade.


De vraag is of het voorgaande voor de RDW aanleiding had moeten zijn af te wijken van het vastgestelde beleid, en de sanctie niet op te leggen dan wel te matigen. De voorzieningen-rechter is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. In artikel 4:84 van de Awb is het uitgangspunt neergelegd dat een bestuursorgaan handelt overeenkomstig een beleidsregel. De evident nadelige gevolgen die verzoekster stelt te zullen ondervinden van de intrekking van haar erkenning gedurende zes weken moeten worden geacht te zijn voorzien bij de vaststelling van de beleidsregel. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verzoekster door die nadelige gevolgen anders wordt getroffen dan elk ander bedrijf dat met een soortgelijke maatregel wordt geconfronteerd. Dat verzoekster, gelet op het aantal verhandelde voertuigen en de omvang van de omzet, als relatief groot bedrijf is aan te merken, betekent niet dat sprake is van een bijzondere omstandigheid die de RDW ertoe had moeten brengen af te zien van de opgelegde intrekking van de erkenning of van de duur daarvan.


7. De voorzieningenrechter is, gelet op voorgaande overwegingen, van oordeel dat de RDW de aan verzoekster opgelegde sanctie bij het bestreden besluit mocht handhaven. Het beroep is ongegrond. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is dan ook geen aanleiding.

8. Voor een veroordeling in de proceskosten is evenmin aanleiding.



Beslissing


De voorzieningenrechter


  • - verklaart het beroep ongegrond;
  • - wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.A.M. Spreuwenberg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op





griffier voorzieningenrechter






















Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrecht-spraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningen-rechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.