Rechtbank Rotterdam, 24-03-2015 / 10/660259-07


ECLI:NL:RBROT:2015:2112

Inhoudsindicatie
Witwassen. Voormalige profvoetballer heeft tijdens zijn carrière premies en tekengelden zwart uitgekeerd gekregen. In zoverre is bij hem aantroffen, contant geld, deels van misdrijf afkomstig. Die criminele herkomst is verhuld door het geld contant te ontvangen en vervolgens gedurende jaren contant te houden.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-03-24
Publicatiedatum
2015-03-27
Zaaknummer
10/660259-07
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Team straf 1


Parketnummer: 10/660259-07

Datum uitspraak: 24 maart 2015

Tegenspraak


Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:


[verdachte 1],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres],

raadsman mr. M.R. Kok, advocaat te Rotterdam.


ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING


Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 maart 2015.


TENLASTELEGGING


Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.


EIS OFFICIER VAN JUSTITIE


De officier van justitie mr. H.E. Rebel heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest.


MOTIVERING VRIJSPRAAK


Ten aanzien van feit 5


Het onder 5 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Nu zowel de raadsman als de officier ten aanzien van dit feit tot vrijspraak hebben geconcludeerd, zal dit niet verder worden gemotiveerd.


BEWEZENVERKLARING


Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:


1.

hij op één of meer tijdstippen gelegen in de periode van 01 januari 2006 tot en met 30 oktober 2007, te Rotterdam, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een hoeveelheid contant geld voorhanden heeft gehad en de herkomst, heeft verhuld, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp afkomstig was uit enig misdrijf;


2.

hij in de periode van 17 augustus 2007 tot en met 11 september 2007 te Rotterdam, en te Antwerpen, meermalen telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid [benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, immers heeft verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en in strijd met de waarheid zich voorgedaan als de rechtmatige eigenaar van een creditcard op naam van [cardhouder], cardnummer [x] en vervolgens met genoemde creditcard telkens geldtransacties verricht, waardoor het voornoemde bedrijf telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;


3.

hij op 30 oktober 2007 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 4,6 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;


4.

hij op 30 oktober 2007 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [adres] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 439,80 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan ook worden vrijgesproken.


BEWIJSMOTIVERING


De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.


NADERE BEWIJSMOTIVERING


Ten aanzien van feit 1

Inleiding

In de slaapkamer van de verdachte is een geldbedrag aangetroffen ter waarde van €231.705,-. De officier van justitie heeft de verdachte vervolgd voor witwassen als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid, aanhef en onder b van het Wetboek van Strafrecht (Sr.), kort gezegd het bezitten van geld dat van misdaad afkomstig is. Ter terechtzitting, mede naar aanleiding van de aldaar afgelegde verklaring van de verdachte, heeft de officier van justitie de tenlastelegging gewijzigd zodat aan de verdachte ook het witwassen als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid, aanhef en onder a Sr. wordt verweten, kort gezegd, het verhullen van de herkomst van dat geld.


Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak van het ten laste gelegde witwassen bepleit, omdat het aangetroffen geld niet van misdrijf afkomstig is. De verdachte heeft het geld verdiend met voetballen, in België bij [Belgische voetbalclub] en in Nederland bij [Nederlandse voetbalclub] en verder bij enkele Nederlandse amateurclubs. De verdachte heeft contant uitbetaalde winstpremies en tekengelden over de loop der jaren gespaard als een vorm van pensioenvoorziening. Dit blijkt ook uit verklaringen in het dossier. De raadsman heeft ter terechtzitting voorts een stuk overgelegd dat een kopie is van een artikel, inhoudende, kort gezegd, dat in het Belgische professionele voetbal veel zwart geld in omloop was, in de periode dat de verdachte daar voetbalde.


Beoordeling

Op 30 oktober 2007 is in een rieten mand en onder het bed in de slaapkamer van de woning waar de verdachte verbleef een contant geldbedrag (in kleine coupures) van € 231.705,-- aangetroffen.


De verdachte heeft hierover, tijdens zijn eerste verhoor bij de politie op 30 oktober 2007, verklaard, dat hij vroeger profvoetballer was geweest en een hoop zwart had gewerkt. Met het voetbal heeft hij ongeveer 150.000 euro verdiend, ook zwart.


Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte deze verklaring herhaald en aangevuld:


Ten aanzien van het bedrag van 231.705 euro heb ik al verklaard dat dat geld van mij was. Het was voor mij een soort pensioenvoorziening. Het geld dat ik verdiend had bij het voetballen. Ik heb tot ongeveer 1994 gespeeld bij [Belgische voetbalclub]. Daarmee heb ik een bedrag van omgerekend 150.000 euro verdiend. Dat was in zekere zin zwart geld. Naast die 150.000 euro bestaat het totaalbedrag ook nog uit drie maal 15.000 euro die ik bij amateurclubs heb verdiend.


Ter terechtzitting, tenslotte, heeft de verdachte nog verklaard, dat hij ook bij [Nederlandse voetbalclub] (voor een deel) contant werd uitbetaald en wel tot een bedrag van ongeveer € 34.000,-. Al deze bedragen, inclusief enkele leningen, verklaren het totaal van het aangetroffen geld. De verdachte heeft verder verklaard, dat hij dit geld niet bij de belasting heeft opgegeven. Hij heeft steeds geleefd van het geld dat de clubs hem per bank uitbetaalden. Het contant uitbetaalde geld heeft hij gespaard.


Deze verklaringen vinden steun in het dossier en in het verhandelde ter zitting. Meer in het bijzonder wat betreft verdachtes carrière als professionele voetballer en voor zover is gebleken dat de verdachte bij [Belgische voetbalclub] blijkens de afgedragen verzekeringspremies, in België een legaal inkomen heeft genoten tot een totaal van ongeveer € 39.000,-. Gelet hierop, gelet op verdachtes verklaringen dat het om zwartgeld ging, gelet op ontbrekende aanwijzingen voor het tegendeel en gelet op de verklaringen c.q. het standpunt van de verdachte ter terechtzitting dat het geld vrijwel volledig afkomstig is van contante betalingen, dat hij daar geen belasting over heeft betaald en dat hij het niet aan de fiscus heeft opgegeven, acht de rechtbank dan ook bewezen dat het geld is verkregen door enig fiscaal delict en dat de verdachte dat heeft geweten. De rechtbank acht tevens bewezen dat hij de herkomst van dat geld heeft verhuld door dit geld contant te houden.


STRAFBAARHEID FEITEN


Ten aanzien van feit 1


Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging bepleit, nu – voor zover al sprake zou zijn van enig misdrijf – het een geldbedrag uit eigen misdrijf betreft en de verdachte geen handeling heeft verricht die gericht is op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag. De verdachte heeft het geld in de tenlastegelegde periode enkel voorhanden gehad op zijn verblijfsadressen bij zijn moeder dan wel bij zijn vriendin. Hij heeft geen handelingen verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van een eventuele criminele herkomst van het geld (GHAMS:2014:667 en HR:2014:1237).


Beoordeling

Gelet op de inrichting van de tenlastelegging is het verweer te beschouwen als een bewijsverweer, maar nu het een verkapte kwalificatiekwestie betreft, zal de rechtbank het verweer hier bespreken.


Zoals hiervoor reeds is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat een gedeelte van het aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit een fiscaal delict en daarmee verkregen uit eigen misdrijf. De verdediging wordt niet gevolgd in het verweer, dat geen sprake is van handelingen gericht op het daadwerkelijk verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag.


Kenmerkend voor een fiscaal delict is immers dat men niet wil dat het geld zichtbaar is om zo te voorkomen dat hierover verantwoording dient te worden afgelegd. Het contant uitbetalen door de voetbalclubs van het geld en daarop volgend het in elk geval vanaf 1994 gedurende vele jaren contant houden van het geld, dient tezamen te worden aangemerkt als de verhullingshandeling. Weliswaar is de verhullingshandeling aangevangen buiten de tenlastegelegde periode (het is immers voorafgaand aan die periode contant uitbetaald door de diverse voetbalclubs), maar het duurt voort in de tenlastegelegde periode. Door het onzichtbaar te houden – en daarmee niet traceerbaar voor overheidsinstanties zoals de Belastingdienst – heeft de verdachte de criminele herkomst van het geld verhuld.


Het verweer wordt dan ook verworpen.


De bewezen feiten leveren op:


1

witwassen;

2

oplichting, meermalen gepleegd;

3

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

4

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.


De feiten zijn strafbaar.



STRAFBAARHEID VERDACHTE


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.


De verdachte is strafbaar.



STRAFMOTIVERING / MOTIVERING MAATREGEL


De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.


Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.


De verdachte heeft jarenlang voor zijn voetbalactiviteiten contant geld ontvangen van diverse voetbalclubs en geen aangifte gedaan bij de Belastingdienst van deze inkomsten. Het geld dat hij ten onrechte niet afdroeg aan de Belastingdienst en dus uitspaarde heeft hij contant bewaard, zodat dit ook niet zichtbaar en traceerbaar was voor overheidsinstanties zoals de Belastingdienst.

