Rechtbank Rotterdam, 13-02-2015 / ROT 15/958


ECLI:NL:RBROT:2015:1109

Inhoudsindicatie
Wet Bibob. Intrekking exploitatievergunning coffeeshop. Voorlopige voorziening. Mondelinge uitspraak. Toewijzing verzoek, want fiscale onregelmatigheden in 2007-2009 leveren geen actueel gevaar voor het gebruik van de vergunning voor het plegen van strafbare feiten op.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-02-13
Publicatiedatum
2015-02-19
Zaaknummer
ROT 15/958
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 15/958

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 februari 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[Naam] h.o.d.n. Coffeeshop [Naam], te Rotterdam, verzoeker,

gemachtigde: mr. F.J.H.M. Berndsen,

en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. M.C. Rolle.



Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 13 februari 2015 heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.



Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het besluit van 2 februari 2015 (het bestreden besluit) tot intrekking van de aan verzoeker verleende exploitatievergunning ten behoeve van de exploitatie van een coffeeshop [Naam] aan de [adres] te Rotterdam (de inrichting) met onmiddellijke ingang wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoeker.


De voorzieningenrechter bepaalt verder dat verweerder aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 167,- vergoedt. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder voorts in de proceskosten tot een bedrag van € 980,-, te betalen aan verzoeker.



Overwegingen


1. Verzoeker exploiteert de inrichting sinds 6 juni 2006. Bij besluit van 14 april 2014 heeft verweerder (opnieuw) een exploitatievergunning verleend ten behoeve van de exploitatie van de inrichting. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit onderzoek als bedoeld in de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet bibob) is gebleken dat verzoeker in de periode van 2007 tot en met 2009 in strijd met de verplichtingen zoals gesteld in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) heeft gehandeld – waarvoor een vergrijpboete is opgelegd –en dat verzoeker een valse aangifte inkomstenbelasting over 2008 heeft gedaan. Volgens verweerder is er sprake van een ernstig gevaar dat de vergunning mede gebruikt zal worden om (opnieuw) strafbare feiten te plegen. Verweerder baseert zich daarbij op een op 25 juni 2014 door het Landelijk Bureau Bibob (het Bureau) uitgebracht advies. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.


2. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan verzoeker worden gevolgd in zijn betoog dat de fiscale gedragingen in de periode 2007 tot en met 2009 onvoldoende grond opleveren om aan te kunnen nemen dat ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. De voorzieningenrechter neemt in dit verband in aanmerking dat door verweerder niet aannemelijk is gemaakt dat bij voortduring sprake is van onregelmatigheden in de handelsvoorraad en belastingaangiften. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op rapportages van de Belastingdienst die verzoeker heeft overgelegd. Daaruit volgt dat meer recente bedrijfsbezoeken door de Belastingdienst in 2013 en 2014 vooralsnog geen onregelmatigheden aan het licht hebben gebracht, met dien verstande dat er verwaarloosbare verschillen waren tussen kastelling en voorraadtelling.


3. Nu verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat is voldaan aan het criterium dat artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob stelt, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor intrekking van de op artikel 2:28, eerste lid van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 verleende vergunning op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet bibob. Om die reden ziet zij aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in de artikelen 8:81 en 8:84, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier.






griffier voorzieningenrechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.