Rechtbank Rotterdam, 27-02-2015 / KTN-1411817_27022015


ECLI:NL:RBROT:2015:1307

Inhoudsindicatie
Tussentijds appel. Het verzoek tot het openstellen van tussentijds hoger beroep tegen de beslissing dat werknemer de boeken van werkgever mag inzien ter vaststelling van zijn bonus wordt afgewezen.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-02-27
Publicatiedatum
2015-03-09
Zaaknummer
KTN-1411817_27022015
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2015/484
  • AR-Updates.nl 2015-0240
Uitspraak RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 1411817 CV EXPL 13-2042


uitspraak: 27 februari 2015


vonnis van de kantonrechter, zittinghoudende te Rotterdam


in de zaak van


[eiser],

wonende te Den Haag,

eiser,

gemachtigde: mr. A.A. de Jong te Amsterdam,


tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NIDERA HANDELSCOMPAGNIE B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. M. Spithoven te Amsterdam.


Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” en “Nidera”.



1Het verloop van de procedure


Op 3 oktober 2014 is door de kantonrechter vonnis gewezen waarin – kort weergegeven – Nidera is veroordeeld om voor 14 november 2014 bepaalde documenten aan [eiser]ter beschikking te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Voorts is bepaald dat [eiser]in de gelegenheid zal worden gesteld om op basis van de aan hem ter beschikking gestelde stukken een nadere berekening van de door hem gevorderde bonus te maken en deze in het geding te brengen.


Nidera heeft bij brief van 30 december 2014 de kantonrechter verlof verzocht voor het instellen van tussentijds appel tegen het vonnis van 3 oktober 2014. [eiser]heeft bij brief van 16 december 2014 (kennelijk is sprake van een onjuiste datering) gereageerd op het verzoek van Nidera. De brief van [eiser]is door de rechtbank op 20 januari 2015 ontvangen.



2Het verzoek tot het openstellen van tussentijds appel


Nidera heeft ter onderbouwing van haar verzoek tot het openstellen van tussentijds appel aangevoerd dat een uitzondering op artikel 337 lid 2 Rv gerechtvaardigd is op grond van de volgende omstandigheden:

Nidera is niet gehouden om een overzicht van de niet-speculatieve transacties te verstrekken, omdat artikel 6 van de arbeidsovereenkomst, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, slechts betrekking heeft op speculatieve transacties;

De veroordeling tot het ter beschikking stellen van stukken is te ruim en onvoldoende concreet geformuleerd;

Er is sprake van een zogenaamde ‘fishing expedition’, omdat [eiser]geen belang heeft bij de door hem verzocht gegevens;

Er bestaat een restitutierisico ten aanzien van eventueel te verbeuren dwangsommen;

Nidera heeft geen alternatief om inhoudelijk bezwaar te maken tegen het vonnis, nu de procedures ex artikel 611d Rv en 438 Rv hier geen ruimte voor bieden. Een eindvonnis valt niet op korte termijn te verwachten, terwijl [eiser]intussen wel de beschikking heeft over de door Nidera ter beschikking gestelde gegevens.



3Het verweer


[eiser]heeft tegen het verzoek van Nidera aangevoerd dat er gelet op het ontbreken van de appelmogelijkheid in het tussenvonnis zelf, het belang van een snelle en efficiënte rechtspleging en het waarborgen van de rechtszekerheid geen reden is om hoger beroep tegen het tussenvonnis open te stellen. Het tussenvonnis is naar de mening van [eiser]voldoende helder en concreet. [eiser]heeft een zwaarwegend belang bij het controlerecht. Het restitutierisico is – zeker gelet op de omvang van de vordering van [eiser]op Nidera – gering.



4De beoordeling


4.1.

Van het tussenvonnis van 3 oktober 2014 is, nu hiertoe in dat vonnis niet de mogelijkheid is geboden, op grond van artikel 337 lid 2 Rv in beginsel geen hoger beroep mogelijk. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling kan worden afgeleid dat het de bedoeling is om bij het (alsnog) toestaan van tussentijds hoger beroep een grote mate van terughoudendheid te betrachten en dat de beslissing daartoe afhankelijk is van de vraag of in het voorliggende geval sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van de in artikel 337 lid 2 Rv neergelegde hoofdregel doelmatiger maken.


4.2.

