Rechtbank Rotterdam, 27-02-2015 / ROT 14-1236


ECLI:NL:RBROT:2015:1247

Inhoudsindicatie
Ambtenarenzaak. Verweerder heeft het eerder opgelegde voorwaardelijke ontslag ten uitvoer gelegd en eiser op grond van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR met onmiddellijke ingang ontslagen. Eiser heeft zich te laat ziek gemeld en zich dus niet gehouden aan het Protocol Ziekteverzuim. Daarmee heeft eiser zich binnen de proeftijd aan een soortgelijk ernstig plichtsverzuim schuldig gemaakt als waarvoor hij al drie keer disciplinair is gestraft. Alcoholverslaving vormt geen verontschuldigende factor bij de beoordeling van een onder invloed van die verslaving gepleegd plichtsverzuim en eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een situatie die een uitzondering op deze regel rechtvaardigt. Beroep ongegrond.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-02-27
Publicatiedatum
2015-03-02
Zaaknummer
ROT 14-1236
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2


zaaknummer: ROT 14/1236


uitspraak van de meervoudige kamer van 27 februari 2015 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. M.J. van Basten Batenburg,


en


de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. R.M. Koene.



Procesverloop


Bij besluit van 26 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het bij besluit van 10 september 2012 opgelegde voorwaardelijke ontslag ten uitvoer gelegd en eiser op grond van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) met onmiddellijke ingang ontslagen.


Bij besluit van 16 december 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.


Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.


Bij beslissing van 28 januari 2014 heeft de rechtbank Den Haag de zaak verwezen naar de rechtbank Rotterdam.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Versloot. Daarnaast heeft [medewerker] namens verweerder het woord gevoerd.



Overwegingen


1.1.

Eiser was sinds 1990 in dienst van verweerder, laatstelijk als Werkmeester Vakarbeid Grafisch bij de Penitentiaire Inrichting Zoetermeer.


1.2.

Bij besluit van 25 augustus 2011 heeft verweerder eiser een schriftelijke berisping gegeven, omdat eiser zich niet had gehouden aan het Protocol Ziekteverzuim en omdat hij afspraken met zijn leidinggevende niet was nagekomen.


1.3.

Bij besluit van 6 februari 2012 heeft verweerder eiser een schriftelijke berisping gegeven, omdat eiser zich niet had gehouden aan het Protocol Ziekteverzuim en omdat hij afspraken met zijn leidinggevende niet was nagekomen.


1.4.

Bij besluit van 10 september 2012 heeft verweerder eiser de disciplinaire maatregel van ontslag als bedoeld in artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR opgelegd, omdat eiser zich niet had gehouden aan het Protocol Ziekteverzuim en omdat hij afspraken met zijn leidinggevende niet was nagekomen. Daarbij is vermeld dat deze straf op grond van artikel 81, derde lid, van het ARAR niet ten uitvoer zou worden gelegd als eiser zich gedurende een periode van twee jaar niet zou schuldig maken aan een soortgelijk plichtsverzuim of enig ander ernstig plichtsverzuim.


1.5.

Op 23 april 2013 heeft eiser zich ziek gemeld. In het advies van de bedrijfsarts van 15 mei 2013 is vermeld:

“Hij start volgende week met zijn werkzaamheden, mijnerzijds geen bezwaar tegen 1 week van 50% waarna weer 100% werken zal volgen. Een latere begintijd in verband met startproblemen met bewegen is mijnerzijds toe te passen.”

1.6.

Op 27 mei 2013 meldde eiser om 8.50 uur aan zijn leidinggevende dat hij niet kon komen werken. De leidinggevende heeft eiser per taxi naar de bedrijfsverpleegkundige laten brengen. Daar is door de bedrijfsverpleegkundige en door de plaatsvervangend vestigingsdirecteur geconstateerd dat eiser naar alcohol rook.


1.7.

Verweerder heeft op 10 juni 2013 het voornemen geuit het voorwaardelijke ontslag van 10 september 2012 ten uitvoer te leggen.


1.8.

Bij brief van 20 juni 2013 heeft eiser zijn zienswijze gegeven. Hierin is vermeld dat eiser sinds 29 mei 2013 is opgenomen in een kliniek en dat hij door zijn arbeidsongeschiktheid niet in staat is adequaat te reageren.


