Rechtbank Overijssel, 18-02-2015 / Awb 14/2884


ECLI:NL:RBOVE:2015:928

Inhoudsindicatie
Weigering handhavend optreden tegen coffeeshop. Beroep ongegrond. Niet gebleken dat de voorwaarden van de gedoogverklaring voor de verkoop van softdrugs zijn overtreden.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-02-18
Publicatiedatum
2015-02-20
Zaaknummer
Awb 14/2884
Procedure
Bodemzaak
Rechtsgebied
Bestuursrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 14/2884


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], [eisers], [eiser 1] en [eiser 2], allen wonende te [plaats 1], eisers,

(gemachtigde: mr. F. Postma),


en


de burgemeester van Steenwijkerland, verweerder,

gemachtigde: G. Holtjer.


Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[derde belanghebbende], wonende te [plaats 2],

exploitant van Coffeeshop [Coffeeshop],

(gemachtigde: mr. C.F.M. Jungerman).



Procesverloop


Bij besluit van 31 maart 2014 heeft verweerder het verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen de overtreding van een aantal voorschriften van de op 12 november 2012 aan Coffeeshop [Coffeeshop] afgegeven gedoogverklaring, afgewezen.


Bij besluit van 3 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.


Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2015.

Eisers zijn verschenen in de personen van [eiser 1] en echtgenote en [eiser 2], bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

N. Kocic en G. Holtjer.


Derde-partij is verschenen.






Overwegingen


1. Op 12 november 2012 heeft verweerder aan Coffeeshop [Coffeeshop] een gedoogverklaring afgegeven voor de verkoop van softdrugs, als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet, vanuit een verkooppunt gelegen aan de [adres] te [plaats 1].


Bij brief van 4 februari 2014 hebben eisers, voor zover hier van belang, verweerder verzocht handhavend op te treden tegen de overtreding van de aan die gedoogverklaring verbonden voorwaarden 3, 15 en 16, omdat de achterdeur niet slechts voor noodgevallen wordt gebruikt, er sprake is van onaanvaardbare overlast en er in tegenstelling tot de aan de gedoogverklaring verbonden voorwaarde etenswaren worden verkocht.


Verweerder heeft het verzoek bij besluit van 31 maart 2014 afgewezen, onder de overweging dat er geen overtredingen zijn geconstateerd en de gestelde overlast niet rechtstreeks is te herleiden tot de coffeeshop.


Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 11 augustus 2014 heeft een hoorzitting plaatsgevonden voor de commissie bewaarschriften (hierna: de commissie), waarna de commissie advies heeft uitgebracht.


Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder, onder overneming van het advies van de commissie, het bezwaar ongegrond verklaard.


Eisers hebben dit besluit in beroep bestreden.


2. In geschil is of verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van overtreding van de door eisers genoemde aan de gedoogverklaring van 12 november 2012 verbonden voorwaarden.


3. Eisers voeren ten aanzien van het gebruik van de achterdeur aan dat deze deur niet alleen in noodsituaties wordt gebruikt, zoals is voorgeschreven in voorwaarde 3 van de gedoogverklaring. Eisers stellen dat niet is gebleken dat verweerder naar aanleiding van hun meldingen controles heeft uitgevoerd. In dat verband wijzen zij er op dat ook de commissie heeft aangegeven dat beter moet worden bijgehouden op welke wijze wordt gecontroleerd en welke situatie is geconstateerd.

Ten aanzien van de gestelde overtreding van voorwaarde 16 stellen eisers dat er sprake is van overlast van de coffeeshop in de vorm van hangjeugd, geuroverlast, geluidsoverlast en overlast door op de stoep en straat geparkeerde fietsen, alsmede van afval dat op straat wordt gegooid in de vorm van blikjes en lege verpakkingen van (soft)drugs. Eisers stellen dat deze overlast er niet was toen de coffeeshop in de zomer van 2013 gedurende één maand werd gesloten.

