Rechtbank Overijssel, 08-09-2015 / C/08/171958 / FT RK 15/889 + C/08/171959 / FT RK 15/890


ECLI:NL:RBOVE:2015:5942

Inhoudsindicatie
Verzoek tot toelating tot schuldsanering afgewezen: verzoekers zijn niet te goeder trouw. Zo zijn er bij voortduring betalingsverplichtingen aangegaan terwijl te voorzien was dat deze niet betaald konden worden.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-09-08
Publicatiedatum
2016-10-05
Zaaknummer
C/08/171958 / FT RK 15/889 + C/08/171959 / FT RK 15/890
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team toezicht

Zittingsplaats Almelo


Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:


[verzoeker] ,

geboren op [1960] te [geboorteplaats 1] ,


en


[verzoekster] ,

geboren [1973] te [geboorteplaats 2] ,


beiden wonende te [woonplaats] , [adres] ,

verzoekers, verder ook te noemen [verzoeker] en [verzoekster] .


Het procesverloop


[verzoeker] en [verzoekster] hebben verzoekschriften tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend.


De verzoeken zijn behandeld ter terechtzitting van 25 augustus 2015, waar [verzoeker] en [verzoekster] zijn verschenen. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.


De beoordeling


De feiten:


[verzoeker] en [verzoekster] zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. [verzoeker] en [verzoekster] hebben twee inwonende minderjarige kinderen. [verzoeker] heeft verder nog een meerderjarig kind uit een vorige relatie dat niet inwonend is.


[verzoeker] en [verzoekster] ontvangen een WW-uitkering van respectievelijk

€ 1.171,63 en € 1.546,77 per maand.


[verzoeker] en [verzoekster] hebben een schuldenlast opgegeven van in totaal

€ 107.305,30, waaronder de volgende schulden:

  • - De Nederlandse Voorschotbank € 59.131,61 (2007);
  • - Vodafone/Libertel, € 3.284,96 (2013);
  • - Stg. Kinderopvang Borne, € 4.207,02 (2013);
  • - CJIB, € 3.325,- (2013);
  • - DirectPay BV, € 1.472,01 (2013);
  • - Belastingdienst € 7.644,- en € 911,-.

Uit het overzicht van het CJIB van 10 augustus 2015 blijkt dat op naam van [verzoekster] drie opgelegde Wahv-boetes openstaan van in totaal € 1.013,84.


De – zakelijk weergegeven – toelichting van [verzoeker] en [verzoekster] :


[verzoeker] en [verzoekster] hebben ten aanzien van de schuld aan de Nederlandse Voorschotbank onder meer verklaard dat zij € 350,- aan rente betalen en dat er vanaf 2007

€ 150,- per maand wordt gespaard voor de aflossing van de lening. Desgevraagd konden [verzoeker] en [verzoekster] niet verklaren waar het opgebouwde geld is gebleven.


Wat betreft de schuld aan de Stg. Kinderopvang Borne hebben [verzoeker] en [verzoekster] verklaard dat de kosten van kinderopvang automatisch van hun rekening werden afgeschreven. Op een gegeven moment stonden [verzoeker] en [verzoekster] al drie maanden rood, waarna de van de rekening afgeschreven bedragen zijn teruggeboekt. Desgevraagd heeft [verzoekster] verklaard dat zij op dat moment geen kinderopvangtoeslag ontving omdat er bij het invullen van de formulieren iets mis was gegaan.


[verzoeker] en [verzoekster] hebben ten aanzien van de schuld aan DirectPay BV verklaard dat het een schuld aan (toenmalige) Laser Card Services betreft, waarmee in 2013 een betalingsregeling is afgesproken. Het is geen schuld die in 2013 is ontstaan.


[verzoeker] heeft over de schuld aan Vodafone/Libertel verklaard dat het de kosten van een zakelijke telefoon betreft. Volgens [verzoeker] kreeg hij deze kosten niet vergoed van zijn werkgever. Hij had evenmin een telefoon van het werk.


Over de schuld aan het CJIB heeft [verzoekster] verklaard dat deze is ontstaan in verband met opgelegde boetes. Volgens [verzoekster] bedraagt de totale schuld aan het CJIB niet meer

€ 3.325,-. Gesteld wordt dat er tweemaal loonbeslag van € 1.000,- is gelegd.


