Rechtbank Rotterdam, 02-04-2015 / 10/691111-12


ECLI:NL:RBROT:2015:2291

Inhoudsindicatie
Overtreding artikel 6 Wegenverkeerswet. Een dodelijk en een zwaar gewond slachtoffer. Bestuurder van de auto waarmee het ongeval is veroorzaakt was onder invloed van alcohol en reed aanzienlijk veel harder dan ter plaatse toegestaan. Afwijzing verzoek om bevindingen van door de verdediging ingeschakelde deskundigen over te nemen.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-02
Publicatiedatum
2015-04-02
Zaaknummer
10/691111-12
Procedure
Op tegenspraak
Rechtsgebied
Strafrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/691111-12

Datum uitspraak: 2 april 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres],

raadsman mr. H.W.A.A. de Jong, advocaat te Rotterdam.



ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING


Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 13 maart 2015.



TENLASTELEGGING


Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen, waarbij de hoofddagvaarding op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.



EIS OFFICIER VAN JUSTITIE


De officier van justitie mr. J. Boender heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, met vrijspraak van roekeloosheid, alsmede bewezenverklaring van hetgeen bij parallelle dagvaarding ten laste is gelegd;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar met aftrek van voorarrest, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 3 jaar;



GELDIGHEID VAN DE DAGVAARDING


De raadsman heeft aangevoerd dat de dagvaarding leidt aan nietigheid ten aanzien van het onderdeel “hoge snelheid” omdat niet duidelijk is wat daarmee wordt bedoeld.


De rechtbank overweegt daaromtrent dat voor de verdachte zonder meer duidelijk was waartegen hij zich moest verdedigen en ziet dan ook geen aanleiding de dagvaarding op dit punt nietig te verklaren. Ook overigens zijn geen redenen aanwezig om de dagvaarding nietig te verklaren. De dagvaarding is dus geldig.

MOTIVERING VRIJSPRAAK ROEKELOOSHEID


De ten laste gelegde roekeloosheid is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De officier van justitie heeft dit ook gevorderd, terwijl het eveneens is bepleit door de raadsman zodat dit geen nadere motivering behoeft.



BEWEZENVERKLARING


Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde, alsmede het bij parallelle dagvaarding ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:


hij op of omstreeks 15 april 2012 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A16,


welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,


terwijl hij

- met het door hem bestuurde voertuig is gaan rijden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn adem 480 microgram, in elk geval meer dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bedroeg en/of hij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid of tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, en/of


door het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij als bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist,


ondanks voornoemde toestand (als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994) een motorrijtuig is gaan besturen en blijven besturen en/of met een hoge snelheid althans met een hogere snelheid dan op die Rijksweg Al6 was toegestaan en/of gelet op de situatie ter plaatse te hoge snelheid heeft gereden


en/of


met een scherpe (stuur)beweging naar rechts (gezien vanuit verdachte) en/of zonder te remmen en/of snelheid te minderen in de richting van een uitvoegstrook is gereden en/of op de uitvoegstrook is gaan rijden en/of (vervolgens) de macht over het stuur is verloren en/of (daarna) (op die uitvoegstrook) (met hoge/verhoogde snelheid en/of zonder snelheid te minderen) tegen de achterzijde van een vóór hem, verdachte, rijdende personenauto is aangebotst of aangereden,


waardoor een inzittende van die laatstgenoemde personenauto, genaamd [slachtoffer 1], werd gedood en/of (aan) de bestuurder van die personenauto, genaamd [slachtoffer 2], zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht (te weten ribbreuken en/of armletsel en/of een breuk van het borstbeen) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;


zulks terwijl het feit (mede) werd veroorzaakt doordat hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en/of doordat hij, verdachte, een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.



Parallelle dagvaarding


hij op of omstreeks 15 april 2012 te Rotterdam (op de A16) als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 480 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.



BEWIJSMOTIVERING


De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.



NADERE BEWIJSMOTIVERING


Standpunt van de verdediging


Door de raadsman is primair vrijspraak bepleit van het bij de hoofddagvaarding tenlastegelegde, omdat de feitelijke toedracht van het ongeval niet kan worden vastgesteld. Subsidiair heeft de raadsman vrijspraak bepleit van het bij de hoofddagvaarding tenlastegelegde, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te deze geboden zorgvuldigheid heeft gereden waardoor het ongeval is ontstaan en/of gevaar op de weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd. Meer subsidiair verzoekt de raadsman de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat sprake is van overmacht.



Oordeel van de rechtbank


De verweren van de raadsman zullen hierna per onderdeel worden besproken.

Getuigenverklaringen

Door de raadsman is aangevoerd dat de getuigen zo zeer verschillend verklaren - ten opzichte van elkaar maar ook ten opzichte van eerdere door hen zelf afgelegde

verklaringen - dat het niet mogelijk is om uit deze verklaringen een betrouwbaar beeld te destilleren van hetgeen heeft plaatsgevonden.


De rechtbank overweegt het volgende.

