Rechtbank Rotterdam, 25-03-2015 / 470946


ECLI:NL:RBROT:2015:2064

Inhoudsindicatie
Het verzoek om een gesloten machtiging als bedoeld in artikel 6.1.8, eerste lid, van de Jeugdwet dient door het college van burgemeester en wethouders te worden ingediend en kan niet op eigen titel door een andere (rechts)persoon worden gedaan. De vraag of de aard van de bevoegdheid zich verzet tegen de verlening van een volmacht om namens het college een dergelijk verzoek te doen, is onbeantwoord gebleven, omdat het college het eerdere verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, later heeft bekrachtigd. Een verzoekschrift kan niet tevens gelden als een verleningsbeslissing. Aan het ontbreken van een verleningsbeslissing heeft de rechtbank echter om verschillende redenen geen gevolgen verbonden.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-03-25
Publicatiedatum
2015-03-26
Zaaknummer
470946
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • PFR-Updates.nl 2015-0106
Uitspraak

beschikking



RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Meervoudige kamer


zaakgegevens: C/10/470946 / JE RK 15-560

datum uitspraak: 25 maart 2015


beschikking machtiging gesloten jeugdhulp in de zaak van

HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER & WETHOUDERS van SCHIEDAM, hierna te noemen het college,


betreffende


[Naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats], hierna te noemen de minderjarige.


De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:


[Naam moeder], hierna te noemen de moeder,

wonende te [adres],


[Naam vader], hierna te noemen de vader,

wonende te [adres].


Het procesverloop

Op 26 februari 2015 heeft de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: JBRR) de kinderrechter mondeling verzocht een spoedmachtiging te verlenen om de minderjarige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Het verzoek heeft de kinderrechter dezelfde dag mondeling toegewezen.


Op 27 februari 2015 heeft de rechtbank een schriftelijk verzoek van JBRR ontvangen om een spoedmachtiging te verlenen en om aansluitend op grond van artikel 6.1.2, eerste lid, van de Jeugdwet een machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie maanden.


Bij brief van 27 februari 2015, gericht aan JBRR, heeft de teammanager van de afdeling Jeugd en Onderwijs van de gemeente Schiedam namens het college om een machtiging verzocht voor opname en verblijf van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp.


Bij brief van 2 maart 2015, gericht aan de rechtbank, heeft de teammanager van de afdeling Jeugd en Onderwijs van de gemeente Schiedam namens het college om een machtiging verzocht voor opname en verblijf van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp.


Bij verklaring van 2 maart 2015 heeft een gekwalificeerde gedragswetenschapper ingestemd met het verzoek om een machtiging voor gesloten jeugdhulp.


Op 3 maart 2015 heeft de kinderrechter naar aanleiding van de verleende spoedmachtiging een vertegenwoordiger van het college, de minderjarige en zijn advocaat, de ouders van de minderjarige en twee vertegenwoordigers van JBRR gehoord. Tijdens dit verhoor zijn door de vertegenwoordiger van het college het ‘Mandaatbesluit tot het nemen van besluiten op aanvragen voor een individuele voorziening in het kader van de Jeugdwet’ van het college van 20 januari 2015 en een ‘Ondermandaatbesluit Jeugdhulp’ van de gemeentesecretaris van de gemeente Schiedam van 9 februari 2015 overgelegd.


Ter zitting van 3 maart 2015 heeft de kinderrechter de zaak ter verdere behandeling verwezen naar de zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 19 maart 2015.


Bij brief van 18 maart 2015 heeft het college het volgende bekrachtigd:

1. het mondelinge verzoek van JBRR van 26 februari 2015;

2. het schriftelijke verzoek van JBRR van 27 februari 2015;

3. het verzoek van het college van 27 februari 2015 namens het college gedaan door de teammanager Jeugd en Onderwijs;

4. het verzoek van het college van 2 maart 2015 namens het college gedaan door de teammanager Jeugd en Onderwijs en

5. de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper van 2 maart 2015.

Op 19 maart 2015 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de ouders van de minderjarige;

- de minderjarige, bijgestaan door zijn advocaat mr. G.A.J. Puperhart;

- het college, vertegenwoordigd door [naam];

- vertegenwoordigers van JBRR, [naam],[naam] en [naam].


De rechtbank heeft op grond van artikel 800, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering JBRR ook gehoord, omdat zij namens het college het verzoek heeft ingediend en namens het college de contacten met de ouders en de minderjarige heeft onderhouden.


De feiten

Beide ouders hebben het gezag over de minderjarige.


De minderjarige verblijft thans in de gesloten accommodatie voor jeugdhulp Het Anker te Harreveld.


De standpunten

Het standpunt van het college

Met de brief van 18 maart 2015 heeft het college de eerder door JBRR en de Teammanager Jeugd en Onderwijs gedane verzoeken om een gesloten plaatsing bekrachtigd. Het college is bezig met het opstellen van een nieuw mandaat- dan wel machtigingsbesluit voor verzoeken als het onderhavige.

Met de brief van 2 maart 2015 is tevens de verlengingsbeslissing als bedoeld in artikel 6.1.2, vijfde lid, van de Jeugdwet genomen.


