Rechtbank Overijssel, 10-02-2015 / 08/770058-14


ECLI:NL:RBOVE:2015:677

Inhoudsindicatie
De rechtbank Overijssel veroordeelt een 43-jarige man uit Enschede tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Hij maakte zich in een periode tussen 2001 en 2003 met zijn vriendin schuldig aan het plegen van ontuchtige handelingen met hun minderjarige buurmeisje in Enschede en Giethoorn. Verder moet de man een schadevergoeding betalen van 1.500 euro.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-02-10
Publicatiedatum
2015-02-10
Zaaknummer
08/770058-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Almelo


Parketnummer: 08/770058-14

Datum vonnis: 10 februari 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] 1971 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats].



1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 januari 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.Y. Huang en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. D. Greven, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) de minderjarige [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) heeft gevingerd en gebeft en

feit 2: samen met medeverdachte [medeverdachte] ontucht heeft gepleegd met de minderjarige [slachtoffer].



Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


1.


hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 maart 2001

tot en met 28 januari 2003 te Enschede, in de gemeente Enschede en/of te

Giethoorn, in de gemeente Steenwijkerland, tezamen en in vereniging met een

ander, althans alleen, met [slachtoffer] (geboren

[geboortedatum 2] 1987), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien

jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en)

heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte en/of zijn

mededader:

- één of meermalen (één of meerdere) vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer]

geduwd en/of gebracht en/of

- één of meermalen aan/tussen de schaamlippen en/of de vagina van die

[slachtoffer] gelikt;

2.


hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 maart 2001

tot en met 28 januari 2003 te Enschede, in de gemeente Enschede en/of te

Giethoorn, in de gemeente Steenwijkerland, tezamen en in vereniging met een

ander, althans alleen, met [slachtoffer] (geboren

[geboortedatum 2] 1987), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,

buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd,

hebben verdachte en/of zijn mededader één of meermalen:

—de ontblote borst(en) van die [slachtoffer] betast en/of gekust en/of

—de schaamstreek van die [slachtoffer] betast, gestreeld en/of bevoeld en/of

—die [slachtoffer] getongzoend en/of

—die [slachtoffer] zijn, verdachtes, penis laten vastpakken en/of vasthouden,

althans laten aanraken.


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in preventieve hechtenis heeft doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en heeft de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De beoordeling van het bewijs


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Twente met als dossiernummer PL05KP 2014013816 van 17 juni 2014. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging


Volgens de officier van justitie kan het tenlastegelegde onder feit 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen worden. Volgens de officier van justitie is de aangifte betrouwbaar. De aangifte wordt in de kern ondersteund door de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] en de verklaring van verdachte.

Er is sprake van medeplegen. Verdachten hebben ieder op hun manier een aandeel gehad in het seksualiseren van de sfeer wanneer aangeefster bij hen op bezoek was. De ontuchtige handelingen door verdachte met aangeefster hebben meermalen in het bijzijn van medeverdachte [medeverdachte] plaatsgevonden. Medeverdachte [medeverdachte] heeft nimmer ingegrepen of zich gedistantieerd. Verder heeft medeverdachte [medeverdachte] zelf ook ontuchtige handelingen met aangeefster gepleegd.


De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Verdachte ontkent dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het tenlastegelegde. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat, alhoewel er twee verklaringen zijn tegen verdachte, niet kan worden gesproken van wettig bewijs nu beide verklaringen dermate onbetrouwbaar zijn dat ze moeten worden uitgesloten van het bewijs. Evenmin is er sprake van overtuigend bewijs. Niet uitgesloten kan worden dat het mogelijk misbruik van [slachtoffer] door haar broer, ertoe heeft geleid dat [slachtoffer] heeft ingestemd met [medeverdachte] om een verklaring tegen verdachte af te leggen. Immers, gebleken is, dat [medeverdachte] een hetze tegen verdachte voert; zij verzint seksueel misbruik, opdat hij hun kind niet meer mag zien.


