Rechtbank Overijssel, 17-12-2015 / C/08/179363 / KG ZA 15-379


ECLI:NL:RBOVE:2015:5589

Inhoudsindicatie
Executiegeschil.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-12-17
Publicatiedatum
2015-12-18
Zaaknummer
C/08/179363 / KG ZA 15-379
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TvA 2016/41
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Almelo


zaaknummer / rolnummer: C/08/179363 / KG ZA 15-379


Vonnis in kort geding van 17 december 2015


in de zaak van


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DROSTE VASTGOEDONTWIKKELING B.V,

gevestigd te Hengelo,

eiseres,

advocaat mr. A. Visser te Wierden,


tegen


de vereniging

VERENIGING VAN EIGENAREN TERRA-HENGELO,

gevestigd te Hengelo,

gedaagde,

gemachtigde: de heer A. Groothuis van Groothuis Ligtermoet, gerechtsdeurwaarders te Hengelo (O),



Partijen zullen hierna Droste en de VvE genoemd worden.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding
  • - de producties 1 tot en met 13 bij de dagvaarding
  • - de producties 1 tot en met 8 aan de zijde van de VvE
  • - de mondelinge behandeling
  • - de pleitnota van Droste
  • - de pleitnota van de VvE.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

2.1.

Droste heeft omstreeks 2003 een bestaand fabriekscomplex verbouwd tot een appartementencomplex met een onderliggende parkeerkelder. Ten behoeve van de gemeenschappelijke gedeeltes van het appartementencomplex is de VvE opgericht.


2.2.

In 2009 heeft de VvE jegens Droste een arbitrale procedure aanhangig gemaakt. Op 26 maart 2014 heeft de arbiter vonnis gewezen. De arbiter heeft Droste veroordeeld tot:

‘ het treffen van maatregelen teneinde het binnentreden van vocht in de gezamenlijke ruimte te voorkomen en tot herstel van de beschadiging aan de deuren van de meterkast en tot het treffen van maatregelen teneinde vochtproblemen aan de kopse kant van de keldermuur/plafond op te lossen, een en ander naar de normen van goed en deugdelijk werk, zulks binnen een termijn van twaalf weken na dagtekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat onderneemster in gebreke blijft hieraan te voldoen, met een maximum van € 30.000,00 aan te verbeuren dwangsommen.


Tevens is Droste veroordeeld om:

‘ter zake het voormelde tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de VvE te betalen

€ 2.005,15 (tweeduizendvijf euro en vijftien cent), vermeerderd met wettelijke rente daarover, vanaf 11 februari 2013 tot de dag der algehele voldoening’


en


om ter verrekening van de kosten tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de VvE te betalen € 1.875,00 (eenduizend achthonderdvijfenzeventig euro)’.


2.3.

In of omstreeks mei 2014 heeft Droste maatregelen getroffen om het binnentreden van vocht in de gemeenschappelijke (meterkast)ruimte te voorkomen. In dat kader is een scheur ter plaatste opnieuw geïnjecteerd. Tevens heeft Droste een volledig nieuwe meterkastdeur geleverd en geplaatst en heeft hij metselwerk bij de kolom naast de roldeur uitgehakt, nieuw lood aangebracht en het uitgehakte metselwerk weer hersteld.


2.4.

Op 12 september 2014 heeft Droste een bedrag van € 3.880,15 aan de VvE betaald.


2.5.

Op 25 september 2014 heeft de VvE het arbitrale vonnis aan Droste laten betekenen.


2.6.

Op 12 oktober 2015 heeft de VvE het arbitrale vonnis, dit keer met exequatur, nogmaals laten betekenen aan Droste. In het exploot heeft de VvE aanspraak gemaakt op betaling van een bedrag ad € 30.460,44 (de maximale dwangsom vermeerderd met kosten) en aangezegd dat executoriale maatregelen getroffen zouden worden als het bedrag niet binnen twee dagen betaald zou zijn.


2.7.

Bij brief van 14 oktober 2015 heeft Droste uiteengezet dat en waarom geen dwangsommen verschuldigd konden zijn.


2.8.

Bij brief van 22 oktober 2015 heeft de VvE een rapportage overgelegd met daarin een foto waaruit afgeleid zou moeten worden dat zich in de meterkastruimte nog een (nieuwe) lekkage zou hebben voorgedaan.


2.9.

Op 4 november 2015 heeft Droste de beweerde nieuwe lekkage samen met de VvE beoordeeld. Bij email van diezelfde datum heeft Droste aan de VvE laten weten dat de eerdere herstelwerkzaamheden deugdelijk zijn geweest.


2.10.