Nidera heeft in de eerste plaats aangevoerd dat zij het niet eens is met de in het tussenvonnis gegeven uitleg van artikel 6 van de arbeidsovereenkomst. Hoewel de uitleg van deze bepaling onmiskenbaar van belang is voor de verdere beoordeling van de zaak, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gebleken dat deze uitleg een zodanige controversiële rechtsvraag tussen partijen betreft dat dit geschilpunt in hoger beroep beslecht zou moeten worden, voordat de zaak in eerste aanleg afgewikkeld zou kunnen worden. De mogelijkheid om tegen de beslissing op dit onderdeel hoger beroep in te kunnen stellen, is voorafgaand aan het tussenvonnis ook door geen van partijen bepleit. De gegeven uitleg van artikel 6 van de arbeidsovereenkomst vormt derhalve geen bijzondere omstandigheid om de mogelijkheid van tussentijds open te stellen.


4.3.

Door Nidera is voorts aangevoerd dat de veroordeling tot het ter beschikking stellen van stukken te ruim en onvoldoende concreet geformuleerd is. De kantonrechter overweegt dat met de veroordeling in het tussenvonnis is beoogd te bewerkstelligen dat [eiser]de beschikking zou krijgen over de relevante gegevens voor het berekenen van zijn bonus op grond van artikel 6 van de arbeidsovereenkomst. In het dictum is ongelukkigerwijs onvoldoende duidelijkheid verschaft over de bedoelde periode, nu het verschil tussen het boekjaar en kalenderjaar kennelijk tot uitlegproblemen hiervan heeft geleid. Nu nog geen eindvonnis is gewezen, kan de kwestie van eventueel ontbrekende stukken wellicht in onderhavige procedure aan de orde komen, dan wel onderwerp zijn van een executiegeschil, zoals kennelijk intussen aanhangig is gemaakt. Het geschil met betrekking tot de uitleg van de veroordeling van Nidera met betrekking tot de ter beschikking te stellen stukken vormt echter geen aanleiding hoger beroep open te stellen.


4.4.

Van de zijde van Nidera is aangevoerd dat zij vreest voor een fishing expedition, nu [eiser]volgens haar geen belang heeft bij de vordering tot het ter beschikking stellen van stukken. Deze door Nidera aangevoerde argumenten zijn reeds behandeld en meegewogen in het tussenvonnis. De vraag in hoeverre [eiser]belang heeft bij inzage in de gevorderde stukken kan niet worden aangemerkt als een controversiële rechtsvraag die tussentijds hoger beroep rechtvaardigt.


4.5.

Nidera heeft in deze procedure niet eerder aangevoerd dat er sprake is van een restitutierisico ten aanzien van de door [eiser]gevorderde dwangsommen. Thans is niet gebleken zich een zodanig restitutierisico voordoet dat een eindvonnis niet kan worden afgewacht. Voor wat betreft het beperken of schorsen van de opgelegde dwangsommen staat voorts de procedure van artikel 611d Rv open. Daarnaast heeft Nidera kennelijk inmiddels in kort geding zekerheidstelling door [eiser]gevorderd. De opgelegde dwangsommen geven dan ook geen aanleiding voor tussentijds hoger beroep.


4.6.

Nidera heeft ten slotte aangevoerd dat haar – afgezien van de procedures ex artikel 611d en artikel 438 Rv – geen alternatief ter beschikking staat om bezwaar te maken tegen de in het tussenvonnis genomen beslissingen. Dit is echter het gevolg van het wettelijk systeem dat van een tussenvonnis slechts bij eindvonnis hoger beroep kan worden ingesteld en kan op zichzelf dus geen reden vormen om alsnog hoger beroep van het tussenvonnis open te stellen. Dat [eiser]als gevolg hiervan geruime tijd over de door Nidera verstrekte informatie beschikt is juist. Nidera verbindt hier in haar brief van 30 december 2014 echter geen conclusie aan. Voor zover zij vreest voor openbaarmaking van bedrijfsgevoelige informatie, moet er vanuit worden gegaan dat artikel 11 van de arbeidsovereenkomst en de mogelijkheid van artikel 7:619 lid 4 BW hiertegen voldoende bescherming bieden.


4.7.

Op grond van het voorgaand wordt geconcludeerd dat er onvoldoende sprake is van bijzondere omstandigheden om tussentijds hoger beroep toe te staan. Het verzoek tot het openstellen van hoger beroep tegen het tussenvonnis van 3 oktober 2014 wordt dan ook afgewezen.



5De beslissing


De kantonrechter:


wijst het verzoek om alsnog te bepalen dat hoger beroep kan worden ingesteld tegen het tussenvonnis van 3 oktober 2014 af.



Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

385