5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


Evenals de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft gepleegd.


Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.


De betrouwbaarheid van het bewijs

[slachtoffer] was het buurmeisje van verdachte en medeverdachte [medeverdachte]. Zij kwam vanaf het moment dat [medeverdachte] bij verdachte op het adres [adres 1] in Enschede introk regelmatig bij verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op bezoek. Op 28 januari 2003 zijn verdachte en medeverdachte [medeverdachte] uitgeschreven van het adres [adres 1] in Enschede en zijn zij verhuisd. Vanaf dat moment is het contact tussen [slachtoffer] en verdachte en medeverdachte [medeverdachte] verwaterd. In 2007 zijn verdachte en medeverdachte [medeverdachte] uit elkaar gegaan. Medeverdachte [medeverdachte] heeft in september 2007 bij de politie een melding gedaan dat verdachte in het verleden [slachtoffer] seksueel misbruikt zou hebben.


[slachtoffer] heeft op 7 november 2007 een informatief gesprek bij de politie gehad, waarin zij heeft verklaard dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] ontuchtige handelingen met haar hebben gepleegd. [slachtoffer] heeft in 2007 geen aangifte gedaan, omdat zij dat niet aankon.


Op 6 februari 2014 heeft [slachtoffer] opnieuw een informatief gesprek bij de politie gehad. [slachtoffer] heeft uiteindelijk op 20 februari 2014 aangifte gedaan van ontuchtige handelingen gepleegd door verdachte en medeverdachte [medeverdachte].


Medeverdachte [medeverdachte] heeft een belastende verklaring over verdachte en zichzelf afgelegd. Verdachte ontkent dat hij ontuchtige handelingen bij [slachtoffer] heeft gepleegd.


De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] en medeverdachte [medeverdachte] betrouwbaar zijn en als bewijsmiddel gebruikt kunnen worden. De verklaringen die [slachtoffer] in 2007 en 2014 heeft afgelegd zijn consistent, concreet en gedetailleerd. Daaraan doet niet af, dat [slachtoffer] wisselend heeft verklaard over haar leeftijd ten tijde van het misbruik, nu uit andere bewijsmiddelen genoegzaam volgt dat [slachtoffer] ten tijde van het misbruik 13, 14 of 15 jaar oud was. Ook de verklaringen die medeverdachte [medeverdachte] heeft afgelegd zijn consistent, concreet en gedetailleerd. Voorts komen de verklaringen van [slachtoffer] en medeverdachte [medeverdachte] in essentie overeen.

Het verweer van de verdediging dat de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] en [slachtoffer] ongeloofwaardig zijn, omdat [medeverdachte] hiermee probeert te bewerkstelligen dat verdachte zijn dochter niet meer mag zien en [slachtoffer] gelet op haar belast verleden heeft ingestemd met het verzoek van [medeverdachte] om een verklaring tegen verdachte af te leggen, volgt de rechtbank niet. De rechtbank heeft hiertoe geen aanknopingspunten in het dossier gevonden. Een complot geïnspireerd door en in samenspraak met [medeverdachte], de medeverdachte, tevens ex-vrouw van verdachte, acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank merkt in dit verband op dat medeverdachte [medeverdachte] in de verklaring die zij over het misbruik heeft afgelegd ook zichzelf belast en de aangifte ook [medeverdachte] treft. Bovendien blijkt uit het dossier niet dat [slachtoffer] en [medeverdachte] na 2007 contact met elkaar hebben gehad en aldus in de gelegenheid zijn geweest elkaar te beïnvloeden. Voorts ziet de rechtbank niet in wat zowel [slachtoffer]’s als [medeverdachte]’s belang zou zijn om een valse aangifte te doen tegen verdachte. De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaring van verdachte dat een motief zou zijn dat zij hieraan geld zouden overhouden.