Bij email van 16 november 2015 heeft Droste kenbaar gemaakt dat zij ervan uitging dat de aangekondigde executie van de baan was.


2.11.

Bij brief van 23 november 2015 heeft de VvE aangekondigd de tenuitvoerlegging van het vonnis wel te willen voortzetten, aangezien zich na de bezichtiging op

4 november 2015 wederom lekkages hebben voorgedaan.


2.12.

Droste heeft zich vervolgens genoodzaakt gezien dit kort geding te entameren.



3Het geschil


3.1.

Droste vordert samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de VvE op straffe van verbeurte van een dwangsom te verbieden om de door haar aangekondigde executie van het tussen partijen gewezen arbitrale vonnis van 26 maart 2014 voort te zetten en haar te verbieden om daartoe nog verdere executoriale maatregelen (zoals beslaglegging) te nemen, althans een andere voorziening te treffen. Tevens vordert Droste de VvE uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen in de kosten van de procedure


3.2.

De VVE voert verweer.


3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling

4.1.

Niet in geschil is dat de VvE bevoegd is tot executie van de opgelegde dwangsommen indien Droste niet tijdig de in het arbitraal vonnis genoemde maatregelen heeft getroffen teneinde het binnentreden van vocht in de gezamenlijke ruimte te voorkomen, de vochtproblemen aan de kopse kant van de keldermuur/plafond op te lossen en de beschadiging aan de deuren van de meterkast te herstellen, een en ander naar de normen van goed en deugdelijk werk. Tussen partijen is thans enkel nog in geschil of Droste de vochtproblemen in de gezamenlijke (meterkast)ruimte conform het arbitrale vonnis heeft verholpen.


4.2.

De voorzieningenrechter overweegt dat de partij die aanspraak maakt op de dwangsommen dient te stellen en zo nodig dient te bewijzen dat de veroordeelde partij niet aan de veroordeling heeft voldaan. In dit kort geding dient een inschatting te worden gemaakt van de kans dat de VvE als executant in een eventuele bodemprocedure erin zal slagen te bewijzen dat Droste als geëxecuteerde niet (volledig) aan de veroordeling heeft voldaan.


4.3.

In een executiegeschil als het onderhavige, waarbij het gaat om de vraag of dwangsommen zijn verbeurd omdat de hoofdveroordeling niet of onvoldoende is nageleefd, heeft de voorzieningenrechter niet tot taak de door de arbiters besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient de voorzieningenrechter zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend arbitraal vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de voorzieningenrechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (zie Hoge Raad 19 januari 2007, LJN: AZ0431 en Hoge Raad 15 november 2002, LJN: AE9400).


4.4.

De VvE stelt dat de door Droste uitgevoerde werkzaamheden niet naar de norm van goed en deugdelijk werk zijn uitgevoerd. De werkzaamheden kunnen volgens de VvE hooguit worden gekwalificeerd als ‘cosmetische’ noodoplossingen dan wel ‘het plakken van pleisters’. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst de VvE naar een op 15 juli 2015 door BTC architecten ingenieurs & adviseurs uitgebracht rapport waarin is vermeld: ‘Met betrekking tot de lekkage is geconstateerd dat deze nog steeds niet afdoende is verholpen. Door de aannemer is getracht om de lekkageplek door injecteren te bestrijden, echter dit mocht niet baten (…)’. Op 4 november 2015 heeft de heer [X] van het bestuur van de VvE samen met Droste de situatie in de meterkastruimte bekeken. Op dat moment was de ruimte droog, maar was er nog een vochtplek zichtbaar. Daarover heeft de heer [X] te kennen gegeven dat de VvE ‘zou kunnen leven’ met de plek die te zien is, mits het daarbij zou blijven en zich voor het overige geen nieuwe verschijnselen van lekkage zouden voordoen. Dit staat in een email van 23 november 2015 van de VvE aan Droste. Als bijlage bij die email is tevens een op 4 november 2015 gemaakte foto van de vochtplek gevoegd, alsmede een tweetal foto’s die twee weken later zijn gemaakt waarop een nieuwe lekkage zichtbaar is. Ter zitting heeft de VvE erop gewezen dat BTC architecten ingenieurs & adviseurs op 1 december 2015 weer een inspectie heeft uitgevoerd, waarbij is vastgesteld dat er nog steeds sprake van lekkage is. In het inspectierapport staat vermeld: ‘Op de hieronder bijgevoegde foto’s is vastgesteld en –legd dat de uitgevoerde reparatie niet afdoende waterdicht is uitgevoerd’. Hieruit leidt de VvE af dat Droste niet de in het arbitrale vonnis bevolen maatregelen heeft genomen om de vochtproblematiek op te lossen.


