Rechtbank Overijssel, 15-12-2015 / C08/11/328 R


ECLI:NL:RBOVE:2015:5959

Inhoudsindicatie
Schuldsanering. Voldoende aannemelijk dat schuldenaar tijdens de schuldsaneringsregeling heeft getracht haar schuldeisers te benadelen. Volgt ontneming schone lei.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-12-15
Publicatiedatum
2016-10-06
Zaaknummer
C08/11/328 R
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht - Schuldsanering

Zittingsplaats Almelo


insolventienummer: C08/11/328 R

uitspraakdatum: 15 december 2015


Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken in de wettelijke schuldsaneringsregeling van:


[schuldenaar] ,

geboren op [1963] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

verder te noemen de schuldenaar.


In deze schuldsaneringsregeling is I. Oude Middendorp, werkzaam bij OM Bewindvoering te Enschede, tot bewindvoerder benoemd.


Het procesverloop


De bewindvoerder heeft op 5 november een brief aan de rechtbank doen toekomen, welke brief is aangemerkt als een verzoek, strekkende tot intrekking van de bij vonnis van 19 augustus 2014 aan [schuldenaar] verleende schone lei (verzoek ex artikel 358a Fw).


Het verzoek is behandeld ter zitting van 24 november 2015, van welke behandeling proces-verbaal is opgemaakt. Ter zitting waren aanwezig: [schuldenaar] , vergezeld van haar gemachtigde [X] , alsmede de bewindvoerder.


De uitspraak is – na aanhouding - bepaald op heden.


De beoordeling


De feiten:


Bij vonnis van de voormalige rechtbank Almelo van 14 juni 2011 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [schuldenaar] uitgesproken.

Bij vonnis van rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 19 augustus 2014 is de schuldsaneringsregeling beëindigd, waarbij aan [schuldenaar] de schone lei verleend. De schuldsaneringsregeling is formeel geëindigd door het verbindend worden van de (slot)uitdelingslijst op 28 oktober 2014.


Het – kort samengevatte - verzoek van de bewindvoerder:


[schuldenaar] heeft de bewindvoerder niet gemeld dat zij belastingaangiften IB 2012 en 2013 had gedaan. De bewindvoerder ontving de teruggave IB 2012 van de belastingdienst op de boedelrekening. Hetzelfde gebeurde met een voorlopige teruggave IB 2013 van € 2.081,00.

De bewindvoerder heeft gewacht op het definitief worden van die voorlopige teruggave IB 2013. Dit was al in maart 2015 het geval, zo is de bewindvoerder eerst thans gebleken. Daarbij kwam [schuldenaar] nog een resterend bedrag toe van € 3.829,00, welk bedrag de belastingdienst rechtstreeks aan [schuldenaar] heeft uitbetaald. [schuldenaar] heeft de bewindvoerder niet over de ontvangst van het resterende bedrag geïnformeerd, ook niet tijdens de telefonische contacten die zij hadden. Toen de bewindvoerder daar, door contact met de belastingdienst, achter kwam, heeft hij [schuldenaar] verzocht het bedrag van € 3.829,00 op de boedelrekening te storten. Dit is niet gebeurd. De aangifte IB 2013 heeft [schuldenaar] ingediend op 10 september 2014, terwijl de slotuitdelingslijst nog niet verbindend was.


Ter zitting heeft de bewindvoerder verklaard dat hij [schuldenaar] bij aanvang van de regeling mondeling en daarna schriftelijk heeft geïnformeerd over de verplichting belastingaangifte te doen.

Voorts heeft de bewindvoerder verklaard dat hij in mei 2015 telefonisch bij [schuldenaar] navraag naar de belastingteruggave IB 2013 heeft gedaan, dat er eind augustus wat stukken door [schuldenaar] zijn aangeleverd en dat er in september 2015 nog weer telefonisch contact tussen hen was. Desondanks heeft [schuldenaar] nooit tegen de bewindvoerder gezegd dat zij de resterende, definitieve belastingteruggave IB 2013 al in maart 2015 had ontvangen.

[schuldenaar] heeft tegen de bewindvoerder gezegd dat zij volgens de belastingdienst de teruggave van € 3.829,00 zelf mocht houden.

De partner van [schuldenaar] heeft aangeboden het bedrag van € 3.829,00 in termijnen van

€ 200,00 per maand aan de boedel te vergoeden. Dat is niet geeffectueerd.


