Rechtbank Overijssel, 18-12-2015 / ak_15_1057


ECLI:NL:RBOVE:2015:5593

Inhoudsindicatie
Besluit op bezwaar komt voor wat betreft herziening van de WWB-uitkering voor vernietiging in aanmerking nu verweerder ten onrechte heeft bepaald dat aanspraak op een voorliggende voorziening, ongeacht de mogelijkheid deze nog in te roepen, onverkort van toepassing is verklaard.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-12-18
Publicatiedatum
2015-12-21
Zaaknummer
ak_15_1057
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2016/22
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 15/1057


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[namen] , eisers,

beiden te Enschede,

gemachtigde: mr. T. Seker,


en


het college van burgemeester en wethouders van Enschede, verweerder,

gemachtigde: mr. W. Heesen.




Procesverloop


Bij besluit van 23 juni 2014 (het primaire besluit I) heeft verweerder de uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) van eisers herzien met ingang van 1 september 2013 van een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder, naar de norm voor een alleenstaande ouder met medebewoners onder verrekening van de inkomsten uit studiefinanciering van eiseres. Bij ditzelfde besluit is van eisers over de periode van

1 september 2013 tot en met 31 januari 2014 een bedrag ad € 3.421,53 netto aan te veel ontvangen bijstandsuitkering van eisers teruggevorderd.

Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar aangetekend.


Bij besluit van 19 december 2014 (het primaire besluit II) heeft verweerder, onder intrekking van het besluit van 23 juni 2014, de uitkering op grond van de WWB van eisers over de periode van 1 september 2013 tot en met 31 januari 2014 ingetrokken. Bij ditzelfde besluit is van eisers een bedrag van € 5.983,11 netto aan over deze periode ten onrechte betaalde WWB-uitkering teruggevorderd. Verweerder heeft het bezwaar gericht tegen het primaire besluit I mede gericht geacht tegen het primaire besluit II.


Bij besluit van 24 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en besloten op grond van coulance een nieuw terugvorderingsbesluit te nemen waarbij de hoogte van de terugvordering wordt gematigd tot het bedrag, zoals dat was vastgesteld bij het primaire besluit I, derhalve op € 3.421,53 netto.


Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1. Eisers hebben een WWB-uitkering ontvangen naar de norm voor gehuwden. Eiseres is met ingang van 1 september 2013 gaan studeren en heeft op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) studiefinanciering ontvangen. In verband hiermee heeft verweerder bij besluit van 25 september 2013 de WWB-uitkering herzien naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%. Verweerder heeft de uitkering herzien, op grond van het feit dat in het geval van eiser de verkeerde norm is toegepast en de inkomsten uit studiefinanciering niet zijn verrekend. Dit resulteert in het primaire besluit I.

Verweerder heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat eiseres in aanmerking komt voor een partner- en kind toeslag als aanvulling op haar beurs, nu zij een partner en een kind jonger dan 12 jaar heeft. Daarmee is sprake van een voorliggende voorziening. Eisers zijn zelf verantwoordelijk voor het te gelde maken van deze aanspraak. Bij besluit van

19 december 2014 heeft verweerder het primaire besluit onder I “vervallen verklaard” en het besluit onder II genomen.

Ten aanzien van de terugvordering stelt verweerder dat, voor zover de consulent van de gemeente de situatie verkeerd heeft ingeschat, er sprake is van een fout. Verweerder meent echter dat geen sprake is van een uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerde toezegging van een tot beslissen bevoegde ambtenaar. Eisers hebben er derhalve niet op mogen vertrouwen dat nu achteraf de situatie juridisch anders bleek te zijn dan in eerste instantie is ingeschat, de teveel verstrekte bijstand niet zou worden teruggevorderd.


2. Eisers stellen dat zij de gemeente steeds volledig hebben geïnformeerd over de situatie rond de studie van eiseres en door de consulent van de gemeente bij herhaling uitleg hebben gekregen over de wijze waarop de studiefinanciering aanvankelijk geen en in tweede instantie wel van invloed bleek op de hoogte van de bijstandsuitkering. Eisers stellen dat de consulent wel een beslissingsbevoegde ambtenaar is, aangezien zij de primaire besluiten I en II heeft genomen. Gelet hierop achten eisers de herziening van hun uitkering met terugwerkende kracht in strijd met het vertrouwensbeginsel. Daarbij hebben eisers er ten overvloede op gewezen dat eiseres niet meer dan € 2.463,89 aan studiefinanciering heeft ontvangen.


3. De rechtbank overweegt als volgt.


3.1

De WWB is met ingang van 1 januari 2015 gewijzigd en heet sindsdien Participatiewet. Met het oog op het overgangsrecht in artikel 78z, vierde lid, van de Participatiewet wordt op dit beroep beslist met toepassing van de WWB zoals die luidde vóór 1 januari 2015.


3.2

Ingevolge artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.


3.3

Eiseres volgde met ingang van 1 september 2013 tot en met 31 januari 2014 een opleiding en ontving studiefinanciering op grond van de Wsf 2000. Aangezien zij een partner zonder inkomen en een kind jonger dan 12 jaar heeft, waarvoor kinderbijslag wordt ontvangen, kwam eiseres naast genoemde studiefinanciering in aanmerking voor een partnertoeslag op grond van artikel 3.4 van de Wsf 2000. Volgens vaste rechtspraak is studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 aan te merken als een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht toereikend en passend te zijn. De rechtbank wijst op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7255. In zoverre is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiseres bij haar aanvragen in aanmerking had moeten komen voor een toeslag als voorzien in artikel 3.4 van de Wsf 2000.


