Rechtbank Rotterdam, 20-03-2015 / 14/3858


ECLI:NL:RBROT:2015:1794

Inhoudsindicatie
WW, verwijtbare werkloosheid, werknemerschap, verblijf buitenland
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-03-20
Publicatiedatum
2015-03-24
Zaaknummer
14/3858
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3


zaaknummer: ROT 14/3858


uitspraak van de meervoudige kamer van 20 maart 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te Rotterdam, eiser,


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: M.E. Molenaar.



Procesverloop


Bij besluit van 11 december 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij met ingang van 1 april 2012 verwijtbaar werkloos is en daarom een WW-uitkering niet wordt uitbetaald.


Bij besluit van 7 mei 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de grondslag gewijzigd in die zin dat eiser niet langer wordt verweten dat hij verwijtbaar werkloos is, maar dat geen sprake is van werknemerschap in de zin van de WW.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Eiser heeft bij brief van 31 januari 2015 nog nadere stukken en een usb-stick overgelegd.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2015. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.


Overwegingen


1.1.

Bij brieven van 11 oktober 2011 en 15 november 2011 heeft de gemeente[werkgever] (de ex-werkgever van eiser) eiser geïnformeerd over buitengewoon verlof met ingang van 12 oktober 2011. Op 27 februari 2012 heeft eiser een vaststellingsovereenkomst getekend waarin is vastgesteld dat eiser met ingang van 1 april 2012 eervol ontslag wordt verleend.


1.2

Op 22 maart 2012 heeft eiser zich met ingang van 1 januari 2012 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. In augustus 2012 heeft eiser zich uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.


1.3

Op 18 november 2013 heeft eiser met ingang van 1 april 2012 een WW-uitkering met toeslag aangevraagd.

1.4

Eiser heeft op 13 januari 2014 telefonisch verklaard dat hij na het tekenen van de vaststellingsovereenkomst is gestart als zelfstandige. In maart en april 2012 is eiser in Kiev geweest om de mogelijkheden te verkennen voor het opzetten van een handelsonderneming. Eiser stelt dat hij fulltime bezig is geweest gedurende ongeveer zes maanden. Verder heeft eiser op 19 februari 2014 telefonisch verklaard dat hij in maart en april en vervolgens in juni en juli in Kiev is geweest. Hij heeft veel gesprekken gevoerd en bezoeken gebracht aan universiteiten en de ambassade.


1.5

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser in de periode van 12 oktober 2011 tot en met 31 maart 2012 buitengewoon verlof genoot en in deze periode werkzaamheden heeft verricht als zelfstandige voor het opzetten van een handelsonderneming. Eiser heeft dan ook geen recht op een WW-uitkering, omdat hij per 1 april 2012 geen werknemer is in de zin van de WW. Secundair stelt verweerder dat eiser op zijn eerste werkloosheidsdag in het buitenland verblijf hield anders dan wegens vakantie en hij daarom geen aanspraak kan maken op een WW-uitkering.


2. In beroep stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte vasthoudt aan het verwijtbare ontslag. Eiser stelt dat hij naast het verrichten van sollicitaties tegelijk de mogelijkheden heeft bekeken om een eigen bedrijf te starten. Eiser heeft nimmer één euro ontvangen voor zijn bedrijfsmatige activiteiten. Eiser is in april en mei 2012 op vakantie geweest in de Oekraïne en heeft dit gecombineerd met een aantal gesprekken met vertegenwoordigers van de ambassade en vertegenwoordigers van het Nederlandse bedrijfsleven.