Zowel bij het huisbezoek bij aanvang van de schuldsaneringsregeling als bij brief, is [schuldenaar] gewezen op de verplichting belastingaangifte te doen.


Het – zakelijk weergegeven - standpunt van en namens [schuldenaar] :


Het is juist dat de belastingaangiften zijn verzorgd door belastingkantoor ’t Hooghelandt.

[schuldenaar] heeft gebeld met de belastingdienst of zij de definitieve teruggave IB 2013 mocht houden. Zij heeft van een medewerker van de belastingdienst telefonisch begrepen dat dat mocht. [schuldenaar] weet sinds twee maanden dat dat niet het geval is. [schuldenaar] heeft niet met de bewindvoerder gebeld omdat zij niet met hem door één deur kon.


Mevrouw [X] heeft namens [schuldenaar] het volgende aangevoerd.

Het is van belang wanneer de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling ophouden, te weten nadat de schone lei is verleend of nadat de uitdelingslijst verbindend is geworden. Uit een uitspraak van de Hoge Raad, betreffende een erfenis die was opengevallen nadat de schone lei was verleend maar voordat de uitdelingslijst verbindend was geworden, blijkt dat de verplichtingen uit een schuldsaneringsregeling eindigen bij het vonnis waarbij de schone lei wordt verleend.

Mevrouw [X] kan zich niet voorstellen dat [schuldenaar] bewust heeft gewacht met het doen van belastingaangiften. Tijdens de schuldsaneringsregeling was het contact tussen [schuldenaar] en de bewindvoerder niet optimaal. De definitieve belastingteruggave IB 2013 is in maart 2015 door de belastingdienst aan [schuldenaar] uitbetaald. Door de belastingdienst is niet gezegd dat dat geld naar de bewindvoerder moest. [schuldenaar] heeft erop vertrouwd dat de informatie van de belastingdienst juist was.

In mei 2015 heeft de bewindvoerder navraag bij [schuldenaar] gedaan.

[schuldenaar] is bereid tot terugbetaling, maar heeft geen financiële middelen.

De motivering van de beslissing:


Het verzoek ex artikel 358a Fw is ingediend door de bewindvoerder. De bewindvoerder is aan te merken als “belanghebbende” in de zin van voormeld artikel (HR 2006, 2 juni 2006; AV 4484), zodat deze in zijn verzoek kan worden ontvangen.


Een schone lei kan slechts worden ontnomen als, nadat de schone lei is verleend, blijkt dat zich voordien feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die grond zouden hebben opgeleverd voor een tussentijdse beëindiging op grond van artikel 350 derde lid onder e Fw, te weten als de schuldenaar heeft getracht zijn schuldeisers te benadelen. Onder die feiten moet worden begrepen een handelen, een nalaten of verzwijgen en dergelijk door de schuldenaar.


De vraag is dan ook aan de orde of thans voldoende aannemelijk is dat [schuldenaar] tijdens de schuldsaneringsregeling heeft getracht haar schuldeisers te benadelen.

De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is en overweegt hieromtrent het navolgende.


Van een schuldenaar wordt tijdens een schuldsaneringsregeling verlangd dat deze er alles aan doet om de onder de werking van de schuldsaneringsregeling vallende schuldeisers te betalen. Met andere woorden: een schuldenaar heeft de verplichting om tijdens een schuldsaneringsregeling zoveel mogelijk geld in de boedel te brengen zodat de onder de werking vallende schuldeisers zoveel mogelijk betaald zullen krijgen op hun vordering.

Om die reden valt het hele vermogen van een schuldenaar en diens inkomen (voor zover niet vallend onder het zogenoemde vrij te laten bedrag) in de boedel. De aan de schuldenaar over de periode van de schuldsaneringsregeling toevallende belastingteruggaven behoren tot dat inkomen.


Schuldeisers worden benadeeld als een schuldenaar inkomsten verzwijgt, (mogelijke) aanspraken op inkomsten niet of niet tijdig geldend maakt of inkomsten niet aan de boedel afdraagt. In casu is dit gebeurd met de (resterende) definitieve teruggave IB 2013.


Pas nadat de regeling met een schone lei is beëindigd, is de bewindvoerder gebleken – en niet omdat [schuldenaar] hem daarover heeft geïnformeerd maar omdat teruggave IB 2012 en voorlopige teruggave 2013 op de boedelrekening werden ontvangen - dat [schuldenaar] belastingaangifte IB 2012 en 2013 had gedaan.

