Rechtbank Overijssel, 22-03-2016 / 4529939 WM VERZ 15-1914


ECLI:NL:RBOVE:2016:1061

Inhoudsindicatie
Een politieambtenaar begaat voor zijn werk een snelheidsovertreding in een auto die voor hem geleased was. Hij gaat tegen de hem opgelegde boete (die hij via de leasemaatschappij krijgt) in administratief beroep bij de officier van justitie. Die stelt hem in het ongelijk: als hij geen licht- en geluidsignalen voert, mag hij geen snelheidsovertreding begaan. De kantonrechter oordeelt daar anders over. Op grond van een ministerieel besluit dat gebaseerd is op artikel 147 van de Wegenverkeerswet 1994 is de politieambtenaar vrijgesteld van alle bepalingen van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en kan hij daarvan dus geen overtreding begaan. Hij kan dus niet gestraft worden voor een snelheidsovertreding en de kantonrechter vernietigt daarom de boete. De kantonrechter merkt op dat een politieambtenaar overigens wel kan worden vervolgd en gestraft als hij de voorschriften van de vrijstelling overtreedt.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2016-03-22
Publicatiedatum
2016-03-29
Zaaknummer
4529939 WM VERZ 15-1914
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWR 2016/40 met annotatie van C.J. van Eekelen
Uitspraak

proces-verbaal

tevens aantekening mondelinge beslissing Wahv

RECHTBANK OVERIJSSEL


Afdeling Strafrecht - zittingsplaats Enschede


zaaknummer : 4529939 WM VERZ 15-1914

CJIB-nummer : 189911536


In de Mulder beroepszaak met het hierboven genoemde zaaknummer heeft


[leasemaatschappij] B.V. Namens deze:

[gemachtigde] [adres] [woonplaats]

Nader te noemen: betrokkene


een beroepschrift ingediend. Op de openbare zitting van 25 februari 2016 heeft mr. F.C. Berg, kantonrechter, betrokkene en mr P. Goossens namens de officier van justitie gehoord.


Het volgende is ter zitting voorgevallen, besproken en door de kantonrechter overwogen:


De zaak is eerder behandeld op 10 december 2015. Het onderzoek is geschorst om betrokkene in de gelegenheid te stellen om zijn standpunt nader te onderbouwen. Betrokkene heeft sindsdien een geanonimiseerde kopie van een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van 28 mei 2015 overgelegd, genaamd Toezichtrapport Hercontrole bestemd voor Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, opgemaakt door betrokkene zelf, in zijn hoedanigheid van districtsinspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming. Blijkens het proces-verbaal is betrokkene politieambtenaar met algemene opsporingsbevoegdheid en op grond van artikel 2 onder f van het Besluit aanwijzing toezichthouders Wet dieren aangewezen als toezichthouder als bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht.


Aan betrokkene is een sanctie opgelegd van € 46,-- vermeerderd met € 7,-- administratiekosten, ter zake van een bij de WAHV omschreven gedraging die in strijd is met een op het verkeer betrekking hebbend voorschrift, te weten: “overschrijding maximumsnelheid binnen de bebouwde kom, met 7 km/h”, gepleegd op 27 mei 2015 rond 17.36 uur op de Hengelosestraat in de gemeente Enschede.


Betrokkene heeft kort gezegd aan het beroep ten grondslag gelegd dat hij als brigadier van de nationale politie, gedetacheerd als inspecteur bij de landelijke inspectiedienst Dierenbescherming, naar een dierenkliniek aan de Hengelosestraat was gegaan. Daar nam hij na een daaraan voorafgaand moeizaam traject, twee ernstig verwaarloosde pups bij wijze van bestuursrechtelijke dwangmaatregel van de houdster af. De twee pups kwamen uit een nest van zeven pups. Ook de andere vijf moesten worden afgenomen maar deze waren nog thuis bij de houdster aan het [straat] . Bij de dierenkliniek is een handgemeen ontstaan waaraan pas door een nekklem van betrokkene bij de houdster van de hondjes en door dreiging met aanhouding door de andere aanwezige politieambtenaren een einde kwam. Betrokkene vermoedde dat de houdster familieleden zou waarschuwen van wie betrokkene ook de niet meewerkende houding al eerder had meegemaakt. Hij vreesde dat deze familieleden de andere puppies zouden zoekmaken als hij niet snel zou arriveren. Daarom heeft betrokkene bewust wat harder gereden dan toegestaan. Daarbij is hij langs de flitscamera op de Hengelosestraat gereden. Het was naar zijn inzicht uit het oogpunt van veiligheid niet onverantwoord en naar zijn professioneel inzicht als politieambtenaar noodzakelijk om zo snel mogelijk ter plaatse te gaan in het belang van de gezondheid van de andere vijf pups. Hij beroept zich op de bijzondere omstandigheden van het geval.


