Rechtbank Rotterdam, 13-03-2015 / ROT 13-7521


ECLI:NL:RBROT:2015:1700

Inhoudsindicatie
WOZ. Eigendomssituatie van een gaswininstallatie. Toepassing van het Termuntenarrest en de Mijnbouwwet.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-03-13
Publicatiedatum
2015-03-16
Zaaknummer
ROT 13-7521
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • Belastingblad 2015/205 met annotatie van L.J. Boone
  • V-N Vandaag 2015/1034
  • FutD 2015-1283
Uitspraak RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Dordrecht


Team Bestuursrecht 2


zaaknummer: ROT 13/7521


uitspraak van de meervoudige kamer van 13 maart 2015 in de zaak tussen
[a], te [b], eiseres,

gemachtigde: J. van de Wetering,


en


de heffingsambtenaar van de gemeente Aalburg, verweerder,

gemachtigde: mr. R.P.M.M. Mols.



Procesverloop


Bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), gedagtekend 28 februari 2013, heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak [c] 10 te Wijk en Aalburg (hierna: de onroerende zaak) per waardepeildatum 1 januari 2012 voor het belastingjaar 2013 vastgesteld op € 252.000,-. Tevens is aan eiseres een aanslag rioolrecht opgelegd.


Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 14 november 2013 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de beschikking ongegrond verklaard.


Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2014. Aanwezig waren de gemachtigde van eiseres alsmede de gemachtigde van verweerder.


Het ter zitting gesloten onderzoek is heropend teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen duidelijkheid te verschaffen over de concessie- dan wel vergunningverlening aan Northern Petroleum Nederland B.V.


Bij brief van 24 november 2014 heeft verweerder zijn reactie gestuurd.

Bij brief van 1 december 2014 heeft eiseres hierop gereageerd.


Na daartoe toestemming te hebben ontvangen van partijen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.




Overwegingen


1. De onroerende zaak betreft de percelen [d] en [e] gelegen in de gemeente Aalburg. Vast staat dat eiseres volledig eigenaar is van perceel [d] en voor 2/3 eigenaar van het perceel [e]. Op deze percelen staat een gaswininstallatie van Northern Petroleum Nederland B.V. (Northern).


2. Eiseres betoogt, naar de rechtbank begrijpt, dat verweerder in het kader van de Wet WOZ een onjuiste objectafbakening heeft aangehouden. De onroerende zaak betreft slechts twee percelen agrarische grond. De opstallen zijn eigendom van Northern en behoren daarom volgens eiseres niet tot de onroerende zaak.


2.1.

Deze beroepsgrond faalt. Op grond van artikel 5:20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Burgerlijk Wetboek (BW) omvat de eigendom van grond, voor zover de wet niet anders bepaalt, gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen en werken, voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak.


In zijn arrest van 17 november 1982, BNB 1983/41 (het Termuntenarrest), dat eveneens betrekking had op een gasboor- of gaswininstallatie, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat degene aan wie op grond van artikel 5 van de Mijnwet 1810 een concessie is verleend (de concessionaris) niet slechts eigenaar is geworden van de aanwezige delfstoffen waarop de concessie betrekking heeft, maar ook van de boven- en ondergrondse mijnwerken.

Dit houdt in dat in een dergelijke situatie natrekking op grond van artikel 5:20 van het BW wordt doorbroken (vergelijk ook HR 10 december 1980, BNB 1981/45) en dat dan sprake is van twee eigenaren, één van de grond en één van de boven- en ondergrondse mijnwerken (eigendom van de concessionaris).


De Mijnwet 1810 is met ingang van 1 januari 2003 vervangen door de Mijnbouwwet.

In de Mijnbouwwet heeft de wetgever de situatie dat de natrekking op basis van de voormelde jurisprudentie wordt doorbroken, gewijzigd (zie Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II, 1998-1999, 26 219, nr.7, blz. 95, paragraaf 63). Voor zover een mijnbouwwerk een werk is dat duurzaam met de grond is verenigd, zal het onder de Mijnbouwwet eigendom van de grondeigenaar zijn, tenzij de natrekkingsregel van artikel 5:20 van het BW doorbroken wordt door het vestigen van een opstalrecht voor het werk.


De wetgever heeft in artikel 143, vierde lid, van de Mijnbouwwet wel een overgangsbepaling opgenomen. Dit houdt in dat het Termuntenarrest van toepassing blijft indien een concessie is afgegeven voor de ingangsdatum van de Mijnbouwwet. Hieruit volgt dat, indien op basis van de Mijnbouwwet een winningsvergunning is afgegeven (dus na 1 januari 2003), geen sprake meer is van doorbreking van natrekking (zie ook de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 1998-1999, 26 219, nr. 3, blz. 9, 46 en 47, 91, 93 en 99).