Er zijn vele getuigenverklaringen afgelegd. Van een aantal getuigen kan worden gezegd dat zij van meet af aan, onafhankelijk van elkaar en op essentiële punten, consequent en gelijkluidend hebben verklaard. Dit betreft de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4]. Deze getuigen bevonden zich allen in het verkeer dat achter de Fiat Panda reed (de auto waarin de slachtoffers zaten) en hebben goed zicht gehad op het ongeval.

Dit geldt met name voor de getuige [getuige 1] die op dezelfde baan achter de Fiat Panda reed, en zelfs heeft moeten uitwijken om een aanrijding met de bij het ongeval betrokken voertuigen te voorkomen. Aan de betrouwbaarheid van deze getuigenverklaringen draagt bovendien bij dat zij steun vinden in de bevindingen van het technisch onderzoek, zoals hierna verder te bespreken. De rechtbank acht deze verklaringen dan ook bruikbaar voor het bewijs.


De getuigenverklaringen van [getuige 5] en [getuige 6] zijn naar het oordeel van de rechtbank niet bruikbaar voor het bewijs, nu deze getuigen wisselend verklaren over de toedracht van het ongeval en die verklaringen bovendien geen steun vinden in de overige bevindingen van het dossier.


Bruikbaarheid verkeersongevallenanalyse

Door de raadsman is aangevoerd dat het proces-verbaal verkeersongevallenanalyse

d.d. 13 juni 2012 niet bruikbaar is voor het bewijs, nu dit proces-verbaal mede is opgemaakt door een verbalisant die nog in opleiding tot verkeersongevallenanalist was en dit proces-verbaal evidente onjuistheden, tegenstrijdigheden en gebreken bevat. Dit maakt dat dient te worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van het proces-verbaal.


De rechtbank ziet niet in waarom aan de betrouwbaarheid van het proces-verbaal dient te worden getwijfeld vanwege het feit dat één van de verbalisanten nog in opleiding was. Het proces-verbaal is op ambtseed opgemaakt door twee bevoegde verbalisanten. De stelling dat het proces-verbaal evidente onjuistheden, tegenstrijdigheden en gebreken bevat, wordt door de rechtbank niet onderschreven. Er is dan ook geen grond om dit proces-verbaal onbruikbaar voor het bewijs te achten. Daar waar punten uit dit proces-verbaal door de verdediging worden betwist, is dit voornamelijk gebaseerd op de bevindingen van

A. Speldekamp en A. Cocquyt. De rechtbank zal daar hierna, waar nodig, verder op ingaan.


Deskundigen

In het kader van het onderzoek naar het ongeval zijn diverse rapportages uitgebracht.

In aanvulling op het onderzoek door de Technische- en Ongevallendienst van de Verkeerspolitie Rotterdam-Rijnmond is een rapport uitgebracht door ir. A.C.E. Spek van het Nederlands forensisch Instituut (verder: NFI), die onder meer onderzoek heeft gedaan naar eventuele gebreken aan het stuursysteem van de Volvo en de snelheidsregistratie van zowel de Volvo (de auto waarin de verdachte reed) als de Fiat Panda heeft onderzocht. Op verzoek van de verdediging is bij dit onderzoek B. Lanser als controlerend deskundige benoemd.

De verdediging heeft vervolgens zowel A. Speldekamp als A. Cocquyt verzocht een rapport uit te brengen, waarin zij een oordeel hebben gegeven omtrent de wijze waarop het onderzoek door de politie en het NFI is verricht en de daaruit getrokken conclusies.


De verdediging heeft verzocht de bevindingen van deze laatste twee personen over te nemen. De rechtbank stelt voorop dat zij haar twijfels heeft bij hun deskundigheid op dit gebied. Op basis van de door Speldekamp en Cocquyt overgelegde cv’s kan dit niet zonder meer worden aangenomen. Ter zitting zijn aan Speldekamp aanvullende vragen gesteld met betrekking tot zijn deskundigheid. Hieruit kwam naar voren dat hij feitelijk na zijn opleiding in 1980 tot verkeersongevallenanalist bij de politie geen enkele relevante opleiding meer heeft gevolgd en hij zijn kennis sindsdien slechts op peil heeft gehouden door zelfstudie.

Daarnaar gevraagd kon Speldekamp niet aangeven welke boeken of artikelen hij daartoe heeft bestudeerd. Bovendien is hij al vanaf 1990 niet meer werkzaam bij de politie.

Daar komt bij dat Speldekamp zelf ter zitting heeft verklaard dat de kennis van ir. Spek waar het het onderzoek naar de snelheid betreft veel verder strekt dan de zijne, en dat Speldekamp het onderzoek alleen van een afstand heeft getracht te beoordelen om te bezien of daarin fouten waren gemaakt.

