Rechtbank Overijssel, 18-09-2015 / C/08/169026 / FA RK 15-570


ECLI:NL:RBOVE:2015:5804

Inhoudsindicatie
Rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets slaagt en stelt de kinderalimentatie op nihil.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-09-18
Publicatiedatum
2016-02-02
Zaaknummer
C/08/169026 / FA RK 15-570
Procedure
Beschikking
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht


Zittingsplaats Almelo


zaaknummer: C/08/169026 / FA RK 15-570


beschikking van de enkelvoudige familiekamer voor burgerlijke zaken d.d. 18 september 2015


inzake


[verzoekster] ,

verder te noemen: de vrouw

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker

advocaat mr. J.F. Sabaroedin


en


[verweerder] ,

verder te noemen: de man

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerder,

advocaat mr. M.J.J.A. Ooms.



1Het procesverloop


1.1.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende bescheiden:

- het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 11 maart 2015;

- het antwoordformulier van [minderjarige 1] van 12 maart 2015, binnengekomen op 17 maart 2015;

- het verweer met bijlagen, binnengekomen op 28 april 2015;

- een op 12 mei 2015 binnengekomen brief van mr. Sabaroedin van 11 mei 2015 met bijlage;

- een op 13 mei 2015 binnengekomen brief van mr. Sabaroedin van 12 mei 2015 met bijlagen;

- een op 9 juni 2015 binnengekomen brief van mr. Ooms van 8 juni 2015 met bijlagen;

- een op 10 juni 2015 binnengekomen brief van mr. Ooms van 9 juni 2015 met bijlagen;

- een op 12 juni 2015 binnengekomen brief van mr. Ooms van 12 juni 2015 met bijlage.


1.2.

[minderjarige 1] is op 2 april 2015 door de kinderrechter gehoord en [minderjarige 2] is op 28 mei 2015 door de kinderrechter gehoord.


1.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 22 juni 2015. Ter zitting zijn verschenen en gehoord: partijen beiden bijgestaan door hun advocaat. Namens de Raad voor de Kinderbescherming is mevrouw K.R. Gerritjans verschenen.


1.4.

Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van de rechtbank binnengekomen:

- op 13 augustus 2015 een brief van mr. Ooms van 13 augustus 2015 met bijlagen;

- op 20 augustus 2015 een brief van mr. Sabaroedin.


2De feiten


2.1.

Partijen zijn [2005] te [plaats] met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 9 februari 2011 heeft de rechtbank ‘s Gravenhage de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 23 februari 2011 ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand.


2.2.

Partijen zijn ouders van de navolgende minderjarige kinderen:

[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [1998] ,

[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [2002] .


2.3.

Partijen hebben de gevolgen van hun echtscheiding geregeld en neergelegd in het door beiden op 7 januari 2011 ondertekende echtscheidingsconvenant. In dit echtscheidingsconvenant zijn partijen, voor zover thans van belang, overeengekomen dat, gelet op de wederzijdse draagkracht en de verdeling van de zorgtaken, partijen vooralsnog geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zullen vaststellen.


3Het verzoek


De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van 1 januari 2015 vast te stellen op

€ 300,- per kind per maand, dan wel op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanig moment als de rechtbank juist acht.


4Het verweer tevens houdend zelfstandig verzoek


De man verzoekt de rechtbank de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen. Hij verzoekt de rechtbank te bepalen dat de vrouw de man ten minste viermaal per jaar dient te informeren over de kinderen en een goed lijkende foto dient te verstrekken. Daarnaast verzoekt de man de rechtbank bij zelfstandig verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de kinderen ieder weekend, dan wel ten minste eens in de veertien dagen een weekend bij de man verblijven, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen.


5De beoordeling


De bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen

De ontvankelijkheid


5.1.

Omdat de vrouw stelt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden erin gelegen dat zij nu in [woonplaats 1] woonachtig is, er geen sprake meer is van nakoming van een zorgregeling, alsook het inkomen van beide partijen is gewijzigd, maakt dat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek. Of deze gewijzigde omstandigheid ook tot wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding zal dienen te leiden, wordt hierna beoordeeld.


De ingangsdatum


5.2.

