Rechtbank Overijssel, 21-04-2015 / AWB 15/623 en AWB15/624


ECLI:NL:RBOVE:2015:5222

Inhoudsindicatie
Aanleg van een ontsluitingsweg op het XL Businesspark Twente in Bornerbroek (Almelo) kan doorgaan.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-04-21
Publicatiedatum
2015-11-24
Zaaknummer
AWB 15/623 en AWB15/624
Procedure
Voorlopige voorziening
Rechtsgebied
Bestuursrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JBO 2015/349
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummers: AWB 15/623 en AWB15/624


uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in het geschil tussen


[verzoeker] ,

wonende te Bornerbroek, verzoeker,

gemachtigde: mr. C. van Deutekom,


en


het college van burgemeester en wethouders van Almelo,

verweerder,


en


het Openbaar Lichaam Regionaal Bedrijventerrein Twente,

gevestigd te Almelo, belanghebbende.



Procesverloop


Op 23 maart 2015 heeft verzoeker beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn verzoek van 17 maart 2015 om handhavend op te treden tegen de aanleg van een ontsluitingsweg op het XL Businesspark Twente (hierna: het XL-park) in Bornerbroek.


Tevens heeft verzoeker op 23 maart 2015 de voorzieningenrechter verzocht om ter zake van de aanleg van deze weg een bouwstop op te leggen.


Bij besluit van 25 maart 2015 heeft verweerder het verzoek om handhavend op te treden afgewezen.


Bij brief van 27 maart 2015 heeft verzoeker tegen dit besluit bezwaar gemaakt en verweerder verzocht om in te stemmen met de toepassing van de regeling rechtstreeks beroep, zoals vervat in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Bij brief van 1 april 2015 heeft verweerder ingestemd met dit verzoek en het bezwaarschrift ter behandeling als beroep doorgezonden naar de rechtbank.


Het verzoek om voorlopige voorziening is op 14 april 2015 ter zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. van Kaauwen. Namens belanghebbende is M.D. Rol verschenen.

De voorzieningenrechter heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

Daarbij is afgesproken dat, indien verweerder binnen een week na de zitting alsnog het rapport van het archeologisch onderzoek zou ontvangen, hij dit aan de voorzieningenrechter zou doorsturen met het oog op finale beslechting van het geschil.


Bij begeleidend schrijven van 17 april 2015 heeft verzoeker het archeologisch rapport overgelegd.


Per brief van 20 april 2015 heeft verzoeker op dit rapport gereageerd.



Overwegingen


1. Artikel 8:86, eerste lid, van de Awb bepaalt dat indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.


2. Per brief van 17 maart 2015 heeft verzoeker verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de aanleg van een weg langs de Wolbes Landen in Bornerbroek. Deze weg zal dienen als ontsluitingsweg voor het XL-park, dat door belanghebbende wordt gerealiseerd.


3. In het besluit van 25 maart 2015 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat voor de aanleg van de weg geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b of onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is vereist.


4. Verzoeker heeft tegen dit besluit aangevoerd dat op grond van artikel 21, eerste lid, van het bestemmingplan ‘Regionaal Bedrijventerrein Twente’ (hierna: het bestemmingsplan) voor de aanleg van de weg een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo (hierna te noemen: aanlegvergunning) is vereist. Tevens heeft verzoeker aangevoerd dat de weg ingevolge de bestemming van de gronden waarop die wordt aangelegd niet is toegestaan en dat om die reden voor de weg ook een omgevings-vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo is vereist.


5. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat verzoeker heeft verklaard het beroep wegens niet tijdig beslissen niet voort te zetten. De voorzieningenrechter zal daarom uitspraak doen op het verzoek om voorlopige voorziening hangende de behandeling van het rechtstreeks beroep tegen het besluit van 25 maart 2015.


6. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat reeds is begonnen met de aanleg van de weg en dat belanghebbende ter zitting heeft verklaard dat volgens planning op 21 april 2015 wordt begonnen met asfalteren. Verzoeker heeft derhalve een spoedeisend belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn verzoek om een voorlopige voorziening te treffen.