Betrokkene heeft ter gelegenheid van de zitting op 10 december 2015 op vragen van de kantonrechter geantwoord dat boetes van geringe overtredingen van herkenbare dienstvoertuigen geseponeerd kunnen worden maar dat kan niet bij niet als politievoertuig herkenbare voertuigen die extern geleased zijn, zoals het voertuig dat betrokkene voor zijn werk ter beschikking had gekregen. Wordt een politieambtenaar in zo een voertuig beboet voor een overtreding die hij bij de uitvoering van zijn werk meent te moeten maken, dan moet hijzelf in administratief beroep gaan bij de officier van justitie en zo nodig ook zelf in beroep gaan bij de kantonrechter, aldus betrokkene.


Betrokkene reed toen ter tijd naar zijn zeggen achter de herkenbare politieauto aan waarin zijn collega’s reden die hem bij zijn taakvervulling assisteerden. Zij reden gezamenlijk en met dezelfde snelheid naar het adres waar de andere verwaarloosde puppies waren.


De officier van justitie had het administratief beroep tegen de sanctie ongegrond verklaard omdat het voertuig van betrokkene bij het begaan van de gedraging niet met optische en akoestische signalen reed. Daarom mocht niet worden afgeweken van de voorschriften van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990.


Betrokkene was het daarmee oneens: hij vindt dat hij zijn werk professioneel moet kunnen doen, dat hij als politieambtenaar zijn werk toen professioneel ook deed en het stoort hem dan als hij daarvoor straf krijgt.


Namens de officier van justitie is ter zitting van de kantonrechter op 25 februari 2016 het standpunt ingenomen dat de maximumsnelheid is overschreden, dat daarom een sanctie kon worden opgelegd maar dat de persoonlijke omstandigheden waarin betrokkene de gedraging heeft begaan met zich meebrengen dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond moet worden verklaard en dat het administratief beroep tegen de sanctie gedeeltelijk gegrond moet worden verklaard en dat het sanctiebedrag door de kantonrechter op nihil moet worden gesteld.


De kantonrechter overweegt het volgende.


Het beroep is tijdig ingesteld en betrokkene heeft binnen de bij de WAHV bepaalde termijn zekerheid gesteld, zodat het beroep ontvankelijk is.


In artikel 20 RVV 1990 is geregeld dat de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom voor motorvoertuigen 50 km/uur is.


Artikel 91 RVV 1990 bepaalt:

“Bestuurders van een voorrangsvoertuig mogen afwijken van de voorschriften van dit besluit voor zover de uitoefening van hun taak dit vereist.”


Artikel 1 RVV 1990 bepaalt onder meer de definitie van:

“voorrangsvoertuig: motorvoertuig dat de optische en geluidssignalen voert als bedoeld in artikel 29;”


Artikel 29 RVV 1990 bepaalt:

Bestuurders van motorvoertuigen in gebruik bij politie en brandweer, motorvoertuigen in gebruik bij diensten voor spoedeisende medische hulpverlening, en motorvoertuigen van andere door Onze Minister aangewezen hulpverleningsdiensten voeren blauw zwaai-, flits- of knipperlicht en een tweetonige hoorn om kenbaar te maken dat zij een dringende taak vervullen.

De in het eerste lid genoemde bestuurders mogen aanvullend op de in dat lid bedoelde verlichting overdag knipperende koplampen voeren.

Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht, de tweetonige hoorn en de knipperende koplampen.


De kantonrechter stelt op grond van een en ander vast dat het dienstvoertuig dat betrokkene gebruikte geen voorrangsvoertuig was in de zin van artikel 1 RVV 1990 nu dat ten tijde van de gedraging geen optische en akoestische signalen voerde en ook niet kon voeren. Betrokkene viel daardoor als bestuurder van dit motorvoertuig niet onder de algemene vrijstelling die artikel 91 RVV 1990.