De motivering van de beslissing:


Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat [verzoeker] en [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw zijn geweest.


De rechtbank overweegt daartoe het volgende.


Een substantieel deel van de schuldenlast wordt gevormd door de schuld aan de De Nederlandse Voorschotbank van € 59.131,61. Blijkens de schuldenlijst is deze schuld weliswaar in 2007 ontstaan, maar [verzoeker] en [verzoekster] hebben ter zitting geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de aflossing van deze schuld. Blijkens de behandeling ter zitting betalen [verzoeker] en [verzoekster] maandelijks € 350,- aan rente en sparen zij vanaf 2007 maandelijks € 150,- voor de aflossing van de lening. [verzoeker] en [verzoekster] hebben zich al die jaren echter nooit afgevraagd waar het opgebouwde geld is gebleven. Nu [verzoeker] en [verzoekster] hierover geen duidelijkheid hebben kunnen verschaffen, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat zij ten aanzien van het onbetaald laten van deze schuld te goeder trouw zijn geweest.



Daarnaast zijn [verzoeker] en [verzoekster] bij voortduring betalingsverplichtingen blijven aangaan, terwijl zij hebben kunnen voorzien dat zij deze niet zullen kunnen betalen. Blijkens de stukken en de behandeling ter zitting ontvingen [verzoeker] en [verzoekster] in 2013 bijvoorbeeld geen kinderopvangtoeslag omdat er bij het invullen van formulieren iets was misgegaan. De rechtbank acht het aannemelijk dat het feit dat [verzoeker] en [verzoekster] in 2013 geen kinderopvang ontvingen niet (alleen) het gevolg is van fout invullen van formulieren, maar (ook) samenhangt met de terugvordering van over 2009 tot en met 2012 teveel betaalde kinderopvangtoeslag ad € 7.203,-. Desondanks bleven zij gebruik maken van de kinderopvang. De schuld die als gevolg hiervan is ontstaan, is naar het oordeel van de rechtbank niet te goeder trouw ontstaan.


De rechtbank constateert voorts dat [verzoeker] en [verzoekster] een forse schuld hebben aan Vodafone/Libertel. [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat het daarbij gaat om de kosten van een zakelijk gebruikte telefoon, waarvoor hij geen vergoeding van de werkgever heeft gekregen. Naar het oordeel van de rechtbank is de schuld aan Vodafone/Libertel extreem hoog voor een half jaar zakelijk bellen, waarbij het tevens bevreemdt dat [verzoeker] als vertegenwoordiger geen telefoon(vergoeding) kreeg. Naar het oordeel van de rechtbank is het onvoldoende aannemelijk is geworden dat deze schuld te goeder trouw is ontstaan.


Bij de schuld aan DirectPay BV staat op de schuldenlijst vermeld dat deze in 13 augustus 2013 is aangegaan. Ter zitting hebben [verzoeker] en [verzoekster] verklaard dat in 2013 een betalingsregeling is afgesproken en dat deze schuld al eerder is ontstaan. Nu de ontstaansdatum met betrekking tot deze schuld niet klopt, kan de rechtbank niet toetsen of deze schuld te goeder trouw is ontstaan.


Volgens de opgave van het CJIB van 10 augustus 2015 is er sprake van schulden aan het CJIB ter zake Wet Mulder boetes voor een totaalbedrag van € 1.013,84. De oplegde boetes zijn, gelet op hun aard, niet te goeder trouw ontstaan.


De overige schuldenlast behoeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen nadere bespreking.


Het verzoek zal worden afgewezen op grond van artikel 288 lid 1, aanhef en onder b, Faillissementswet.


Omstandigheden als bedoeld in artikel 288 lid 3 Faillissementswet zijn evenmin aannemelijk geworden, zodat het verzoek ook op deze grond niet kan worden toegewezen.











De beslissing


De rechtbank:


-wijst de verzoeken af.


Gewezen door mr. E. Venekatte, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 september 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

















































1 De schuldenaar heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend worden ingesteld bij door een advocaat ondertekend verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Wanneer de schuldenaar tevens een verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord heeft ingediend, wordt dit verzoek eveneens aan het Gerechtshof voorgelegd (art. 292 lid 3 en 361 Fw.).