De verdachte heeft op deze wijze doelbewust zijn verplichtingen terzijde geschoven. Hij heeft daarbij vooral zijn eigen financiële gewin op het oog gehad en de overheid nadeel toegebracht.


Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Het vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de ondermijnende invloed ervan op het legale handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving.


De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan oplichting, door met gebruik van een creditcard die niet van hem was, te parkeren in een parkeergarage. Door aldus te handelen heeft de creditcardmaatschappij schade geleden en heeft de verdachte het vertrouwen dat in het gebruik van creditcards moet kunnen worden gesteld, geschonden.


Tot slot heeft de verdachte 4,6 gram cocaïne en ongeveer 439,80 gram hennep aanwezig gehad. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van harddrugs een ernstige bedreiging voor de gezondheid van de gebruikers daarvan vormt. Daarnaast zorgen harddrugs maatschappelijk gezien voor veel schade. De mensen die afhankelijk zijn van deze drugs veroorzaken veel overlast en schade om deze drugs te kunnen bekostigen. Ook hennep is schadelijk voor de volksgezondheid en vormt een bedreiging voor de samenleving vanwege de met de verdere verspreiding daarvan gepaard gaande criminaliteit.


Op dergelijke feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van enige duur.


Bij het bepalen van de aard en de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank tevens de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals gebleken ter terechtzitting, in oogschouw genomen. Verder is in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 februari 2015 niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.


Vastgesteld wordt dat het in artikel 6 lid 1 EVRM gewaarborgde recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden. De verdachte is op 30 oktober 2007 in verzekering gesteld en het onderzoek op de terechtzitting is op 10 maart 2015 gesloten. Hieruit volgt dat de redelijke termijn van twee jaren met vijf jaar en vierenhalve maand is overschreden.


De overschrijding van de redelijke termijn is van een dermate omvang dat de rechtbank geen aanleiding ziet om een langere gevangenisstraf op te leggen dan het voorarrest, dat de verdachte reeds voor de strafbare feiten heeft ondergaan. Dat brengt de rechtbank tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 73 dagen.


IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN


De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen bedragen van € 392,05 (zegge: driehonderd tweeënnegentig euro en vijf cent) respectievelijk € 231.705,-- (zegge: tweehonderdéénendertigduizend zevenhonderdvijf euro) verbeurd te verklaren.


Ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag van € 392,05 zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.


De rechtbank zal geen beslissing nemen wat betreft het in beslag genomen geldbedrag van € 231.705,--. De rechtbank heeft geconstateerd dat dit geldbedrag uitsluitend conservatoir beslag in beslag is genomen in de zin van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering, zoals de officier van justitie ter zitting desgevraagd uitdrukkelijk heeft bevestigd. Op een zodanig beslag is geen beslissing bij einduitspraak in de strafzaak mogelijk.


VORDERING BENADEELDE PARTIJ


Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde], (hierna ook te noemen: “[benadeelde]”) ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 16.046,03 aan materiële schade.


De raadsman van de verdachte heeft verzocht de vordering af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. Er is een ongetekend voegingsformulier met bedragen en een getekend deel van een voegingsformulier zonder bedragen, waardoor geen rechtsgeldige vordering is ingediend. Verder is [benadeelde] deels schadeloos gesteld door de Staat. Het is echter niet duidelijk welk deel van de totale vordering dit betreft. Tot slot tekent [gemachtigde] als benadeelde partij, terwijl [benadeelde] de benadeelde partij is. De bevoegdheid van [gemachtigde] om deze vordering namens [benadeelde] in te dienen blijkt niet uit de stukken. De verklaring van de heer [directeur] van [benadeelde], dat [gemachtigde] is gemachtigd om namens [benadeelde] op te treden, is ongedateerd en zegt in het geheel niets over de periode of het moment dat [gemachtigde] bevoegd zou zijn en verwijst evenmin naar deze specifieke zaak.


