Rechtbank Rotterdam, 15-01-2015 / ROT 14/453


ECLI:NL:RBROT:2015:152

Inhoudsindicatie
Informele bestuurlijke lus. Uwv heeft alsnog voorzien in een deels ontbrekend herzieningsbesluit, heeft aangegegeven dat (vanwege tijdige aflossing) netto wordt teruggevorderd en heeft de bestuurlijke boete (wegens nieuw beleid) verlaagd tot € 40.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-01-15
Publicatiedatum
2015-01-19
Zaaknummer
ROT 14/453
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3


zaaknummer: ROT 14/453


uitspraak van de meervoudige kamer van 15 januari 2015 in de zaak tussen
[Naam], te [plaats], eiser,

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: J.M.J. Joostens.



Procesverloop


Bij besluit van 9 december 2013 (besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen twee besluiten van 28 augustus 2013, strekkende tot terugvordering van ten onrechte verstrekte werkloosheiduitkering tot een bedrag van € 1.773,20 (bruto) en tot oplegging van een bestuurlijke boete van € 150,-, ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen besluit 1 beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2014. Verschenen zijn eiser en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.


Bij besluit van 27 oktober 2014 (besluit 2) heeft verweerder de werkloosheidsuitkering herzien over de periode van 29 april 2013 tot 6 mei 2013, meegedeeld dat € 1.143,43 (netto) is teruggevorderd en de bestuurlijke boete verlaagd tot € 40,-.


Eiser heeft op 2 november 2014 schriftelijke gereageerd op besluit 2.


Partijen hebben vervolgens toestemming verleend voor het achtwege laten van een nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.



Overwegingen


1.1.

De Werkloosheidswet (WW) luidt – voor zover van belang – als volgt:


“Artikel 22a

1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, herziet het UWV een dergelijk besluit of trekt het dat in:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 24, 25 of 26 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;

(…)

2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.


Artikel 25

De werknemer is verplicht aan het UWV op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald. (…)


Artikel 26

1. De werknemer is verplicht:

(…)

c. de voorschriften op te volgen die het UWV ten behoeve van een doelmatige controle stelt;

(…)


Artikel 27a

1. Het UWV legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel 25. De bestuurlijke boete is niet lager dan de boete die op grond van het derde lid zou worden opgelegd indien er geen sprake was van een benadelingsbedrag.

2. In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 25, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen.

3. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel 25, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, legt het UWV een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

(…)

8. Het UWV kan:

a. de bestuurlijke boete verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid;

b. afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

(…)

10. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.

(…)


Artikel 36

1. De uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a of 27 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het UWV teruggevorderd.

(…)

5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.”


1.2.

Het Boetebesluit socialezekerheidswetten luidde ten tijde in geding – voor zover hier van belang – als volgt:


“Artikel 2. Berekening van de bestuurlijke boete

1. De bestuurlijke boete wordt vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste € 150 wordt vastgesteld. Bij verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete verlaagd.

2. De bestuurlijke boete wordt naar boven afgerond op een veelvoud van € 10.

3. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag en niet volstaan wordt met het geven van een schriftelijke waarschuwing, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op € 150. Bij verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete verlaagd.


Artikel 2a. Criteria verminderde verwijtbaarheid

1. Bij de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete wordt de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten beoordeeld naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenverplichting had moeten nakomen.

2. Bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, leiden in ieder geval de volgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid:

(…)

c. de betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting.”


1.3.

Verweerder voert met ingang van 1 augustus 2014 de bestendige gedragslijn dat aan

de categorie zogenoemde zelfmelders binnen zes weken bij een eerste overtreding een boete van € 40,- wordt opgelegd.


2. Eiser ontving met ingang van 1 februari 2013 een werkloosheidsuitkering. In het toekenningsbesluit van 25 februari 2013 is vermeld dat eiser verplicht is om wijzigingen in zijn situatie binnen een week nadat de wijziging bij hem bekend kan zijn moet doorgeven aan verweerder. Op 7 juni 2013 geeft eiser telefonisch aan verweerder door dat hij met ingang 3 mei 2013 aan het werk is in een volledige dienstbetrekking. Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 7 juni 2013 het recht op werkloosheidsuitkering van eiser beëindigd (lees: ingetrokken) met ingang van 6 mei 2013. Eiser heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend. Op een zogenoemde doelgroepverklaring gedateerd op 11 juni 2013 – die door verweerder is ontvangen op 13 juni 2013 – heeft eiser aangegeven dat hij per 1 mei 2013 een dienstverband heeft bij [naam werkgever] (de werkgever). Bij besluiten van 28 augustus 2013 heeft verweerder de over de periode van 29 april 2013 tot en met 19 mei 2013 betaalde werkloosheidsuitkering teruggevorderd, onderscheidenlijk eiser een bestuurlijke boete opgelegd van € 150,-. Bij besluit 1 zijn deze besluiten gehandhaafd.


