Rechtbank Overijssel, 29-01-2015 / C/08/165245 / KG RK 14-3110


ECLI:NL:RBOVE:2015:731

Inhoudsindicatie
Rechtbank wijst verzoek tot wraking af.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-01-29
Publicatiedatum
2015-02-12
Zaaknummer
C/08/165245 / KG RK 14-3110
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

beslissing


RECHTBANK OVERIJSSEL


Wrakingskamer


Zittingsplaats Almelo


Zaaknummer: C/08/165245 / KG RK 14-3110



Beslissing van 29 januari 2015



in de zaak van


[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats], Turkije,

wonende te Almelo,thans verblijvende in het HvB De Karelskamp te Almelo,

verzoeker tot wraking,

advocaat: mr. S.G.E. Koumans te Maastricht.




1De procedure

1.1.

In de strafzaken tegen verzoeker onder de parketnummers 08/730720-13 en 08/730244-14 heeft op 2 december 2014 een openbare terechtzitting plaatsgevonden, alwaar mr. E. Venekatte, mr. H. Stam en mr. S. Taalman zitting hadden.


1.2.

Bij gelegenheid van de behandeling ter terechtzitting heeft verzoeker een mondeling verzoek tot wraking van de behandelend rechters mr. Venekatte en

mr. Stam gedaan, zoals blijkt uit het proces-verbaal van het wrakingsverzoek van

2 december 2014. Omdat verzoeker blijkens het proces-verbaal van de zitting van 2 december 2014 heeft gezegd dat hij de rechtbank wraakt, vat de wrakingskamer het verzoek op als mede gericht tegen mr. S. Taalman.


1.3.

De leden van de strafkamer hebben niet berust in de wraking en hebben op

16 december 2014 schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek, waarbij zij ook hebben medegedeeld dat zij niet bij de behandeling van het verzoek tot wraking aanwezig zullen zijn.



1.4.

Het wrakingsverzoek is op 19 januari 2015 in het openbaar behandeld. Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.


2Het wrakingsverzoek

2.1.

Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 december 2014 heeft verzoeker het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd:

“Ik ben eerder veroordeeld voor huiselijk geweld door een rechter bij deze rechtbank die nu

ook deel uitmaakt van deze meervoudige kamer. (De verdachte wijst hierop in de richting

van de oudste rechter mr. Stam).

Mijn echtgenote wilde destijds ook geen aangifte doen,

maar zij is daartoe gedwongen. Bij mijn aanhouding in die zaak ben ik door de politie ernstig

mishandeld. Toen ik ter terechtzitting mijn verhaal over dit alles wilde doen, mocht dat niet

van de rechter. Nu diezelfde rechter weer deel uitmaakt van de samenstelling van deze

rechtbank en ik ook in deze zaak kennelijk niet mag aantonen dat in de aangifte een verkeerd

beeld van mij wordt geschetst en dat het rapport van het PBC niet deugt, heb ik geen enkel

vertrouwen meer in deze samenstelling van de rechtbank. Ik heb ook geen vertrouwen in de

voorzitter. Zij heeft bij een eerdere zitting in deze zaak een opmerking gemaakt over

jeugdzorg. Daarom heb ik in haar ook geen vertrouwen.”


3Het standpunt van de leden van strafkamer.

3.1.

De leden van de strafkamer hebben niet berust in de wraking en weersproken dat sprake is van partijdigheid of de schijn daarvan. Zij stellen daartoe in hun schriftelijke reactie van 16 december 2014 het volgende:

“Het enkele feit dat een rechter in eerdere zaken over dezelfde verdachte heeft beslist, leidt volgens vaste jurisprudentie niet tot de conclusie dat hij niet onpartijdig is of daartoe de schijn heeft gewekt. Indien verzoeker het inhoudelijk niet met een uitspraak eens is, is het aan hem om daar hoger beroep tegen aan te tekenen. Wraking is hiertoe niet het bedoelde middel.

Het is juist dat Venekatte ter gelegenheid van de behandeling van de vordering

gevangenhouding de vraag heeft gesteld of Jeugdzorg bij het gezin betrokken is. Mede gelet op de context van de bespreking van de tegen verzoeker gerezen verdenking, huiselijk geweld, kan het enkele stellen van deze vraag evenmin leiden tot de conclusie dat sprake is van niet onpartijdigheid of de daartoe gewekte schijn.

Voor zover verzoeker stelt dat hij (van de meervoudige kamer) kennelijk niet mag aantonen dat in de aangifte een verkeerd beeld van hem wordt geschetst en dat het PBC-rapport niet deugt, merken wij op dat, op het moment van wraking, nog geen enkele inhoudelijke beslissing op de namens verdachte ingediende verzoeken had plaatsgevonden. Verzoeker wraakte de rechtbank immers op het moment dat de voorzitter de raadsvrouw het woord wilde geven om het verzoek in tweede termijn toe te lichten. Ook deze stelling van verzoeker mist derhalve doel.”


4De beoordeling

4.1.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak - de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.


4.2.

Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoeker, naast de door hem aangevoerde gronden, – kort samengevat – aangevoerd dat mr. Stam hem uit huis heeft gezet in een geding over zijn huis. Daarnaast heeft verzoeker aangevoerd dat hij eerder terecht heeft gestaan voor mr. Venekatte, optredend als politierechter.


4.3

Volgens artikel 513, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering moeten alle feiten en omstandigheden tegelijk worden voorgedragen. Uit die bepaling, in samenhang met het vierde lid, volgt dat alleen nieuwe feiten en omstandigheden die aan de verzoeker pas nadat hij het wrakingsverzoek heeft gedaan, bekend zijn geworden, nog een rol kunnen spelen bij de beoordeling van het wrakingsverzoek. Niet gesteld of gebleken is dat de bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek aangevoerde feiten en omstandigheden pas na het wrakingsverzoek aan verzoeker bekend zijn geworden. Met deze gronden kan daarom geen rekening worden gehouden.


4.4

Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en de Hoge Raad (HR) overweegt de rechtbank dat de onpartijdigheid van de rechter niet reeds te lijden heeft door de omstandigheid dat die rechter eerder uitspraak heeft gedaan in een zaak waarin verzoeker partij was en daarbij in het ongelijk is gesteld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB 5 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2732, en het arrest van de HR van 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU8280). Uit de enkele omstandigheid dat mr. Stam verzoeker in een eerdere strafzaak heeft veroordeeld, kan dan ook geen vooringenomenheid of onpartijdigheid worden afgeleid.


4.5

Het wrakingsverzoek behelst ook overigens geen feiten of omstandigheden die erop wijzen dat de rechterlijke onpartijdigheid van mr. Venekatte en mr. Stam schade zou kunnen lijden. Het feit dat mr. Venekatte in een eerdere zitting een vraag heeft gesteld over Jeugdzorg acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Daarnaast levert verzoekers grond dat hij niet mag aantonen dat in de aangifte een verkeerd beeld van hem is neergezet of dat het PBC-rapport niet deugt, evenmin grond op voor wraking, nu de rechtbank daarover op de terechtzitting van 2 december 2014 nog geen beslissing had genomen en juist verzoekers advocaat het woord wilde geven. De wrakingskamer constateert tenslotte dat verzoeker ten aanzien van mr. Taalman geen inhoudelijke gronden voor wraking heeft aangevoerd.


4.6

Het verzoek moet daarom worden afgewezen.


De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek tot wraking af.


Deze beslissing is gegeven door mr. G.J. Stoové, mr. G. van Eerden en mr. A.E. Zweers, in tegenwoordigheid van Van Eijk als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2015.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.







Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.