De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een rechtsgeldige vordering en dat [gemachtigde] bevoegd is deze vordering namens [benadeelde] in te dienen. Uit de stukken van de benadeelde partij volgt voldoende duidelijk door wie een vordering wordt ingediend, wat de omvang van de vordering is en op welke zaak de vordering ziet. Uit de schriftelijke verklaring van de statutair directeur [directeur] – blijkens het bijgevoegde uittreksel uit de Kamer van Koophandel bevoegd [benadeelde] te vertegenwoordigen – blijkt afdoende dat [gemachtigde] bevoegd is [benadeelde] onder meer te vertegenwoordigen bij voegingen als benadeelde partij in het strafproces. Het is niet vereist dat een dergelijke verklaring per strafzaak wordt afgegeven. Hoewel datering van de schriftelijke verklaring de voorkeur had gehad, kan het ontbreken daarvan, gelet op het bovenstaande, aan de rechtsgeldigheid van die verklaring niet afdoen.


Nu:

de officier van justitie ter zitting heeft toegelicht dat de gedeeltelijke schadeloosstelling van € 3.885,77 aan [benadeelde] is uitgekeerd, omdat [benadeelde] zich niet heeft kunnen voegen in het strafproces tegen de medeverdachte [medeverdachte];

het, gezien de totale vordering van de benadeelde partij van € 19.931,80, niet aannemelijk is dat de schade als gevolg van de autorisaties met de creditcard van [cardhouder] reeds is voldaan via deze schadeloosstelling;

is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks schade is toegebracht;

de verdachte de vordering van de benadeelde partij wat betreft de parkeertransacties van in totaal € 129,50 – met inachtneming van het voorgaande – niet heeft betwist,

zal de vordering tot dat bedrag worden toegewezen.


De benadeelde partij zal in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, nu niet is komen vast te staan dat de schade waarvan voor het overige vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 2 bewezen verklaarde feit.


Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden afgewezen, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.


De rechtbank wijst de vordering tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht af. Doel van de schadevergoedingsmaatregel is de betaling van de vordering door de verdachte zoveel mogelijk te bevorderen en te voorkomen dat de benadeelde partij nog geruime tijd wordt belast met de inning van de toegewezen vordering. [benadeelde] is evenwel een vennootschap die zeer wel voor haar eigen belangen kan opkomen, zodat reeds om die reden oplegging van de schadevergoedingsmaatregel achterwege kan blijven.


TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


Behalve op de reeds genoemde artikelen, is gelet op de artikelen 57, 326, 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 10 en 11 van de Opiumwet.




BESLISSING


De rechtbank:


verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 5 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;


verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;


verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;


stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;


veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 73 dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- gelast de teruggave aan verdachte van: € 392,05 (zegge: driehonderdtweeënnegentig euro en vijf cent).


wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde], toe tot een bedrag van € 129,50 (zegge: honderdnegentwintig euro en vijftig cent) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;


verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;

bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;


veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt en begroot deze kosten op nihil.


Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. M.M. Koevoets en H.D. Overbeek, rechters,

in tegenwoordigheid van M.M. Cerpentier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 maart 2015.



Bijlage I bij vonnis van 24 maart 2015:


TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING


Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat


1.

hij

op één of meer tijdstippen gelegen

in of omstreeks de periode van 01 januari 2006 tot en met 30 oktober 2007,

te Rotterdam, althans in Nederland,

meermalen, althans éénmaal (telkens)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

(een) voorwerp(en), te weten een hoeveelheid contant geld (te weten onder meer

231.705,- Euro, althans daaromtrent), heeft verworven, voorhanden heeft gehad,

heeft overgedragen en/of omgezet, en/of de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;


2.

hij

op één of meer tijdstip(pen) gelegen

in of omstreeks de periode van 1 juli 2007 tot en met 11 september 2007

te Rotterdam, althans in Nederland en/of te Antwerpen,

meermalen, althans éénmaal (telkens)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

(telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse

hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een

samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde] heeft bewogen tot

de afgifte van één of meer geldbedrag(en), in elk geval van enig goed,

heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) met vorenomschreven

oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk

en/of in strijd met de waarheid zich voorgedaan als de rechtmatige eigenaar

van een creditcard (op naam van [cardhouder], cardnummer [x])

en/of (vervolgens) met genoemde creditcard (telkens) geldbedrag(en) opgenomen

en/of geldtransactie(s) verricht, waardoor het voornoemde bedrijf (telkens)

werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;


3.

hij

op of omstreeks 30 oktober 2007

te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft vervoerd en/of aanwezig heeft gehad ongeveer 4,6 gram

cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


4.

hij

op of omstreeks 30 oktober 2007

te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk

geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) een

hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 439,80 gram hennep, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde

hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


5.

hij

in of omstreeks de periode van 03 april 2007 tot en met 30 oktober 2007

te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk

geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]

[adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 94 planten,

althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde

hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.