De vrouw heeft verzocht de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2015 dan wel met ingang van een datum zoals door de rechtbank als juist wordt geoordeeld vast te stellen. De vrouw stelt dat zij de man bij schrijven van 20 januari 2015 heeft gevraagd om salarisspecificaties. De man wist vanaf 20 januari 2015 dat hij mogelijk gehouden zou zijn tot het betalen van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen. De man heeft de gevraagde informatie niet aangeleverd.


5.3.

De man betwist dat hij de gevraagde stukken niet heeft aangeleverd. De man heeft dit wel gedaan maar vervolgens niets meer gehoord tot dat hij onderhavig verzoekschrift heeft ontvangen. De man is van mening dat een eventueel vast te stellen alimentatie in alle redelijkheid niet eerder kan ingaan dan op de datum van indiening van het verzoekschrift.


5.4.

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. De rechtbank hanteert als ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage de datum van het inleidend processtuk, 11 maart 2015, nu de man vanaf deze datum zeker rekening heeft kunnen en moeten houden met een wijziging van de kinderalimentatie.


De behoefte van de minderjarigen


5.5.

De rechtbank hanteert voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarige kinderen de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen. Uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van een kind is de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen om uit te gaan van het gezinsinkomen van de ouders ten tijde van de samenleving dan wel het latere inkomen van de onderhoudsplichtige ouder als dat nadien hoger is dan dat gezinsinkomen.


5.6.

Uit de overgelegde jaaropgave van de man volgt dat hij in 2010 een jaarinkomen had van € 11.557,-, hetgeen rekening houdend met de voor hem geldende tarieven inkomstenbelasting en de heffingskortingen, neerkomt op een besteedbaar inkomen van € 847,- netto per maand.


5.7.

De man gaat voor de berekening van het inkomen van de vrouw uit van de jaaropgave 2011, hetgeen door de vrouw niet wordt betwist. Derhalve zal de rechtbank hierbij aansluiten en uitgaan van een inkomen van € 23.560,-, hetgeen rekening houdend met de voor haar geldende tarieven inkomstenbelasting en de heffingskortingen, neerkomt op een besteedbaar inkomen van € 1.558,- netto per maand.


5.8.

Het gezamenlijk netto besteedbaar inkomen bedroeg ten tijde van het huwelijk aldus € 2.405,- per maand. Dit inkomen zal de rechtbank vermeerderen met het kindgebonden budget dat is ontvangen ten tijde van de samenleving. Gelet op de overgelegde definitieve berekening kindgebonden budget 2010 is dit een bedrag van € 113,- per maand.


5.9.

Op basis van de tabel 2010 en voormeld netto gezinsinkomen berekent de rechtbank de behoefte van de minderjarige kinderen aan een bijdrage van hun ouders op € 530,- per maand, ofwel € 265,- per kind per maand. Na indexering bedraagt de behoefte thans afgerond € 560,- ofwel € 280,- per kind per maand. Deze behoefte vermindert de rechtbank vervolgens met het kindgebonden budget waarop de ouder bij wie de kinderen na het uiteengaan van partijen verblijven, aanspraak kan maken. De man stelt dat het feit dat de vrouw is gaan samenwonen met een verdienende partner hem niet tegengeworpen kan worden en er uitgegaan moet worden van een kindgebonden budget met alleenstaande ouderkop. De vrouw stelt dat de man ten onrechte van een hoog kindgebonden budget uitgaat. Naar het oordeel van de rechtbank dient er uitgegaan te worden van het bedrag dat de vrouw feitelijk aan kindgebonden budget ontvangt en is het niet redelijk om van een fictief kindgebonden budget uit te gaan. Partijen zijn immers al geruime tijd gescheiden zodat het de vrouw niet verweten kan worden dat zij een nieuw leven heeft opgebouwd en is gaan samenwonen. Op basis van de overgelegde voorschotbeschikking heeft de vrouw recht op een kindgebonden budget van € 487,- per jaar, ofwel € 40,58 per maand. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van hun minderjarige kinderen komt daarmee op € 519,42 per maand, ofwel afgerond € 260,- per kind per maand.


De draagkracht van de vrouw


5.10.