Het standpunt van JBRR

Los van het feit dat het college bij brief van 18 maart 2015 het verzoek van JBRR om een gesloten machtiging heeft bekrachtigd, biedt de Jeugdwet ruimte om de bevoegdheid van het doen van een verzoek als het onderhavige te mandateren dan wel bij volmacht te verlenen aan een organisatie als JBRR. De aard van de bevoegdheid verzet zich daar niet tegen.


Ten aanzien van de noodzaak tot een gesloten plaatsing heeft JBRR gesteld dat de minderjarige al langere tijd gedragsproblemen laat zien. Er zijn grote zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige. Bij de minderjarige is sprake van verslavingsproblematiek en alcoholmisbruik. Hij onttrekt zich aan het gezag en is zeer beïnvloedbaar. Het is in het belang van de minderjarige dat hij behandeling krijgt voor zijn problematiek. Op dit moment verblijft hij in Het Anker in Harreveld. Daar wordt hij geobserveerd. Eerder is de diagnose ADHD vastgesteld bij de minderjarige. Het is van belang dat de minderjarige voor zijn verslaving wordt behandeld en dat hij leert weerbaarder te worden.


Het standpunt van de minderjarige

Door de minderjarige is ter terechtzitting aangegeven dat hij niet langer gesloten geplaatst wil worden. Sinds hij gesloten geplaatst is, blowt hij niet meer. Hij heeft ook geen last van ontwenningsverschijnselen. Hij heeft geen contact meer met zijn vrienden en verwijt hen dat hij op dit moment in Het Anker in Harreveld geplaatst is. De minderjarige wil graag naar huis en weer naar school. Hij wil zijn Mavo afmaken en dan doorstromen naar de Havo. Uiteindelijk wil hij een HBO-opleiding gaan doen. Hij erkent problemen te hebben en beseft waar het mis is gegaan. De minderjarige zou graag een laatste kans willen hebben.


De advocaat van de minderjarige heeft gesteld dat aan het verzoek formele gebreken kleven en dat de aard van de bevoegdheid tot het doen van een verzoek om een gesloten plaatsing zich verzet tegen mandatering van deze bevoegdheid. Ten aanzien van de noodzaak tot een gesloten plaatsing heeft hij gesteld dat de minderjarige goede intenties heeft en dat hij in dat opzicht thuisgeplaatst zou kunnen worden. Echter, de ouders zijn van mening dat hij op dit moment nog niet naar huis kan komen in verband met het risico op een terugval in zijn oude gedrag. Het is daarom prematuur om de minderjarige nu al naar huis te laten gaan.


Het standpunt van de ouders

De ouders hebben ter terechtzitting te kennen gegeven dat zij achter de plaatsing van de minderjarige staan. De vader heeft toegelicht dat op dit moment een terugkeer naar huis geen optie is. De ouders zijn bang dat de minderjarige bij thuisplaatsing terug zal vallen in zijn oude gedrag.


De rechtbank overweegt als volgt.


De bevoegdheid tot het doen van een verzoek om gesloten plaatsing

Ter beoordeling ligt voor het verzoek om een machtiging te verlenen om de minderjarige voor de duur van drie maanden in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te verblijven. Nu de minderjarige geen kinderbeschermingsmaatregel opgelegd heeft gekregen en ten aanzien van hem ook niet om een kinderbeschermingsmaatregel is verzocht, dient op grond van artikel 6.1.8, eerste lid, van de Jeugdwet het verzoek daartoe door het college te worden gedaan. Een dergelijk verzoek kan dus niet zelfstandig - op eigen titel - door JBRR of door een andere (rechts)persoon worden gedaan.


Wil JBRR een verzoek om een (spoed)machtiging als bedoeld in artikel 6.1.8, eerste lid, van de Jeugdwet doen, dan zal in ieder geval moeten blijken dat het college aan JBRR de bevoegdheid heeft verleend om dat verzoek namens het college te doen. Dat zal bij volmacht dienen te gebeuren, nu enkel het nemen van besluiten kan worden gemandateerd. Het indienen van een verzoekschrift bij de rechtbank valt daar niet onder. Op grond van de schakelbepaling neergelegd in artikel 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht kan echter geen volmacht worden verleend als de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.

De vraag echter of JBRR door het college gemachtigd was om de verzoeken van 26 en 27 februari 2015 te doen, en zo ja, of de aard van de bevoegdheid zich verzet tegen het verlenen van een volmacht om namens het college dergelijke verzoeken te doen, laat de rechtbank onbeantwoord, nu het college bij brief van 18 maart 2015 de verzoeken van JBRR van 26 en 27 februari 2015 heeft bekrachtigd. Bij dezelfde brief heeft het college ook de verzoeken die door de Teammanager Jeugd en Onderwijs namens het college bij brief van 27 februari 2015 en 2 maart 2015 zijn gedaan, bekrachtigd. Derhalve kan ook de vraag of de aard van de bevoegdheid zich verzet tegen een volmachtverlening aan de Teammanager Jeugd en Onderwijs van de gemeente Schiedam, onbeantwoord blijven.