3.4

Echter, naar het oordeel van de rechtbank onderscheidt onderhavige zaak zich van voornoemde uitspraak, met dien verstande dat eiseres feitelijk niet in aanmerking is gekomen voor deze toeslag ondanks herhaaldelijk schriftelijk contact met de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en het ontvangen van studiefinanciering op grond van de Wsf 2000. Ook voorziet de Wsf 2000 niet in het achteraf aanvragen en ontvangen van de toeslag op grond van artikel 3.4 van de Wsf 2000. Eiseres kan derhalve niet alsnog aanspraak maken op deze toeslag.


3.5

Verweerder werpt eiseres onverkort tegen, dat zij aanspraak op de toeslag had moeten maken. Het nalaten daarvan blijft in die zin voor risico van eisers, dat zij geen recht hadden op enige tegemoetkoming in het kader van de WWB. Verweerder stelt dat de door eisers ten onrechte ontvangen bijstandsuitkering terecht door verweerder is teruggevorderd.


3.6

De rechtbank deelt het oordeel van verweerder niet. Eiseres heeft feitelijk geen toeslag ontvangen en daarmee niet het bedrag aan studiefinanciering ontvangen, waarmee zij in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud van zichzelf, haar partner en kind kon voorzien. Terugvordering van het gehele bedrag dat eisers aan bijstandsuitkering hebben ontvangen in de periode waarin eiseres studeerde, zou betekenen dat eisers door verweerder met terugwerkende kracht worden geacht onder het bestaansminimum te mogen leven, zonder dat zij daarop nog enige invloed kunnen uitoefenen. In dit oordeel weegt de rechtbank mee, dat eisers verweerder steeds geïnformeerd hebben over het aangaan van de studie, het aanvragen van de studiefinanciering, de omvang van de genoten studiefinanciering, kortom op geen enkel moment de op hen rustende informatieplicht hebben geschonden.


3.7

De rechtbank is van oordeel dat de beslissing op bezwaar voor wat betreft de herziening van de WWB-uitkering voor vernietiging in aanmerking komt, nu verweerder ten onrechte heeft bepaald dat de aanspraak op een voorliggende voorziening, ongeacht de onmogelijkheid deze nog in te roepen, onverkort van toepassing is verklaard.


3.8

De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen opnieuw te beslissen op bezwaar, met inachtneming van het volgende.


3.9

Met verweerder is de rechtbank van oordeel, dat hetgeen eisers te veel aan uitkering hebben ontvangen, op grond van artikel 58, tweede lid, onder a, van de WWB, kan worden teruggevorderd. De rechtbank verwerpt het beroep op het vertrouwensbeginsel van eisers. Eisers hebben te veel WWB-uitkering genoten in de maanden september 2013 tot en met januari 2014, nu zij op grond van een verkeerde norm en zonder verrekening van de inkomsten uit studiefinanciering een uitkering hebben genoten. Verweerder is gerechtigd het te veel uitgekeerde terug te vorderen.

Nu sprake was van een samenloop van juridische regelingen en verweerder daarin geen eenduidige voorlichting heeft gegeven, bij monde van haar consulent, is dit betreurenswaardig maar niet zodanig dat verweerder van iedere terugvordering had behoren af te zien.


3.10

Eisers hebben gesteld dat eiseres in totaal een bedrag van € 2.463,89 aan studiefinanciering heeft ontvangen in de periode van 1 september 2013 tot en met 31 januari 2014. Verweerder heeft dit niet weersproken.


3.11

Verweerder heeft bij beslissing op het bezwaar van 24 april 2015 beslist, dat eisers coulance halve een bedrag van € 3.421,53 moeten terugbetalen, nu dit bij het besluit van

23 juni 2014 was teruggevorderd.


3.12

In het dossier heeft de rechtbank geen overzicht aangetroffen van de berekening, die leidde tot het terugvorderingsbedrag van € 3.421,53. De rechtbank ziet gelet hierop en op het voorgaande aanleiding niet zelf te voorzien, maar te bepalen dat verweerder met inachtneming van hetgeen is overwogen opnieuw zal beslissen op bezwaar.

De rechtbank geeft verweerder daarbij in overweging de terugvordering te beperken tot hetgeen eisers stellen aan studiefinanciering te hebben ontvangen, nu dat bedrag tussen partijen vaststaat en met deze terugvordering meer recht wordt gedaan aan het verloop van de besluitvorming van verweerder, waarbij het besluit tot vergoeden van mogelijke kosten gemaakt in bezwaar anders had kunnen luiden dan thans het geval.


4. Tevens ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,00 en een wegingsfactor 1) en voor de reiskosten van eiser in verband met het bijwonen van de zitting vast op € 20,40.


5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.




Beslissing


De rechtbank:

  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,00 aan eisers te vergoeden;
  • - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.000,40.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Vijftigschild, rechter, in aanwezigheid van

W. Veldman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op








griffier rechter




















Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.