Beide partijen gaan voor de berekening van de draagkracht van de vrouw uit van een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 1.189,- per maand zodat de rechtbank hierbij aan zal sluiten. Hierbij hoort een minimale draagkracht van € 25,- per kind per maand.


De draagkracht van de man


5.11.

Gelet op de overgelegde stukken eindigt de arbeidsovereenkomst van de man bij PostNL met ingang van 1 juli 2015. De rechtbank ziet derhalve aanleiding om de draagkracht te gaan berekenen over twee periodes: van 11 maart 2015 tot 1 juli 2015 en vanaf 1 juli 2015.


5.12.

Periode 11 maart 2015 tot 1 juli 2015

Beide partijen gaan voor deze periode uit van een NBI van de man van € 1.515,- per maand, zodat de rechtbank hierbij aan zal sluiten. Op basis van dit NBI komen beide partijen op een draagkracht van de man van € 64,- per kind per maand.


5.13.

Periode vanaf 1 juli 2015

Gelet op het overgelegde toekenningsbesluit is aan de man met ingang van 1 juli 2015 een WW-uitkering toegekend, op basis van een gemiddeld aantal uren van 31 uur per week. De hoogte van deze uitkering is het maandloon van € 1.802,21 per maand. Gedurende de eerste twee maanden bedraagt de uitkering 75% van het maandloon en met ingang van 1 september 2015 is de WW-uitkering 70% van het maandloon.


5.14.

Volgens de vrouw is in de door de man overgelegde draagkrachtberekening geen rekening gehouden met vakantiegeld. Voorts stelt zij dat geen rekening moet worden gehouden met de tijdelijke WW-uitkering van de man nu hij in het verleden in een gelijksoortige situatie na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst na drie maanden weer een volledige arbeidsovereenkomst kon afsluiten.


5.15.

De man stelt dat hij door de nieuwe wetgeving zes maanden niet mag werken bij PostNL en dat hij na zes maanden wel weer kan werken bij PostNL maar dat hij nu nog niet weet hoe de situatie daar dan is.


5.16.

Naar het oordeel van de rechtbank dient met ingang van 1 juli 2015 voor de berekening van de draagkracht van de man uitgegaan te worden van de WW-uitkering. Gelet op de per die datum ingevoerde wet flexibiliteit en zekerheid dienen er zes maanden tussen de tijdelijke contracten te zitten en is thans nog niet te voorzien of de man daadwerkelijk weer bij PostNL een contract zal krijgen. Over de periode van 1 juli 2015 tot 1 september 2015 bedraagt de WW-uitkering van de man 75% van € 1.802,21. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling dat over dit bedrag nog een vakantietoeslag berekend dient te worden. In tegenstelling tot de uitkeringsspecificatie, is het bedrag op de toekenningsbeslissing inclusief vakantietoeslag, zoals ook staat vermeld op de toekenningsbeslissing. Op grond van voormelde cijfers becijfert de rechtbank het NBI van de man op € 1.042,- per maand. Voor de periode vanaf 1 september 2015 bedraagt de WW-uitkering van de man 70% van € 1.802,21 per maand. Op basis van deze cijfers becijfert de rechtbank het NBI van de man op € 985,- per maand. In beide periodes is het NBI lager dan € 1.275,- per maand zodat de man een (minimale) draagkracht van € 50,- per maand heeft.


De aanvaardbaarheidstoets


5.17.

De man doet een beroep op de aanvaardbaarheidstoets. Bij het einde van het huwelijk waren er schulden die geleidelijk zijn afgelost. Doordat de man een wisselend inkomen heeft, stelt hij elke maand achter de feiten aan te hobbelen waardoor er nieuwe schulden worden opgebouwd. Volgens de man houdt hij -per 1 juli 2015 helemaal- minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm over. De vrouw maakt bezwaar tegen het meenemen van de schulden.


5.18.

De rechtbank stelt voorop dat in die gevallen waar sprake is van schulden, andere lasten of een lager inkomen dan € 1.275,- netto per maand, de vaststelling van een bijdrage op basis van de tabel tot een onaanvaardbare situatie kan leiden voor de onderhoudsplichtige. Van een onaanvaardbare situatie is sprake indien de onderhoudsplichtige:

- bij de vast te stellen bijdrage niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien, of

- van zijn inkomen na vermindering van de lasten minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt.