7. Tussen partijen is niet in geschil dat een gedeelte van de ontsluitingsweg ligt op gronden die volgens het uitwerkingsplan ‘Regionaal Bedrijventerrein Twente, Tranche 3a’ (hierna: het uitwerkingsplan) de dubbelbestemming ‘Waarde - gebied met hoge archeologische verwachting’ (WR-GHA) hebben en dat op die gronden artikel 21 van het bestemmingsplan van toepassing is. Ingevolge het eerste lid van dit artikel is het verboden om zonder of in afwijking van een door verweerder verleende aanlegvergunning grondbewerkingen dieper dan 0,4 meter uit te voeren. Het vijfde lid van dit artikel schrijft voor dat de aanlegvergunning niet wordt verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van verweerder in voldoende mate is vastgesteld. Het zevende lid bepaalt dat als uit nader onderzoek blijkt dat op de aangeduide gronden geen archeologische waarde valt te verwachten, er voor de werkzaamheden in dat gebied geen aanlegvergunning hoeft te worden verleend.


8. Verweerder heeft aangevoerd dat artikel 8:69a van de Awb er in dit geval aan in de weg staat dat het bestreden besluit zou worden vernietigd wegens het handelen in strijd met artikel 21 van het bestemmingsplan.


9. Verzoeker heeft daarop ter zitting aangevoerd dat hij in een boerderij woont die is gelegen in de directe nabijheid van het gebied met de dubbelbestemming ‘WR-GHA’. Verzoeker heeft verklaard dat hij eigenaar van die boerderij en de daaromheen gelegen gronden is en dat hij zich de cultuurhistorie van het gebied zeer aantrekt. Voorts heeft hij ter zitting aangevoerd dat in het bestemmingsplan de woonfunctie van zijn perceel is wegbestemd en dat zijn gronden een cultuurhistorische bestemming hebben gekregen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van

29 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3840, heeft verzoeker zich op het standpunt gesteld dat het niet naleven van de planregels op het gebied van archeologie in dit geval tot gevolg zou hebben dat de functie van de cultuurhistorische bestemming wordt uitgehold.


10. Op basis van hetgeen verzoeker ter zitting heeft aangevoerd volgt de voorzieningen-rechter verweerder niet in zijn stelling dat artikel 8:69a van de Awb in de weg zou staan aan vernietiging van het bestreden besluit wegens het handelen in strijd met artikel 21 van het bestemmingsplan. De woning en het perceel van verzoeker alsmede het betreffende gedeelte van de ontsluitingsweg liggen allen in het gebied dat in het bestemmingsplan de nadere aanduiding ‘hoge archeologische verwachting’ heeft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker met hetgeen hij ter zitting heeft aangevoerd voldoende aannemelijk gemaakt dat artikel 21 van het bestemmingsplan mede strekt tot bescherming van zijn belangen.


11. Verweerder heeft in verweer toegelicht dat drie weken vóór aanvang van de werkzaamheden door BAAC b.v. (Onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur en Cultuurhistorie, hierna te noemen: BAAC) op de gronden waarop de weg wordt aangelegd een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven is uitgevoerd. In een e-mail aan twee medewerkers van de gemeente Almelo heeft de regioarcheoloog meegedeeld dat in de drie proefsleuven die door BAAC binnen het ruimtebeslag van de weg zijn gegraven weliswaar archeologische sporen en enkele vondsten zijn aangetroffen, maar dat deze geen aanwijzing vormen voor de aanwezigheid van een middeleeuws erf zoals dat in het verwachtingsmodel is omschreven. De regioarcheoloog concludeert in deze e-mail dat, voor zover het de zone betreft waarin de weg wordt aangelegd, er geen aanleiding is om aanvullend archeologisch onderzoek te laten plaatsvinden en dat de weg zonder bezwaar kan worden aangelegd. Op basis van deze conclusie heeft verweerder zich in verweer op het standpunt gesteld dat ingevolge het zevende lid van artikel 21 van het bestemmingsplan voor de aanleg van de weg geen aanlegvergunning is vereist.


12. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat het archeologisch onderzoek dusdanig kort voor de zitting is uitgevoerd, dat de uitkomsten daarvan nog niet in een rapport waren vastgelegd. Enkele dagen na de zitting heeft verweerder alsnog een archeologisch rapport van het inventariserend veldonderzoek overgelegd. In dit rapport adviseert BAAC om voor het onderzoeksgebied waarin de drie proefsleuven zijn aangelegd geen vervolgonderzoek uit te voeren. In dit rapport is bevestigd dat in de drie aangelegde proefsleuven geen sporen zijn aangetroffen die de aanwezigheid van een erf uit de middeleeuwen en/of het begin van de nieuwe tijd aantonen.