De verleningsbeslissing

Op grond van artikel 6.1.2, vijfde lid, van de Jeugdwet kan een machtiging slechts worden verleend indien het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is.


Op grond van artikel 6.1.9, eerste lid, van de Jeugdwet legt het college, bij een verzoek als bedoeld in artikel 6.1.8, eerste en tweede lid, een afschrift van het besluit, bedoeld in artikel 6.1.2, vijfde lid, alsmede van de verklaring, bedoeld in artikel 6.1.2, zesde lid, over.


Volgens de Memorie van Toelichting bij de Jeugdwet dient aan de basis van een machtiging een besluit te liggen van het college dat strekt tot jeugdhulp met gesloten verblijf in een gesloten accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Hierbij zal het college gemotiveerd moeten aangeven dat de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die noodzaken tot jeugdhulp met gesloten verblijf en verder dat aan de andere criteria voor het verlenen van een machtiging is voldaan (TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p. 193)


Het college heeft ter zitting gesteld dat het met de brief van 2 maart 2015 tevens een besluit als bedoeld in artikel 6.1.2, vijfde lid, van de Jeugdwet heeft genomen. Deze brief vermeldt, voor zover hier van belang:


“(…) Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam heeft het advies van het CIT ontvangen om bij de kinderrechter van uw rechtbank een machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp van de minderjarige(n) uit het gezin (…) te verzoeken.


Op basis van de geconstateerde noodzaak verzoekt het college van burgemeester en wethouders u om een machtiging af te geven voor opname en verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp. Met dit besluit geeft het college uitvoering aan het gestelde in artikel 6.1.2, vijfde lid, van de Jeugdwet.


Voor de onderbouwing van het verzoek wordt verwezen naar hetgeen het CIT jongstleden donderdagavond mondeling en jongstleden vrijdag definitief over deze casus aan u heeft medegedeeld. Deze onderbouwing wordt hierbij door het college bevestigd. (…)”


Anders dan het college merkt de rechtbank deze brief niet aan als een besluit in de zin van artikel 6.1.2, vijfde lid, van de Jeugdwet. Uit de laatstgenoemde bepalingen van de Jeugdwet kan immers worden afgeleid dat het college bij het verzoek om een machtiging tot plaatsing in een gesloten instelling afzonderlijk van dit verzoek de verleningsbeslissing dient te overleggen. Door, zoals het college heeft beoogd, met het verzoekschrift tevens een verleningsbeslissing te nemen, is het college aan dit vereiste voorbij gegaan. Verder is in de brief niet vastgesteld om welke voorziening het gaat, voor welke termijn die voorziening is verleend en wie de voorziening gaat uitvoeren. Bovendien is de brief niet gericht aan de belanghebbenden bij het besluit, maar aan de rechtbank. Dat de brief als onderwerp heeft “Besluit verzoek tot machtiging gesloten jeugdhulp” en het college in de brief stelt dat ze met deze brief uitvoering heeft gegeven aan het gesteld in artikel 6.1.2, vijfde lid, van de Jeugdwet, maakt een en ander niet anders.


Aan het geconstateerde verzuim verbindt de rechtbank evenwel geen gevolgen, nu ter zitting en op grond van de stukken duidelijk is geworden dat het college een verleningsbesluit heeft willen nemen en de ouders met de gesloten plaatsing hebben ingestemd. Ook de advocaat van de minderjarige heeft geen consequenties aan de formele gebreken willen verbinden, omdat hij van mening is dat thuisplaatsing nu prematuur is. Bovendien is het belang van de minderjarige met een spoedige beslissing op het verzoek gediend.


De noodzaak tot gesloten plaatsing

Gebleken is dat er veel zorgen zijn over het risicovolle en grensoverschrijdende gedrag van de minderjarige. Bij de minderjarige is sprake van verslavingsproblematiek en alcoholmisbruik. Daarnaast bestaat het vermoeden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van strafbare feiten. Verder onttrekt hij zich aan het gezag van zijn ouders en trekt zijn eigen plan. Hij is meerdere malen weggelopen van huis. Het is dan onduidelijk waar hij verblijft. De minderjarige heeft zich niet gehouden aan de veiligheidsafspraken die door het crisis interventie team (CIT) met hem zijn gemaakt. Ook zijn behandeling om af te kicken vanuit Youz is gestopt, omdat hij toch bleek te blowen. Gelet op de problematiek van de minderjarige is het van belang dat hij tegen zichzelf wordt beschermd. Het is in het belang van de minderjarige dat hij behandeling krijgt voor zijn problematiek om verder afglijden te voorkomen. Langer verblijf in gesloten jeugdhulp is derhalve noodzakelijk.


De beslissing

De rechtbank:


verleent een machtiging gesloten jeugdhulp met ingang van 25 maart 2015 tot 25 juni 2015 betreffende de minderjarige.


Deze beschikking is gegeven door mr. J. de Gans, voorzitter tevens kinderrechter, en mrs. M.J.M. Marseille en S.C.C. Hes-Bakkeren, rechters, in bijzijn van P. Thakoerdat als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2015.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofDen Haag.