Medeplegen

Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van medeplegen. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat zij wist dat verdachte [slachtoffer] aan het werven was voor seksuele handelingen. Op verzoek van verdachte liep [medeverdachte] op momenten dat [slachtoffer] bij hen op bezoek was welbewust enkel gekleed in lingerie of zelfs naakt in de woning rond. Zij heeft daardoor mede een seksuele sfeer in huis gecreëerd en het contact met [slachtoffer] geseksualiseerd. Terwijl verdachte seksuele handelingen bij [slachtoffer] verrichtte, deed medeverdachte [medeverdachte] dat bij verdachte. Zowel verdachte als [medeverdachte] waren aanwezig bij de seksuele handelingen met [slachtoffer]. [medeverdachte] heeft zich nimmer van de ontuchtige handelingen gedistantieerd noch heeft zij ingegrepen. De seksuele handelingen vonden bovendien plaats in het huis van verdachte en [medeverdachte], dan wel in een vouwwagen waarin zij met [slachtoffer] verbleven en werden gepleegd door zowel verdachte als [medeverdachte].


Gelet op de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] ontucht heeft gepleegd met de destijds minderjarige [slachtoffer], waaronder het seksueel binnendringen bij die minderjarige [slachtoffer].


5.3

De conclusie


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


1.


hij in de periode van 1 maart 2001 tot en met 28 januari 2003 te Enschede, in de gemeente Enschede en te Giethoorn, in de gemeente Steenwijkerland, tezamen en in vereniging met een ander, met [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] 1987), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte en zijn

mededader:

- meermalen (een) vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en

- aan/tussen de schaamlippen en/of de vagina van die [slachtoffer] gelikt;

2.


hij in de periode van 1 maart 2001 tot en met 28 januari 2003 te Enschede, in de gemeente Enschede en te Giethoorn, in de gemeente Steenwijkerland, tezamen en in vereniging met een ander, met [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] 1987), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, hebbende verdachte en zijn mededader:

- de ontblote borsten van die [slachtoffer] betast en

- de schaamstreek van die [slachtoffer] betast en

- die [slachtoffer] getongzoend.


De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 245 juncto 47 en 247 juncto 47 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


feit 1

het misdrijf: medeplegen van met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;


feit 2

het misdrijf: medeplegen van met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen.


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.


8De op te leggen straf of maatregel


8.1

De gronden voor een straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met de minderjarige [slachtoffer]. Deze ontuchtige handelingen bestonden ook uit het seksueel binnendringen van [slachtoffer]. Door aldus te handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer]. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat de strafbare feiten een grote impact op haar hebben gehad en dat zij daar nog dagelijks de negatieve gevolgen van ondervindt in de vorm van gevoelens van angst en onzekerheid. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Uit het dossier komt verdachte naar voren als de persoon die telkenmale het initiatief nam tot de seksuele handelingen. Verdachte heeft zich daarbij enkel laten leiden door zijn eigen seksuele verlangens en zich niets aangetrokken van de mogelijke gevolgen die de seksuele handelingen voor het slachtoffer zouden hebben.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte d.d. 27 november 2014, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld.

Verder zal de rechtbank bij de strafoplegging rekening houden met het over verdachte uitgebrachte psychologische rapport, opgesteld door de deskundige M. Kemink, d.d. 21 november 2014 en het reclasseringsrapport, opgesteld door B.J.M. Eijssink, reclasseringsmedewerker d.d. 6 januari 2015.

Uit het psychologische rapport blijkt dat er bij verdachte sprake is van een narcistische persoonlijkheidsstoornis met antisociale kenmerken. Verdachte is sterk gericht op eigen behoeften en kan instrumenteel een sociale façade ophouden en/of dwingend zijn om zijn doel te bereiken. Verdachte heeft een gebrek aan empathie, en een onvermogen om diepgaande emotionele verbintenissen aan te gaan en sociale grenzen aan te voelen. Verdachte is positief over eigen kunnen en persoonlijkheid en heeft weinig reflectieve vermogens. Hij voelt zich gerechtigd zaken op zijn wijze aan te pakken en is wantrouwend en boos als hij zich moet aanpassen. Verdachte ontkent stellig het tenlastegelegde, waardoor de onderzoeker geen verband kan leggen tussen vastgestelde diagnoses/classificaties en de tenlastelegging.