Anders dan de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep en anders dan het namens de officier van justitie ter zitting naar voren gebrachte standpunt, is daarmee nog niet het laatste woord gezegd.


Artikel 147, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt namelijk:

“Onze Minister kan, met inachtneming van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk, van het bepaalde krachtens deze wet vrijstelling verlenen voor het gebruik van de weg ten behoeve van openbare of door Onze Minister daarmee gelijk te stellen diensten.”


In zijn Beschikking van 21 januari 2013, RWS-2013/3317, heeft de minister van Infrastructuur en Milieu, overwegende dat de politie een openbare dienst is als bedoeld in artikel 147 van de Wegenverkeerswet 1994; dat de politie tot taak heeft […] te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen, die deze behoeven; dat, voor zover zij op grond van artikel 91 van het RVV 1990 niet reeds van de bepalingen van het RVV 1990 mogen afwijken, het voor een goede uitvoering van deze taken gewenst is, dat aan de politie vrijstelling wordt verleend van de bepalingen van het RVV 1990; gelet op artikel 147 WVW 1990 besloten:


I in te trekken de beschikking van 20 mei 2010, kenmerk UT2010/2162;

II aan de politie ten behoeve van de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2 onder a tot en met c, van de Politiewet 2012, […] vrijstelling te verlenen van de bepalingen van het RVV 1990;

III bij gebruikmaking van aan deze vrijstelling ontleende bevoegdheden dient de veiligheid van het verkeer zoveel mogelijk te worden gewaarborgd en dienen de in de brancherichtlijn verkeer politie opgenomen voorschriften te worden nageleefd.

IV bevoegdheden, ontleend aan deze vrijstelling, mogen slechts worden uitgeoefend voor zover dit voor de uitvoering van de opgedragen taak noodzakelijk is.


Deze beschikking was geldig tot zij is ingetrokken door een (voor zover relevant) min of meer gelijkluidende beschikking van de minister van Infrastructuur en Milieu van 18 januari 2016, nummer RWS-2016/2433, geldig tot 1 februari 2021.


De kantonrechter stelt vast dat betrokkene een ambtenaar is die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak zoals bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a van de Politiewet 2012. Aan wie het voertuig toebehoorde of door welke dienst het voertuig is geleased behoeft niet vastgesteld te worden. Daarmee behoort betrokkene tot de ambtenaren van politie bedoeld onder II aan wie vrijstelling is verleend van de bepalingen van het RVV 1990.


Nu voor de kantonrechter voldoende vast staat dat betrokkene de bestuurder van het betreffende voertuig was, moet op grond van de bepalingen van de Beschikking van 21 januari 2013 geconcludeerd dat betrokkene de bepalingen van het RVV 1990 niet kon overtreden.


De kantonrechter overweegt voorts dat, indien betrokkene een van de voorschriften bedoeld onder III en IV zou hebben overtreden, bijvoorbeeld omdat hij de branchevoorschriften 2014, vastgesteld door de korpschef op 11 september 2014 zou hebben overtreden, dit een overtreding zou opleveren van artikel 150, tweede lid, WVW 1994, strafbaar gesteld als overtreding in artikel 177 WVW 1994. Dit is geen gedraging waarop de Wahv ziet, zodat er geen reden voor de kantonrechter in deze zaak is om de naleving van de voorschriften door betrokkene te onderzoeken. Ten overvloede merkt de kantonrechter overigens op dat hij daartoe in het dossier ook geen enkele aanleiding ziet.


De kantonrechter concludeert dat aan betrokkene geen sanctie had mogen worden opgelegd op grond van het overtreden van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom met 7 km per uur. Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie en het administratief beroep tegen de opgelegde sanctie moeten daarom gegrond verklaard worden.



Beslissing:


Verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt deze.


Verklaart het beroep tegen de inleidende sanctie gegrond en vernietigt deze.


Bepaalt dat hetgeen door betrokkene aan zekerheid is gesteld aan betrokkene wordt terugbetaald.



Aldus gegeven te Enschede door mr. F.C. Berg, kantonrechter, en in tegenwoordigheid van de griffier, uitgesproken ter openbare zitting van 22 maart 2016.






Afschrift toegezonden aan betrokkene en de officier van justitie op:


Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.