4.5.

Droste stelt dat zij het arbitrale vonnis wel degelijk is nagekomen. Op 4 november 2015 heeft de heer Droste samen met de heer [X] van het bestuur van de VvE geconstateerd dat de meterkastruimte droog was. Wat er ná 4 november 2015 nog aan lekkage is geconstateerd is volgens Droste iets totaal anders dan de ‘sporen van’ vochtintreding door de muur die in de arbitragezaak is vastgesteld. Daar ging het om een scheur. De nieuwe lekkage heeft te maken met veroudering van een zwelband / het los zitten van een ring in de afvoerbuis en het herstel hiervan - dat overigens door Droste reeds is uitgevoerd - is zijn inziens een kwestie van onderhoud dat gebruikelijk is bij materiaal dat zo’n tien jaar geleden is opgeleverd.


4.6.

Vergelijking van de foto’s die als bijlage bij de email van 23 november 2015 zijn gevoegd met de foto’s die bij de rapportage van 1 december 2015 zijn gevoegd, leert de voorzieningenrechter dat de vochtplek er op die datum nog hetzelfde uit zag als op

4 november 2015. Op de foto’s die twee weken na laatgenoemde datum zijn genomen is te zien dat er vocht uittreedt aan de onderkant van een buis. Droste stelt deze lekkage te hebben verholpen door het aandraaien van een manchet/ring in de buis. Op de laatste foto die bij het rapport van 1 december 2015 is gevoegd, is een situatie te zien die ten opzichte van 4 november 2015 is verbeterd. Er is nog slechts één vochtstreepje zichtbaar. Van de zijde van de VvE is ter zitting aangegeven dat de meterkastruimte die ochtend droog was. Daarbij is echter wel de kanttekening geplaatst dat de ruimte sinds de oplevering vaker droog is geweest, maar dat er na verloop van tijd altijd weer vocht is binnengekomen.



4.7.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de VvE, gezien de gemotiveerde betwisting door Droste, niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de vochtproblemen in de gezamenlijke (meterkast)ruimte, nog steeds niet naar de eisen van goed en deugdelijk werk zijn verholpen. Op basis van de foto’s en de mededeling van de VvE ter zitting dat de ruimte op dat moment droog was, kan niet worden uitgesloten dat de meest recente lekkage, die zich voordeed in de vorm van het uittreden van vocht uit een buis, definitief is verholpen. Bovendien leert lezing van het arbitrale vonnis dat de destijds in de meterkastruimte bestaande vochtproblematiek kennelijk bestond uit het binnentreden van vocht door scheuren in een wand en de vloer, terwijl nu sprake was van lekkage vanuit een buis. Dat, zoals door Droste is gesteld, de lekkage dit keer het gevolg is van slijtage van materiaal in de buis, hetgeen naar zijn zeggen jaren na de oplevering normaal is, kan evenmin worden uitgesloten. Voor het vaststellen van de oorzaak van deze lekkage en of deze lekkage nog is te relateren aan de vochtproblematiek waartegen Droste ingevolge het arbitrale vonnis passende maatregelen diende te nemen, is nadere bewijslevering nodig (bijvoorbeeld door benoeming van een deskundige) waarvoor dit kort geding zich niet leent.


4.8.

Gelet hierop is het onvoldoende aannemelijk geworden dat Droste de veroordeling in het arbitraal vonnis om de vochtproblemen overeenkomstig de eisen van goed en deugdelijk werk te herstellen, niet heeft nageleefd. Indien de VvE in dit stadium executiemaatregelen treft, handelt zij daarmee onrechtmatig jegens Droste. De vordering tot het opleggen van een verbod de aangekondigde executie voort te zetten en in dat kader verdere executoriale maatregelen te treffen, zal dan ook als volgt worden toegewezen.


4.9.

De gevorderde dwangsom zal als volgt worden beperkt en gemaximeerd.


4.10.

De VvE zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Droste worden begroot op:

- dagvaarding € 82,63

- griffierecht 613,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.511,63


5De beslissing

De voorzieningenrechter


5.1.

verbiedt de VvE om de door haar aangekondigde executie van het tussen partijen gewezen arbitrale vonnis van 26 maart 2014 op dit moment voort te zetten dan wel daartoe nog verdere executoriale maatregelen, zoals beslaglegging, te treffen, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000 ,-- bij iedere overtreding van dat verbod, tot een maximum van € 100.000,-- is bereikt,


5.2.

veroordeelt de VvE in de proceskosten, aan de zijde van Droste tot op heden begroot op € 1.511,63,


5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,




5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. G.G. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2015.