De reclassering onthoudt zich gelet op de stellige ontkenning van verdachte van een advies over de sanctie. Mocht verdachte schuldig worden bevonden, dan is een klinische behandeling in het kader van voorwaardelijke straf volgens de reclassering niet geïndiceerd omdat verdachte hieraan niet mee zal werken.


De rechtbank is, gelet op de ontkenning van verdachte en de rapportage van de psycholoog en de reclassering, van oordeel dat een klinische behandeling niet geïndiceerd is.


Alles afwegende acht de rechtbank het passend en geboden dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden waarvan vijf maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.


9De schade van benadeelden


9.1

De vordering van de benadeelde partij


De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en heeft de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.


De verdediging heeft gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.


[slachtoffer], wonende te [adres 2], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1.500,- (vijftienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- immateriële schade van € 1.500,-.


Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.


Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering tot vergoeding van immateriële schade ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade heeft toegebracht aan de benadeelde. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het bewezenverklaarde feit een sterk negatieve invloed kan hebben op het (psychisch) welbevinden van een slachtoffer. De opgevoerde schadepost is tegen die achtergrond voldoende onderbouwd en aannemelijk. Omdat de exacte schade niet, of moeilijk in een vast bedrag te vertalen is, zal de rechtbank gebruik maken van haar bevoegdheid de omvang van de schade te schatten. De rechtbank acht in dit geval een bedrag van € 1.500,-- redelijk en billijk en zal de vordering toewijzen tot dat bedrag. De wettelijke rente acht de rechtbank toewijsbaar vanaf het einde van de pleegperiode, te weten 28 januari 2003. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis. Voor deze schade zijn verdachte en zijn medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat indien en voor zover de mededader heeft betaald, verdachte zal zijn bevrijd.


9.2

De schadevergoedingsmaatregel


De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door feit 1 en 2 is toegebracht.


10De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27 en 57 Sr.

11De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 het misdrijf: medeplegen van met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

feit 2 het misdrijf: medeplegen van met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;


straf

  • - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig (20) maanden, waarvan vijf (5) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;
  • - bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • - bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
  • - bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer], wonende te [adres 2]ontvankelijk is in haar vordering;
  • - veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 1.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 januari 2003, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;
  • - veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
  • - legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde onder 1 en 2 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.500,- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 25 dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan);
  • - bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
  • - veroordeelt de verdachte tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt voor rechtsbijstand met betrekking tot deze vordering. De rechtbank begroot die kosten op nihil.


Dit vonnis is gewezen door mr. C.C.S. Koppes, voorzitter, mr. F.H.W. Teekman en mr. E.J.M. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Akfidan-Turan, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2015.



Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL05KP 2014013816 van 17 juni 2014. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


Ten aanzien van feit 1 en 2


1.


Het proces-verbaal aangifte van aangeefster [slachtoffer] van 20 februari 2014, blz. 56 t/m 62, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van aangeefster:


Ik kwam regelmatig bij [verdachte] en [medeverdachte] thuis op de [adres 1]. Het begon ermee dat [verdachte] mij begon te zoenen. Soms staand of soms kwam hij bij mij zitten op de bank. Hij ging naast mij zitten en hij raakte mij borsten aan. Hij drukte mijn gezicht naar zich toe zodat hij mij kon zoenen. Later begon hij steeds verder te voelen. Ook verder naar beneden. Hij begon toen te voelen bij mijn vagina. In het begin was dit over de broek, maar later in de broek. Later zei hij tegen mij dat ik mijn broek uit moest doen. lk deed dit ook, mijn onderbroek bleef dan aan. Hij voelde dan over de slip aan mijn vagina.