3. Naar aanleiding van de schorsing van het onderzoek ter zitting heeft verweerder besluit 2 genomen. Bij dit besluit heeft verweerder de werkloosheidsuitkering van eiser herzien over de periode van 29 april 2013 tot 6 mei 2013, is uiteengezet dat € 1.143,43 (netto) is teruggevorderd omdat de vordering is voldaan in 2013, en heeft hij de opgelegde boete verlaagd naar € 40,- op grond van met ingang van 1 augustus 2014 gewijzigd beleid.


De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.


4. Besluit 2 is een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb, waartegen het beroep tevens is gericht. Met besluit 2 is zowel het terugvorderingsbedrag (van bruto naar netto) als het boetebedrag gewijzigd. Daarmee komt het belang van eiser bij het beroep tegen besluit 1 te ontvallen. De rechtbank zal daarom het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaren en de bezwaren tegen besluit 2 beoordelen.


5.1.

Voor zover thans nog van belang bestrijdt eiser de in besluit 2 vervatte herziening en terugvordering uitsluitend nog voor zover verweerder daarbij in de week van 29 april 2013 is uitgegaan van 24 gewerkte uren. Volgens eiser had verweerder in die week moeten uitgaan van acht gewerkte uren, omdat hij pas vanaf 3 mei 2013 bij de werkgever is gaan werken.


5.2.

Dit betoog faalt. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst is bepaald dat deze ingaat op 1 mei 2013 voor veertig uur per week voor de duur van twaalf maanden. In overeenstemming hiermee zijn in Suwinet voor de periode van 1 mei tot en met 31 mei 2013 23 sv-dagen geregistreerd met 184 verloonde uren. Uitgaande van een veertigurige werkweek, en in overeenstemming met het bepaalde in de artikelen 1a, eerste lid, 20, derde lid, en 30, vijfde lid, van de WW, is verweerder voor de week van 29 april tot en met 5 mei 2013 op goede gronden ervan uitgegaan dat eiser ter zake van 24 arbeidsuren geen recht had op een werkloosheidsuitkering. In feite gaat het dus om intrekking van de uitkering met ingang van 1 mei 2013. Dat eiser herhaaldelijk heeft gesteld dat hij op 3 mei 2013 met de werkzaamheden is gestart kan hier niet aan afdoen.


6.1.

Eiser betoogt dat verweerder niet bevoegd is hem een bestuurlijke boete op te leggen, omdat hem geen verwijt treft. In dit verband heeft eiser aangevoerd dat zijn werkgever tegen eerder gemaakte afspraken in onacceptabele bedingen had opgenomen in het arbeidscontract. Eiser heeft dit niet ondertekend doch wel doorgewerkt in de hoop dat het contract zou worden aangepast. Dit is eerst gebeurd op 11 juni 2013. Nadat eiser op 7 juni 2013 had begrepen dat de tekst van het arbeidscontract zou worden aangepast heeft hij direct met verweerder gebeld. Voor die tijd was er nog geen zekerheid. Eiser heeft zich daarom beschikbaar gehouden voor arbeid en heeft ook gesolliciteerd in die periode. Volgens eiser moet de periode tot 11 juni 2013 worden gezien als een verlengde sollicitatieperiode met kans op werk met terugwerkende kracht.


6.2.

Dit betoog faalt. Het feit dat eiser begin mei 2013 startte met werkzaamheden die economisch waardeerbaar zijn is relevante informatie voor het kunnen vaststellen van het recht op uitkering. Eiser heeft nagelaten direct opgave te doen van deze werkzaamheden. In elk geval had eiser binnen een week na aanvang van de werkzaamheden daarvan melding moeten maken. Ook indien zou moeten worden aangenomen dat de werkzaamheden feitelijk een aanvang namen op 3 mei 2013, geldt dat eiser de werkzaamheden niet binnen een week nadien heeft gemeld. Eiser had desnoods kunnen aangeven dat de contractonderhandelingen met de werkgever nog niet rond waren. Eiser had kunnen en moeten beseffen dat hij binnen een week de gewerkte uren aan verweerder had moeten opgeven en dat het eerst op 7 juni 2013 telefonisch melden dat hij werkzaam was te laat was. Van de overtreding van de inlichtingenplicht valt hem dan ook objectief en subjectief een verwijt te maken. Dringende redenen om van boeteoplegging af te zien zijn gesteld noch gebleken. Gelet hierop was verweerder gehouden eiser een bestuurlijke boete op te leggen. Een bestuurlijke boete van

€ 40,- is evenredig aan het verzuim. De rechtbank ziet in de mate van verwijtbaarheid geen reden voor afstemming van de boete op een lager bedrag.


7. Gelet op hetgeen onder 5.1 tot en met 6.2 is overwogen moet het beroep tegen besluit 2 ongegrond worden geacht.


8. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt, omdat verweerder besluit 1, waartegen het oorspronkelijke beroep is gericht, niet langer handhaaft.


9. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding, omdat van in aanmerking te nemen proceskosten niet is gebleken.



Beslissing


De rechtbank:

  • - verklaart het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk;
  • - verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond;
  • - bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 44,00 vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. L.H. Waller en mr. R.J.A.M. Cooijmans, leden, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2015.






griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.