13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich op basis van de uitkomsten van het inventariserend veldonderzoek in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op de gronden waarop de weg wordt aangelegd geen archeologische waarde valt te verwachten en dat om die reden voor de aanleg van de weg geen aanlegvergunning is vereist. De stelling van verzoeker dat niet is uitgesloten dat ter plaatse wel archeologische waarde aanwezig is, maakt dit niet anders. Voor zover verzoeker in zijn brief van 20 april 2015 heeft aangevoerd dat het archeologisch veldonderzoek onvolledig of niet nauwkeurig genoeg is geweest, volgt de voorzieningenrechter dit niet. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat het archeologisch onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd. Het ter zitting door verzoeker aangevoerde bezwaar dat het archeologisch onderzoek in opdracht van verweerder is verricht en niet in opdracht van belanghebbende, leidt evenmin tot het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat voor de werkzaamheden geen aanlegvergunning is vereist. Hierbij merkt de voorzieningenrechter overigens op dat in het archeologisch rapport is vermeld dat het archeologisch onderzoek in opdracht van belanghebbende is uitgevoerd.

Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat BAAC in haar rapport heeft aangegeven dat haar advies een zogenaamd selectieadvies is en dat dit niet betekent dat reeds kan worden gestart met bodemverstorende activiteiten of de daarop voorbereidende activiteiten. Aangegeven is dat het selectieadvies eerst door de bevoegde overheid dient te worden beoordeeld, wat uiteindelijk leidt tot een selectiebesluit. Wat hier verder ook van zij, dit neemt niet weg dat uit het archeologisch rapport blijkt dat in het onderzoeksgebied niet dusdanige archeologische waarde is te verwachten dat nader onderzoek is vereist. Dit betekent dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat op grond van artikel 21, zevende lid, van het bestemmingsplan voor de aanleg van de weg geen aanlegvergunning is vereist.


14. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat de ontsluitingsweg uitsluitend wordt aangelegd op gronden die ingevolge het uitwerkingsplan ofwel de bestemming ‘Bedrijf-1’ ofwel de bestemming ‘Bedrijf-2’ hebben. Voor beide bestemmingen geldt dat op die gronden wegen zijn toegestaan, met dien verstande dat wegen ter ontsluiting van het bedrijventerrein alleen mogen aansluiten op gronden met de bestemming ‘Verkeersdoeleinden II’.


15. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de omschrijving van beide bestemmingen volgt dat de aanleg van de weg alleen is toegestaan op gronden die direct grenzen aan gronden met de bestemming ‘Verkeersdoeleinden II’. Daarvan is volgens hem in dit geval slechts ten dele sprake, omdat het westelijke deel van de in aanleg zijnde weg, gelegen op gronden met de bestemming ‘Bedrijf-1’, aansluit op gronden met de bestemming ‘Bedrijf-2’ en niet op gronden met de bestemming ‘Verkeersdoeleinden II’.


16. Volgens verweerder volgt uit beide bestemmingsomschrijvingen dat een weg op gronden met de bestemming ‘Bedrijf-1’ of ‘Bedrijf-2’ is toegestaan, mits die weg aansluit op gronden met de bestemming ‘Verkeersdoeleinden II”. Daarbij heeft verweerder onder meer gewezen op de toelichting die in het uitwerkingsplan bij deze bestemmingen is opgenomen. In die toelichting is vermeld dat deze regeling is opgenomen ter voorkoming van de ontsluiting van de bedrijfsbestemming op wegen buiten het plangebied en dat interne ontsluitingswegen moeten aansluiten op de gronden met de bestemming ‘Verkeersdoeleinden II.’


17. De voorzieningenrechter volgt verweerder in zijn uitleg van de bestemmings-omschrijvingen van ‘Bedrijf-1’ en ‘Bedrijf-2’. Uit de formulering van deze omschrijvingen volgt dat een weg ter ontsluiting van het bedrijventerrein op gronden met de bestemming ‘Bedrijf-1’ of ‘Bedrijf-2’ is toegestaan, indien die weg (uiteindelijk) aansluit op gronden met de bestemming ‘Verkeersdoeleinden II’. Mede gelet op de hiervoor aangehaalde passage uit de toelichting in het uitwerkingsplan, ziet de voorzieningenrechter in de formulering van de bestemmingsomschrijvingen van ‘Bedrijf-1’ en ‘Bedrijf-2’ geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze bestemmingen een weg alleen toestaan, voor zover de gronden waarop die weg ligt aansluiten op gronden met de bestemming ‘Verkeersdoeleinden II’.


18. Op basis van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder het verzoek om handhavend op te treden terecht heeft afgewezen. Nu nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal de voorzieningenrechter het beroep ongegrond verklaren. Omdat daarmee uitspraak in de hoofdzaak is gedaan, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet-ontvankelijk verklaren.


19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De voorzieningenrechter:


  • - verklaart het beroep ongegrond;
  • - verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op






griffier voorzieningenrechter



Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.