Rechtbank Overijssel, 09-06-2015 / F 795/13


ECLI:NL:RBOVE:2015:5230

Inhoudsindicatie
Verzoek opheffing faillissement onder gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen. Verzoeker niet ter zitting verschenen. Niet te goeder trouw ten aanzien van tijdens faillissement ontstane schuld en gelet op het gedrag van verzoeker tijdens faillissement niet aannemelijk dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zullen worden nagekomen.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-06-09
Publicatiedatum
2015-11-25
Zaaknummer
F 795/13
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team toezicht

Zittingsplaats Almelo


Faillissementsnummer: F [1]

datum vonnis: 9 juni 2015


Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:


[verzoeker] ,

thans verblijvende op een onbekend adres,

laatstelijk wonende te [woonplaats] , [adres] ,

verzoeker,

verder te noemen: [verzoeker] .


Het procesverloop


[verzoeker] heeft een verzoekschrift ingediend tot opheffing van het op 18 september 2013 uitgesproken faillissement, onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.


Op 22 mei 2015 is een brief met bijlagen van de curator ontvangen.


De zaak is behandeld ter zitting van 26 mei 2015. Ter zitting is mr. G.W. Weenink, curator, verschenen. Hoewel deugdelijk opgeroepen, is [verzoeker] - na een telefonische mededeling van een derde op de ochtend van de zitting - niet verschenen. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.


Het vonnis is bepaald op vandaag.


De beoordeling


De feiten


[verzoeker] was ten tijde van het faillissement gehuwd met mevrouw [B] . Tijdens het faillissement is de echtscheiding uitgesproken en ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.


[verzoeker] ontvangt een bijstandsuitkering.


Vanaf 30 september 2009 tot de datum van het faillissement hebben [verzoeker] en zijn voormalige echtgenote een vennootschap onder firma gedreven onder de naam [S]


De schuldenlast van [verzoeker] bedraagt volgens de opgave van de curator op basis van de ter verificatie ingediende vorderingen in totaal € 115.042,55.


Daarnaast is volgens de opgave van de curator sprake van een tijdens het faillissement ontstane huurschuld van ongeveer € 5.000,00.

Het standpunt van de curator


De curator heeft ter zitting verklaard dat [verzoeker] niet ter zitting is verschenen, omdat [verzoeker] , niet voor de eerste keer, stelt dat zijn moeder stervende is. De nieuwe schulden die tijdens het faillissement zijn ontstaan lopen steeds verder op. De huurschuld is ontstaan toen de voormalige echtgenote van [verzoeker] de woning heeft verlaten in juli 2014. [verzoeker] heeft onlangs een bedrag van € 6.135,00 ontvangen van de Belastingdienst betreffende achterstallige toeslagen. Dit bedrag is tot op heden niet afgedragen aan de boedel. De curator weet niet waar [verzoeker] woont en [verzoeker] laat niets van zich horen. De gemeente begeleidt [verzoeker] met vier personen.


De overwegingen van de rechtbank


Allereerst overweegt de rechtbank dat er geen aanleiding is een nieuwe zitting te bepalen. Uit het faillissementsdossier is gebleken dat [verzoeker] herhaaldelijk niet reageert op verzoeken van de bewindvoerder en dat het de curator niet bekend is waar [verzoeker] thans woont of verblijft. [verzoeker] heeft de stellingen van de curator niet weersproken, zodat de rechtbank deze als vaststaat aanneemt en op basis hiervan thans een beslissing zal nemen.


Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.


Gebleken is dat [verzoeker] tijdens het faillissement een huurschuld heeft laten ontstaan van ongeveer € 5.000,00. Deze huurschuld is ontstaan nadat de voormalig echtgenote van [verzoeker] in juli 2014 de voormalig echtelijke woning heeft verlaten. [verzoeker] heeft vanaf dat moment de huur niet meer betaald. Uiteindelijk is de woning door de verhuurder ontruimd. De schuld aan de voormalige verhuurder loopt thans nog steeds op met rente en/of kosten. Nu [verzoeker] om onbekende redenen de huur niet heeft betaald en voor zover de rechtbank bekend ook geen betalingsregeling heeft getroffen ten aanzien van de huurschuld, loopt deze schuld thans steeds verder op. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] niet te goeder trouw is ten aanzien van de tijdens het faillissement ontstane schuld aan de voormalige verhuurder.


De overige schuldenlast behoeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen nadere bespreking.


Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [verzoeker] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen. Gebleken is dat de informatieverstrekking door [verzoeker] in de richting van de curator niet naar behoren verloopt. [verzoeker] informeert de curator niet uit eigen beweging en het is de curator thans niet bekend waar [verzoeker] woont of verblijft. Daarnaast is er tijdens het faillissement een nieuwe schuld van ongeveer € 5.000,00 ontstaan aan de voormalige verhuurder. Voorts heeft [verzoeker] tijdens het faillissement een bedrag van € 6.135,00 van de Belastingdienst ontvangen. [verzoeker] heeft echter nagelaten dit bedrag aan de boedel af te dragen. Door aldus te handelen heeft [verzoeker] zijn schuldeisers benadeeld. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het niet aannemelijk is dat [verzoeker] zich tijdens de schuldsaneringsregeling wel aan zijn verplichtingen zal houden en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.


Het verzoek zal worden afgewezen op grond van artikel 288 lid 1, aanhef en onder b en c Faillissementswet (Fw).



De beslissing


de rechtbank:


wijst het verzoek af.


Gewezen door mr. M.M. Verhoeven, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2015 , in tegenwoordigheid van de griffier.











De schuldenaar heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend worden ingesteld bij door een advocaat ondertekend verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.