3.1

Het geschil tussen partijen spitst zich allereerst toe op de vraag of eiser als werknemer of als zelfstandige dient te worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan de op hem rustende onderzoeksplicht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 6 april 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW3336). Hierin is overwogen dat verweerder een volledige onderzoeksplicht heeft met betrekking tot de vraag of sprake is van een werknemer. Het is aan verweerder om door middel van een deugdelijk onderzoek aannemelijk te maken dat niet aan alle criteria voor het aannemen van een dienstbetrekking is voldaan, aldus de Raad. Van een dergelijk deugdelijk onderzoek is in dit geval niet gebleken. De rechtbank betrekt hierbij dat verweerder zijn standpunt heeft gebaseerd op twee telefoongesprekken met eiser van 13 januari 2014 en 19 februari 2014 en de hoorzitting op 24 april 2014. Uit telefonisch contact van verweerder met eiser op 2 april 2014 blijkt dat eiser een aantal nuanceringen op zijn eerdere uitlatingen heeft aangebracht. Zo heeft eiser gesteld dat hij in die periode wel honderd sollicitaties en uitsluitend voorbereidende werkzaamheden voor zijn onderneming heeft verricht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder nader had moeten onderzoeken op welke momenten eiser in Kiev is geweest en welke werkzaamheden hij daar heeft verricht. Verder blijft onduidelijk hoeveel uur eiser aan de voorbereidende werkzaamheden als zelfstandige heeft besteed. Verweerder heeft hiernaar geen (nader) onderzoek verricht. In beroep heeft eiser naar voren gebracht dat zijn verblijf in Kiev vooral ook het karakter van een vakantie had. De door verweerder in dit kader aangehaalde uitspraak van de Raad van 7 juni 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AY0143) heeft betrekking op een andere situatie. In die zaak heeft verweerder het recht op een WW-uitkering beëindigd, omdat de werknemer anders dan wegens vakantie in het buitenland verbleef. Dit heeft geen betrekking op de vraag of iemand als werknemer of als zelfstandige moet worden aangemerkt en verweerder aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan.

Verder heeft verweerder bij eiser geen concrete gegevens opgevraagd. Verweerder had bijvoorbeeld het paspoort en/of tickets en de agenda van eiser kunnen opvragen om te onderzoeken in welke periode eiser in het buitenland is geweest en wat hij daar heeft gedaan. Verder zijn er geen gegevens bekend over de afspraken van eiser, zodat niet duidelijk is wanneer en met wie eiser zou hebben gesproken in het kader van zijn veronderstelde activiteiten als zelfstandige. Voorts zit er geen exemplaar van het gemaakte businessplan bij de stukken. Ter zitting is aangevoerd dat eiser dit businessplan pas heeft opgesteld nadat hij zijn inschrijving bij de Kamer van Koophandel ongedaan had gemaakt. Eiser heeft ter zitting gesteld dat hij het businessplan op een namiddag heeft gemaakt om dit ooit te gebruiken als hij hiervoor de financiële middelen zou hebben. Hierbij komt dat blijkens de telefoonnotitie van 19 februari 2014 eiser heeft verklaard dat het opstarten van een onderneming veel geld kost en hij had verwacht het startkapitaal middels de schikking met [bureau x] te vergaren. [bureau x] wilde echter niet schikken, zodat – zoals eiser ter zitting heeft bevestigd – het benodigde startkapitaal voor zijn (op te starten) onderneming ontbrak. Eiser heeft in dat kader gesteld dat zijn onderneming nooit van de grond is gekomen.


De stelling van verweerder ter zitting dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de inhoud van de telefoongesprekken en er dus geen aanleiding was voor een nader onderzoek, volgt de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet.


3.2

Verweerder heeft gesteld dat ook indirecte uren (scholing, acquisitie etc.) als gewerkte uren als zelfstandige zijn aan te merken. Verweerder heeft in dat kader verwezen naar de uitspraak van de Raad van 7 mei 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1693). De rechtbank volgt verweerder hierin, maar stelt tevens vast dat verweerder, zoals hiervoor onder 3.1 is overwogen, onvoldoende heeft onderzocht of en hoeveel (indirecte) uren eiser als zelfstandige zou hebben gewerkt. Eiser zou een cursus Russisch gevolgd hebben, maar verweerder heeft evenmin onderzocht hoeveel tijd eiser hieraan zou hebben besteed.


3.3

Verweerder heeft dan ook onvoldoende deugdelijk en zorgvuldig onderzoek gedaan.


4.1

Ter zitting is door eiser bevestigd dat hij op de datum in geding, 1 april 2012, in Kiev verbleef, zodat hij om die reden in ieder geval op 1 april 2012 geen aanspraak kon maken op een WW-uitkering. Ingevolge vaste jurisprudentie dient verweerder echter bij een aanvraag met terugwerkende kracht de gehele periode te betrekken. De rechtbank volgt verweerders betoog, dat eiser vanwege het herkrijgen van het werknemerschap een nieuwe aanvraag dient in te dienen, dan ook niet. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Raad van 14 augustus 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1410).