2.2.

Niet in geschil is dat er op de percelen van eiseres geen recht van opstal is gevestigd ten behoeve van de gaswininstallatie. Nu uit het door verweerder bij zijn brief van 24 november 2014 overgelegde stuk “Ruimtelijke onderbouwing. Mijnbouwlocatie Wijk en Aalburg (Andel-6)” blijkt dat de winningsvergunning in november 2008 is verleend (zie blz. 11 en blz. 29 hiervan), is dus gelet op de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet geen sprake van een situatie als bedoeld in het Termuntenarrest, en is eiseres door natrekking eigenaar geworden van de bovengrondse mijnwerken, in dit geval bestaande uit een gaswininstallatie.

Het feit dat Northern is gehouden om als de economische winbaarheid tot een einde komt, de situatie weer zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat terug te brengen en dat de opstallen slechts tijdelijk op de percelen staan, waar eiseres op heeft gewezen, doorbreekt de natrekking niet.


2.3.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder een juiste objectafbakening van de onroerende zaak aangehouden.


3. De beroepsgrond dat verweerder de vastgestelde waarde van € 252.000,- niet aannemelijk heeft gemaakt, faalt.


3.1.

Verweerder heeft aan de hand van het taxatierapport van ir. M. van Eekelen van 16 december 2013 (het taxatierapport) en hetgeen hij overigens naar voren heeft gebracht aannemelijk gemaakt dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld.

Ter zitting heeft eiseres verklaard zich te kunnen vinden in de waarde van de opstallen zoals vermeld in het taxatierapport. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding die waarde voor onjuist te houden.

Voor de grond heeft verweerder een waarde van € 25,- per m² aangehouden. De rechtbank acht dit voor de specifieke situatie van deze onroerende zaak niet te hoog. Anders dan eiseres betoogt is hier geen sprake van alleen maar landbouwgrond, maar worden er bedrijfsmatige activiteiten verricht in de vorm van (tijdelijke) mijnbouw. De bestemming van de grond is ook niet agrarisch, maar mijnbouw. Ter zitting heeft verweerder onbestreden gesteld dat de waarde van (normale) bedrijfsgrond rond de € 80,- per m² ligt en uit het bij het taxatierapport gevoegde overzicht van verkoopprijzen van de gemeente Aalburg per 1 januari 2012 blijkt dat de verkoopprijs van bedrijfsgrond (buiten de representatieve zone gelegen) € 118,50 per m² bedraagt. Een waarde van € 25,- per m² ligt hier beduidend onder.

De verwijzing van eiseres naar een taxatie van Hofstede Makelaardij waarbij de waarde van de grond is getaxeerd op € 22.000,- baat haar niet. Eiseres heeft dit taxatierapport niet overgelegd en bovendien dateert deze taxatie volgens eiseres van enkele jaren geleden, zodat daar geen betekenis aan kan worden gehecht voor de onderhavige waardepeildatum.

Anders dan eiseres bepleit, kan de jaarlijkse vergoeding van € 2.500,- die Northern aan eiseres betaalt, niet worden gebruikt om de waarde van de grond te bepalen. Die vergoeding heeft immers betrekking op het gebruik van de percelen van eiseres en niet op de verkoopwaarde hiervan.


3.2.

Het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de waarde van de onroerende zaak, kan in stand blijven.


4. Omdat verweerder zich in het verweerschrift op het standpunt stelt dat hij de aanslag rioolheffing ten onrechte heeft opgelegd, omdat de onroerende zaak niet is aangesloten op de gemeentelijke riolering, is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien als hierna weergegeven.


5. Gelet op de gegrondverklaring van het beroep dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.


6. De rechtbank veroordeelt verweerder voorts in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.225,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze van 1 december 2014 met een waarde per punt van € 490,- en wegingsfactor 1). De door eiseres gestelde verletkosten komen op grond van het Besluit niet voor vergoeding in aanmerking, nu deze zijn gemaakt door haar gemachtigde rechtsbijstandsverlener. Deze kosten zijn reeds begrepen in de vergoeding voor rechtsbijstand.



Beslissing


De rechtbank:

  • - verklaart het beroep gegrond, voor zover gericht tegen de aanslag rioolheffing;
  • - vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
  • - herroept de aanslag rioolheffing en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
  • - verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
  • - bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 44,- vergoedt;
  • - veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.225,-, te betalen aan eiseres.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Woudstra, voorzitter, en mrs. E.J. Rutten en C.F.J. de Jongh, leden, in aanwezigheid van mr. M. Noordegraaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2015.







griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).