2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zich niet aan het Verzuimreglement van de Dienst Justitiële Inrichtingen (Protocol Ziekteverzuim) heeft gehouden. Een alcoholverslaving vormt geen verontschuldigende factor bij de beoordeling van een onder invloed van die verslaving gepleegd plichtsverzuim en er is geen sprake van een situatie die het maken van een uitzondering op deze regel rechtvaardigt. De gedragingen van eiser leveren een soortgelijk plichtsverzuim op als het plichtsverzuim waarvoor hem op 10 september 2012 voorwaardelijk ontslag was opgelegd en het is niet gebleken dat deze gedragingen hem niet kunnen worden toegerekend. Verweerder is van mening dat hem niets anders restte dan het voorwaardelijk opgelegde ontslag ten uitvoer te leggen.

3. Op grond van artikel 50, eerste lid, van het ARAR is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn functie voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen, zoals een goed ambtenaar betaamt.


Artikel 80, eerste lid, van het ARAR bepaalt dat de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair kan worden gestraft.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen, omvat.


Artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR voorziet in de mogelijkheid van het opleggen van de disciplinaire straf van ontslag.


4. De rechtbank stelt vast dat het besluit tot voorwaardelijk strafontslag van 10 september 2012, nu eiser daartegen geen rechtsmiddel heeft aangewend, als een vaststaand gegeven moet worden beschouwd. In dit geding dient dan ook de vraag te worden beantwoord of het besluit tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke ontslag in rechte stand kan houden.


5. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB; bijvoorbeeld de uitspraak van 25 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8816) dient bij de toetsing van een besluit tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk strafontslag te worden beoordeeld of het gepleegde plichtsverzuim uitvoering van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf rechtvaardigt. Naast die beoordeling is geen plaats voor een evenredigheidstoetsing. Beoordeeld dient dus te worden of de gestelde voorwaarde voor de tenuitvoerlegging is vervuld en zo ja, of verweerder de voor die tenuitvoerlegging in aanmerking te nemen belangen heeft afgewogen en in redelijkheid tot die tenuitvoerlegging kon besluiten. Daarbij geldt dat, in tegenstelling tot wat eiser stelt, gezien het karakter van een besluit tot tenuitvoerlegging als hier aan de orde, deze belangenafweging van beperkte betekenis is. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan van een bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van tenuitvoerlegging in een geval waarin de voorwaarde voor die tenuitvoerlegging is vervuld.


6. Eiser wordt verweten dat hij zich op 27 mei 2013 te laat heeft ziek gemeld. In het Protocol Ziekteverzuim is vermeld dat ziekmeldingen voor 9.00 uur of – bij roosterdiensten – uiterlijk twee uur voor aanvang van de dienst bij de leidinggevende dienen plaats te vinden. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat door verzuim niet tijdig te melden een bezettingsprobleem kan ontstaan, wat uit een oogpunt van veiligheid ongewenst is. Het is dan ook van groot belang dat men zich tijdig ziek meldt, zodat voor vervanging kan worden gezorgd. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op 27 mei 2013 minder dan twee uur voor aanvang van de roosterdienst aan zijn leidinggevende heeft laten weten niet te kunnen komen werken. Het betoog van eiser dat hij zich niet ziek hoefde te melden, omdat hij nog ziek was, slaagt niet, nu uit het advies van de bedrijfsarts van 15 mei 2013 volgt dat hij op 27 mei 2013 weer diende te gaan werken. Dat dit in het kader van zijn re-integratie was, maakt dit niet anders. Het betoog van eiser dat hij zich later mocht ziekmelden, omdat de bedrijfsarts op 15 mei 2013 had medegedeeld dat hij wellicht later zou kunnen beginnen, slaagt evenmin, nu niet is gebleken dat eiser en zijn leidinggevende, in tegenstelling tot de situatie begin 2012, afwijkende afspraken hadden gemaakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser zich niet aan het Protocol Ziekteverzuim heeft gehouden. Dit heeft verweerder terecht als plichtsverzuim aangemerkt. Eiser heeft zich dan ook binnen de proeftijd aan een soortgelijk ernstig plichtsverzuim schuldig gemaakt, als waarvoor hij op 10 september 2012, maar ook op 25 augustus 2011 en 6 februari 2012, disciplinair is gestraft.


7. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de als plichtsverzuim verweten gedraging eiser niet zou kunnen worden toegerekend. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA4523) vormt een alcoholverslaving op zichzelf geen verontschuldigende factor bij de beoordeling van een onder de invloed van die verslaving gepleegd plichtsverzuim. Dit zou slechts anders zijn indien die verslaving moet worden toegeschreven aan een zodanig, niet door die verslaving veroorzaakt, psychisch defect waardoor betrokkene niet in staat moet worden geacht zijn wil ten aanzien van zijn drinkgedrag in vrijheid te bepalen. De aanwezigheid van een dergelijke uitzonderlijke situatie heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Dat eiser kort na 27 mei 2013 is opgenomen in een psychiatrische kliniek leidt niet tot de conclusie dat de verslaving van eiser is toe te schrijven aan een psychisch defect waardoor hij niet in staat was zijn wil ten aanzien van zijn drinkgedrag in vrijheid te bepalen. Ook het door eiser in het geding gebrachte medisch rapport van 5 september 2014 leidt niet tot die conclusie, nu hieruit volgt dat het niet mogelijk is vast te stellen of een depressieve stoornis de oorzaak of het gevolg is van het alcoholmisbruik. De door eiser genoemde uitspraak van de CRvB van 13 november 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2464) ziet niet op de vraag of de als plichtsverzuim verweten gedraging toerekenbaar is, maar op de vraag of de werkloosheid in het kader van de toekenning van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet verwijtbaar is, waarvoor een ander toetsingskader geldt. In de door eiser genoemde uitspraken van de CRvB van 4 maart 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BL6917) en 19 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH4522) ging het evenmin om de vraag of de als plichtsverzuim verweten gedraging toerekenbaar was, maar om de vraag of de ongeschiktheid van de ambtenaar voor zijn functie al dan niet een medische oorzaak had. Uit deze uitspraken kan dan ook niet worden afgeleid dat de in deze zaak als plichtsverzuim verweten gedraging niet toerekenbaar is.


8. Gelet op het voorgaande is sprake van een van toerekenbaar soortgelijk plichtsverzuim, zodat verweerder de bevoegdheid toekwam het voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer te leggen.


9. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het licht van het onder 5 vermelde toetsingskader niet worden staande gehouden dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. In dat kader acht de rechtbank van belang dat eiser, in verband met de eerder gegeven schriftelijke berispingen en het voorwaardelijk ontslag, een gewaarschuwd man was. Dat verweerder, zoals eiser stelt, geen alcoholbeleid hanteert, doet hier niet aan af. Ook acht de rechtbank van belang dat, in tegenstelling tot wat eiser stelt, verweerder eiser heeft proberen te helpen bij de aanpak van zijn alcoholverslaving. Zo heeft de leidinggevende van eiser op 30 september 2010 telefonisch toegezegd te willen helpen bij zijn alcoholproblematiek, hebben op initiatief van verweerder naar aanleiding van het gesprek op 6 oktober 2010 gesprekken met de bedrijfsarts en bedrijfsmaatschappelijk werk over de alcoholproblematiek van eiser plaatsgevonden teneinde eiser door te verwijzen naar een specialist en heeft verweerder eiser in het voornemen disciplinaire maatregel van 20 juli 2012 en het besluit van 10 september 2012 aangeboden samen hulp te zoeken bij de alcoholproblematiek. Eiser heeft tijdens het gesprek met de plaatsvervangend vestigingsdirecteur, het waarnemend hoofd arbeid en de HR-adviseur op 28 mei 2013 erkend dat hij de aangeboden hulp iedere keer heeft afgewezen. Dat het eiser niet lukte zijn alcoholverslaving onder controle te krijgen, kan verweerder dan ook niet worden tegengeworpen. Van verweerder kon niet langer worden gevergd een werknemer, die afspraken telkens niet nakwam, in dienst te houden. Dat eiser gedurende een lange periode goed gefunctioneerd heeft, maakt dat niet anders.


10. De stelling van eiser dat hij door zijn opname in een psychiatrische kliniek zijn zienswijze op het voorgenomen strafontslag onvoldoende kenbaar heeft kunnen maken, leidt niet tot gegrondverklaring van het beroep. De opname van eiser heeft geduurd tot 10 juli 2013 en het primaire besluit is pas op 26 juli 2013 genomen. Het is niet gebleken dat eiser in de periode tussen 10 juli 2013 en 26 juli 2013 niet in staat was zijn zienswijze kenbaar te maken. Voorts heeft eiser ook in bezwaar en beroep alles naar voren kunnen brengen wat hij voor de beoordeling van zijn zaak van belang vindt.


11. Het beroep is ongegrond.


12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, voorzitter, en mr. J.H. de Wildt en mr. B. van Velzen, leden, in aanwezigheid van mr. C.A. Lodders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2015.






De griffier is verhinderd deze voorzitter

uitspraak mede te ondertekenen.



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad voor Beroep.