Ten aanzien van de teruggave IB 2012, die - niet door toedoen van [schuldenaar] - op de boedelrekening werd ontvangen, heeft de rechtbank een bevel verdeling nagekomen bate gegeven. Ten aanzien van de voorlopige teruggave IB 2013, die – wederom niet door toedoen van [schuldenaar] - op de boedelrekening werd ontvangen, heeft de bewindvoerder eveneens om een bevel tot verdeling nagekomen bate gevraagd. De rechtbank heeft dit bevel tot op heden niet gegeven omdat de definitieve aanslag IB 2013 moest worden afgewacht.


Vast staat, [schuldenaar] heeft dit niet bestreden, dat [schuldenaar] de bewindvoerder niet heeft geïnformeerd dat de definitieve aanslag IB 2013, resulterend in een aanvullende teruggave van € 3.829,00, in maart 2015 werd opgelegd en aan haar uitbetaald. Evenmin heeft [schuldenaar] de bewindvoerder geïnformeerd dat zij de aanvullende teruggave al had ontvangen toen hij in mei 2015 en in oktober 2015 navraag bij haar deed.

De rechtbank is van oordeel dat dit niet verstrekken van informatie en de mede daardoor opgetreden benadeling van schuldeisers onder de werking van artikel 358a Fw moet worden gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat [schuldenaar] wist dat ook de definitieve teruggave IB 2013 tot de boedel behoorde. Enerzijds is zij immers – dit is niet door [schuldenaar] bestreden - door de bewindvoerder bij aanvang van de schuldsaneringsregeling over de verplichting belastingaangifte te doen geïnformeerd en anderzijds was zij er al mee geconfronteerd dat ten aanzien van de teruggave IB 2012 een bevel tot verdeling nagekomen bate was gegeven en dat de voorlopige teruggave IB van € 2.081,00 zich, in afwachting van het definitief worden ervan, op de boedelrekening bevond.

Als [schuldenaar] al had kunnen twijfelen of zij de (resterende) teruggave IB 2013 aan de boedel moest afdragen of deze mocht houden, en de rechtbank is dus van oordeel dat dit niet het geval geweest kán zijn, had zij navraag bij de bewindvoerder kunnen doen. Dat heeft zij nagelaten. In plaats daarvan heeft [schuldenaar] , naar zij stelt, navraag gedaan bij de belastingdienst. Dat die dienst haar vervolgens naar haar zeggen verkeerde informatie zou hebben verstrekt disculpeert [schuldenaar] echter niet.


Namens [schuldenaar] is nog gewezen op een arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2012:BV0850), waaruit blijkt dat de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling eindigen na afloop van de termijn ex artikel 349a Fw. In de betreffende zaak ging om een nalatenschap die was opengevallen nadat aan de schuldenaar de schone lei was verleend.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent dat het in de onderhavige zaak gaat om belastingteruggaven die zien op de periode van de schuldsaneringsregeling zelf en die daarom zonder meer tot de boedel behoren en, in het verlengde daarvan, tot de verplichtingen van de schuldenaar die zich in dit opzicht niet beperken tot de duur van de schuldsaneringsregeling.


De echtgenoot van [schuldenaar] heeft aan de bewindvoerder nog een betalingsvoorstel ten aanzien van het aan de boedel ontnomen bedrag van € 3.829,00 gedaan.

De rechtbank is van oordeel dat dit aanbod niet afdoet aan het oordeel dat [schuldenaar] heeft getracht haar schuldeisers te benadelen, zodat dit aanbod, wat hier ook van zij, niet tot een ander oordeel kan leiden.


Het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, dient te leiden tot de beslissing dat artikel 358, eerste lid Faillissementswet verder geen toepassing vindt. Kort gezegd betekent dit dat thans aan [schuldenaar] de schone lei wordt ontnomen en dat de onder de werking van de schuldsaneringsregeling vallende schulden opnieuw afdwingbaar zijn.


De beslissing


De rechtbank:


- bepaalt dat artikel 358, eerste lid Faillissementswet verder geen toepassing vindt.


Gewezen door mr. Venekatte, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 15 december 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.


1 Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van de zaak moet kennisnemen (art. 355 jo 361 Fw).