[medeverdachte] was er dan bij. Als [verdachte] met mij bezig was, dan ging zij hem zoenen en aanraken. Meestal als hij mij ging voelen zat hij op zijn hurken voor mij. [medeverdachte] heeft mij later aangeraakt.

lk kan me wel herinneren dat [medeverdachte] wel helemaal naakt is geweest in die tijd. [medeverdachte] liep dan wel vaak in lingerie in de kamer.

Volgens mij heeft [verdachte] mij in die periode dat ik op de bank zat ook wel eens zonder onderbroekje gevingerd en gebeft. lk kan mij herinneren dat hij op zijn knieën voor mij zat. lk bedoel met beffen dat [verdachte] met zijn tong in mijn vagina ging. Met vingeren bedoel ik dat hij met zijn vinger in mijn vagina zat. lk voelde dat hij er in ging met zijn vinger, lk weet wel dat hij er meer omheen zat met zijn vinger en met zijn tong, meer stimuleren. Hij zat ook niet zo ver met zijn vinger en zijn tong in mijn vagina.

Tijdens het weekendje weg en in het andere huis in Giethoorn heeft [medeverdachte] mij in die periode aangeraakt. [verdachte] had een vouwwagen. We gingen volgens mij van vrijdag op zaterdag of zaterdag op zondag. lk heb daar 1 nacht gelogeerd. Ik kan me nog herinneren dat we later in de vouwwagen met ons drieën lagen en dat [medeverdachte] en ik naast elkaar lagen en dat [verdachte] ons allebei ging bevredigen. [medeverdachte] was helemaal naakt en ik volgens mij ook. [verdachte] heeft met zijn vingers mij en [medeverdachte] gevingerd tegelijkertijd. [verdachte] zat op zijn knieën voor ons en vingerde ons tegelijkertijd. lk weet nog dat [verdachte] mij vroeg of ik [medeverdachte] wilde zoenen. Hierna kwam [medeverdachte] naar mij toe en ze tongzoende mij. Ik kan me wel herinneren dat [verdachte] mij die keer bij het vingeren zeer heeft gedaan. Hij was tegelijkertijd met [medeverdachte] bezig en toen ging het een stuk sneller en deed hij mij pijn bij het vingeren.




2.


Het proces-verbaal verdachte [medeverdachte] van 23 april 2014, blz. 82 t/m 97, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:


Ik denk dat [slachtoffer] iets van 14 jaar was toen zij bij ons thuis kwam. In het begin van mijn relatie met [verdachte] kwam [slachtoffer] al bij ons. Ik denk dat zij wel dagelijks kwam. [verdachte] betastte [slachtoffer] onder haar kleren over haar borsten. Hij heeft haar ook gebeft. Een keer waren wij allemaal naakt. Dat was toen op het moment dat hij haar begon te beffen en te vingeren. [verdachte] begon aan haar borsten te friemelen en vingerde haar. Het hele verhaal is ook gebeurd op de camping van de ouders van [verdachte]. Het seksueel misbruik vond voornamelijk plaats in de periode dat wij aan de [adres 1] in Enschede woonden. Als [slachtoffer] zegt dat ik haar heb getongzoend dan zou dat wel kunnen. Ik droeg vaak uitdagende kleding of lingerie.


3.


Een ander geschrift, te weten een tijdlijn, opgemaakt door [verbalisant], brigadier van politie Regiopolitie Twente, in verband met de inhoud van de processen-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte], voor zover inhoudende GBA gegevens over de in- en uitschrijving van de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] op het adres [adres 1] te Enschede, zakelijk weergegeven:

28-06-2001 GBA [medeverdachte] [medeverdachte] staat ingeschreven aan de [adres 1] te Enschede, samen met [verdachte];

28-1-2003 GBA [verdachte] en [medeverdachte] zijn uitgeschreven uit de [adres 1] en verhuisd naar [adres 3] te Haaksbergen.