Ten slotte stellen eisers dat in de coffeeshop eetwaren worden verkocht welke niet onder de in voorwaarde 15 limitatief opgesomde verkoopwaar vallen. Ook op dit punt menen eisers dat niet duidelijk is of en zo ja op welke wijze, door verweerder op dit punt is gecontroleerd.

Ter toelichting wijzen eisers er op dat zij geen bewijs hebben van de overtredingen, omdat door verweerder werd afgeraden om foto’s en video’s van de situatie te maken.


Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken van de hiervoor genoemde overtredingen.


4. De rechtbank overweegt als volgt.


Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. In de eerste plaats dient derhalve te worden beoordeeld of verweerders standpunt dat niet is gebleken van overtredingen in rechte stand kan houden.


De rechtbank heeft naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken geconstateerd dat bij eisers onduidelijkheid bestaat of er naar aanleiding van hun meldingen daadwerkelijk controles plaatsvinden en zo ja, op welk moment. Tevens is onduidelijk of de controles daadwerkelijk tot maatregelen leiden als daartoe aanleiding bestaat.

Verweerder heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat elke formele melding in behandeling wordt genomen. De rechtbank heeft, mede gelet op het gegeven dat in het verleden wel degelijk maatregelen ten aanzien van de coffeeshop zijn getroffen, geen reden hieraan te twijfelen. In dat verband wenst de rechtbank verweerder te wijzen op het belang van een goede registratie van de controles en een goede terugkoppeling en communicatie tussen alle betrokkenen.


De rechtbank overweegt ten aanzien van het gestelde gebruik van de achterdeur dat in voorwaarde 3, zoals die ten tijde van het handhavingsverzoek luidde, van de gedoogverklaring is bepaald dat de toegang tot de coffeeshop is gesitueerd aan de voorzijde van de [adres] en dat de uitgang aan de achterzijde alleen in noodgevallen mag worden gebruikt als nooduitgang/vluchtdeur. Van de zijde van verweerder is gesteld dat bij de controles geen overtreding van genoemde voorwaarde is geconstateerd. Voorts is aangegeven dat men voortdurend met de coffeeshophoudster in overleg is en haar op het belang van het naleven van deze, voor haar aanvankelijk onduidelijke voorwaarde, heeft gewezen. Nu door eisers verder geen stukken zijn ingebracht waaruit de overtreding overduidelijk blijkt, is de rechtbank van oordeel dat het beroep op dit punt geen doel treft.


Ook ten aanzien van de gestelde overtreding van voorwaarde 15 stelt de rechtbank vast dat door verweerder bij controles bij en in de coffeeshop geen overtreding is geconstateerd en dat door eisers evenmin bewijs in de vorm van foto’s of video’s is aangeleverd, waaruit blijkt dat er etenswaren worden verkocht in de coffeeshop. Ook deze grond treft derhalve geen doel.


Tenslotte stelt de rechtbank ten aanzien van de gestelde overtreding van voorwaarde 16 in de vorm van hangjeugd, geuroverlast, geluidsoverlast en overlast door op de stoep en straat geparkeerde fietsen, alsmede van afval dat op straat wordt gegooid, vast dat niet is gebleken dat deze overlast, nog daargelaten of deze daadwerkelijk afkomstig is van bezoekers van de coffeeshop, een dermate omvang heeft dat verweerder tot handhaving had moeten overgaan. In dat verband wijst de rechtbank er op dat het pand aan de [adres] is gelegen in stedelijk gebied c.q. het centrum van [plaats 1] en dat op dit pand een horecabestemming rust hetgeen enige overlast met zich meebrengt. Ook deze grond treft geen doel.


Gelet op het vorenstaande kan het bestreden besluit in stand worden gelaten.


5. Het beroep is ongegrond.


6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. van Lochem, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. van der Weij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op







griffier rechter


























Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.