4.1

In dit kader is van belang dat eiser op 18 november 2013 een WW-aanvraag heeft ingediend. Gelet op artikel 35 van de WW wordt de uitkering, behoudens bijzondere gevallen, niet betaald over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank geldt als beoordelingsperiode dan ook 18 mei 2013 tot en met 18 november 2013. Indien sprake is van een bijzonder geval, kan verweerder teruggaan tot 18 mei 2013. Eiser heeft aangevoerd dat hij er niet eerder aan heeft gedacht om een WW-aanvraag in te dienen, totdat hij door de bijstandsverlening op deze mogelijkheid werd gewezen. Van een bijzonder geval is de rechtbank aldus niet gebleken.


4.2

Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij zich in augustus 2012 heeft uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel en geen activiteiten meer heeft verricht met betrekking tot het opstarten van een eigen bedrijf. Eiser heeft aangegeven hiervoor niet de financiële middelen te hebben. Verweerder heeft aangegeven hiernaar nader onderzoek te willen doen, maar dat daarvoor een nieuwe aanvraag moet worden ingediend. Zoals reeds in rechtsoverweging 4.1 is overwogen, volgt de rechtbank dit standpunt niet.


4.3

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat opnieuw zal moeten worden onderzocht of in eisers geval sprake is van verwijtbare werkloosheid, omdat eiser een vaststellingsovereenkomst heeft getekend en in dat kader vrijwillig ontslag heeft gevraagd.

Verweerder stelt aan de beoordeling of eiser verwijtbaar werkloos is, niet meer te zijn toegekomen bij de heroverweging in bezwaar. Uit het bestreden besluit blijkt dit echter niet. Uit het dossier maakt de rechtbank op dat eiser gelet op de situatie die was ontstaan in de gemeente[werkgever], waarbij na de[bureau x]rapportage de bestuurlijke en ambtelijke top moest worden vervangen, redelijkerwijs geen andere optie had dan de gemeente [werkgever] te verlaten. Eiser heeft aangegeven dat hij voor de keus is gesteld mee te werken aan een eervol ontslag op basis van een vaststellingsovereenkomst onder toekenning van een financiële compensatie of een strafontslag. In het laatste geval liep eiser een reële kans om te worden ontslagen zonder enige financiële compensatie en zonder recht op een werkloosheidsuitkering. De rechtbank betrekt hierbij dat de chaotische situatie bij de gemeente[werkgever] in die periode eraan in de weg stond om een zorgvuldige en individuele afweging te maken van de relevante feiten en de daaraan te verbinden conclusies, omdat men zonder meer uitging van het gestelde in het[bureau x]-rapport, waarvan later gebleken is dat het wezenlijke tekortkomingen bevatte. Gelet op de hoge positie die eiser vervulde in de gemeente [werkgever] zou een strafontslag eisers kansen om weer bij de overheid aan de slag te gaan, vrijwel tot nihil hebben gereduceerd. Eiser heeft zogezegd “eieren voor zijn geld gekozen” en het niet laten aankomen op een strafontslag. De door de gemeente[werkgever] verstrekte financiële compensatie kan mede worden opgevat als een tijdelijke tegemoetkoming in de inkomensschade die eiser lijdt. Niet zonder reden heeft eiser betoogd dat zijn kansen op de arbeidsmarkt gering zijn geworden, nu eiser in verband wordt gebracht met de bestuurscrisis in de gemeente [werkgever] en potentiële werkgevers huiverig zijn om hem voor een gesprek uit te nodigen. Mede om die reden heeft eiser onderzocht of er in het buitenland mogelijkheden lagen om werk te vinden. Gelet op deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank de opvatting van verweerder dat opnieuw bezien dient te worden of eiser niet verwijtbaar werkloos moet worden geacht, onvoldoende gemotiveerd en niet houdbaar.


5. Het beroep van eiser zal gelet op hetgeen in de voorgaande rechtsoverwegingen is verwoord, gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, omdat het onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Verweerder zal een nieuw besluit dienen te nemen, nu de rechtbank – bij gebrek aan nadere gegevens – eisers recht op een uitkering niet kan vaststellen. Bij het nieuw te nemen besluit zal verweerder de aanvraag om een uitkering dienen te beoordelen met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 4.1 is overwogen. Verweerder dient daarbij te betrekken dat eiser op dat moment niet meer als zelfstandige kon worden aangemerkt en hij wederom als werknemer moest worden beschouwd.


6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.





Beslissing


De rechtbank:

  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het bestreden besluit;
  • - bepaalt dat verweerder binnen zes weken nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
  • - bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van ‘t Laar, voorzitter, en mr. A.M.J. Adriaansen en mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. H. van der Waal-de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2015.






griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.