5.19.

Het is aan degene die een beroep doet op de aanvaardbaarheidstoets om aan de hand van al zijn inkomsten en lasten inzichtelijk te maken of sprake is van een situatie zoals hiervoor omschreven. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de man een overzicht verstrekt van zijn lasten. Uit dit overzicht blijken de navolgende noodzakelijk en niet te vermijden lasten (alles netto en per maand):

- de huurlast van € 658,23, minus de huurtoeslag van € 101,- en te verminderen met de gemiddelde basishuur van € 227,-;

- de premie ZVW van € 143,98, minus de zorgtoeslag van € 68,- en te verminderen met de nominale premie ZVW van € 39,-;

- de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van:

* 11 maart 2015 tot 1 juli 2015 van € 64,- per kind per maand;

* met ingang van 1 juli 2015 van € 25,- per kind per maand;

- de aflossing van de creditcard van € 206,-;

- de UWV invordering van € 100,-.

De overige door de man opvoerde lasten dienen naar het oordeel van de rechtbank uit de bijstandsnorm te worden voldaan.


5.20.

Rekening houdend met het voorgaande komen de totale lasten van de man voor de periode van 11 maart 2015 tot 1 juli 2015 op € 801,21 en voor de periode vanaf 1 juli 2015 op € 723,21.


5.21.

Zoals hiervoor overwogen moet de man in ieder geval 90% van de voor hem toepasselijke bijstandsnorm overhouden om de noodzakelijke lasten van zijn bestaan te kunnen voldoen. Na voldoening van zijn lasten resteert voor de man een ruimte van € 713,79 per maand (€ 1.515- € 801,21) voor de periode van 11 maart 2015 tot 1 juli 2015, € 318,79 per maand voor de periode van 1 juli 2015 tot 1 september 2015 (€ 1.042 - € 723,21) en € 261,79 per maand (€ 985- € 723,21) voor de periode na 1 september 2015, terwijl 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm € 866,- per maand bedraagt. De man heeft aldus, rekening houdend met voormelde lasten, onvoldoende middelen van bestaan om in zijn bestaan te kunnen voorzien, reden waarom de rechtbank de hiervoor berekende bijdragen van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen op nihil zal stellen.


De verdeling van de zorg- en opvoedingstaken


5.22.

Ter zitting van 22 juni 2015 is gebleken dat de man al geruime tijd geen contact heeft gehad met de kinderen. De ouders hebben afgesproken dat een beslissing op dit punt voor zes maanden zal worden aangehouden en dat de vader zal starten met het sturen van een brief aan de kinderen. De moeder zal de kinderen stimuleren om op de brief van vader te reageren. In de zomervakantie zal er een ontmoeting zijn tussen de man en, in ieder geval, [minderjarige 2] bij opa en oma of tante en zal er binnen zes maanden toegewerkt worden naar één dagdeel omgang tussen [minderjarige 2] en vader.


De informatieplicht


5.23.

Ter zitting heeft de vrouw naar voren gebracht dat zij geen verweer voert tegen de door de man gevraagde informatieplicht. Zij heeft onlangs een schoolfoto ontvangen en deze kan zij de man toesturen. Nu de vrouw geen verweer voert zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen en aan de vrouw een informatieplicht opleggen.


6De beslissing


De rechtbank:


1. legt aan de vrouw de verplichting op om de man telkens in de maanden januari, april, juli en oktober van ieder jaar schriftelijk te informeren over de ontwikkelingen van de minderjarigen op het gebied van – onder meer – gezondheid, schoolprestaties, vrijetijdsbesteding en sociaal leven, daaronder begrepen het toezenden van recente foto’s en afschriften van schoolrapporten van de minderjarigen;


2. bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen:

[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [1998] ,

[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [2002] ,

met ingang van 11 maart 2015 op NIHIL;


3. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;


4. houdt iedere verdere beslissing aan;


5. verzoekt partijen zich uiterlijk dinsdag 22 december 2015 uit te laten over de voortgang van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken.


Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. A. Flos en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2015 in tegenwoordigheid van mr. A.C.M. Heerdink, griffier.