Het voorgaande afgezet tegen de deskundigheid van de verbalisanten die de verkeersongevallenanalyse hebben uitgevoerd en dat werk nog steeds doen, alsmede de deskundigheid van ir. Spek die een universitaire opleiding heeft gevolgd, al jaren werkzaam is bij het NFI en veel ervaring heeft met dit soort onderzoek, maakt dat de rechtbank het rapport van Speldekamp met de nodige voorzichtigheid beschouwt. Dit geldt nog meer voor het rapport van Cocquyt, die niet ter zitting aanwezig was, zodat de rechtbank zijn deskundigheid überhaupt niet nader heeft kunnen toetsen.


Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat Speldekamp in zijn aanvullende reactie heeft geconcludeerd dat hij niet heeft geconstateerd dat er fundamentele fouten zijn gemaakt in het technisch onderzoek.


Bij de beoordeling van de overige verweren van de raadsman van de verdachte, zal de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in beginsel uitgaan van de bevindingen van de verkeersongevallenanalisten, de bevindingen van de deskundige ir. Spek, wiens deskundigheid onbetwist is, alsmede van de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4].


Plaats ongeval

De raadsman heeft aangevoerd dat de ongevalstoedracht niet, in elk geval niet met redelijke zekerheid, kan worden vastgesteld. Niet uitgesloten kan worden dat de Fiat Panda van rijstrook is gewisseld, waarna de Volvo achterop de Fiat Panda is gereden.


De rechtbank overweegt met betrekking tot de plaats van het ongeval en de ongevalstoedracht het volgende.

Uit het proces-verbaal verkeersongevallenanalyse d.d. 13 juni 2012 blijkt dat het ongeval heeft plaatsgevonden op de rijksweg A16 ter hoogte van hectometerpaal 21,4 te Rotterdam (net na de Van Brienenoordbrug). Deze weg is ter plaatse van de aanrijding middels een middenberm met geleiderail verdeeld in een westelijke en oostelijke rijbaan, waarbij de westelijke rijbaan is onderverdeeld in een primaire en secundaire rijbaan. De secundaire rijbaan bestaat uit drie rijstroken waarvan de meest rechts gelegen rijstrook de uitvoegstrook voor de afslag Feijenoord betreft. De rijstroken zijn door de technische dienst genummerd als 4, 5 en 6 waarbij de uitvoegstrook rijstrook 6 is. Het ongeval heeft plaatsgevonden ergens op deze secundaire rijbaan.


Voorts houdt voornoemd proces-verbaal in dat uit het technisch onderzoek blijkt dat aan de oostelijke zijde van rijstrook 6 ter hoogte van hectometerpaal 21.4 de eerste bandensporen en krassen op het wegdek zijn aangetroffen. 25 meter verderop lag op rijstrook 5 een in stukken gebroken reflector die later afkomstig bleek van het linker achterlicht van de Fiat Panda. Op basis van deze gegevens concluderen verbalisanten dat de aanrijding tussen de voorzijde van de Volvo en de achterzijde van de Fiat Panda, in deze eerste 25 meter heeft plaatsgevonden. Gelet op de aangetroffen bandensporen op rijstrook 6 zijn zij ook van mening dat de voertuigen nagenoeg in hun geheel op rijstrook 6 hebben gereden op het moment van de aanrijding.


In het nadere proces-verbaal van 8 maart 2015, verklaren bovengenoemde verbalisanten, dat zij naar aanleiding van de schadebeelden van met name de Fiat Panda concluderen dat het linker achterwiel van de Fiat moet hebben geblokkeerd omdat de Volvo zóver over de achterbumper van de Fiat Panda was geschoven, dat het linker achterwiel van de Fiat Panda klem heeft gezeten. Dit samen met het extra gewicht van de Volvo moet ertoe hebben geleid dat dit het wiel van de Fiat Panda heeft geblokkeerd waardoor sporen op het wegdek zijn afgetekend. Dit past bij het gegeven dat op de (voorkant van de) Volvo sporen van zwart rubber zijn gevonden die passen bij de kapotte band van het linker achterwiel van de Fiat.


Uit het proces-verbaal d.d. 12 juli 2013 blijkt voorts dat het hiervoor genoemde ter hoogte van hectometerpaal 21,4 aangetroffen eerste bandenspoor van de Fiat Panda kan zijn. De breedte van dit bandenspoor is namelijk 0.16m, hetgeen overeenkomt met de bandenmaat van de Fiat, te weten 165/65 R14.


Het scenario dat de Fiat Panda geheel op rijstrook 6 reed toen de botsing plaatsvond acht de rechtbank reeds gelet op het voorgaande plausibel. Daar komt echter nog bij dat dit wordt ondersteund door diverse getuigenverklaringen. Zo heeft [getuige 1] verklaard dat hij achter de Fiat Panda reed op rijstrook 6, dat hij de Volvo op de meest linker rijstrook 4 zag rijden, waarna de bestuurder van de Volvo ineens een beweging naar rechts maakte en achterop de Fiat Panda reed op rijstrook 6. Ook [getuige 4] heeft verklaard dat de Volvo uit wilde voegen richting de afrit en plotseling een beweging naar rechts maakte. Hij heeft in ieder geval gezien dat de Volvo over de blokmarkering is gegaan tussen rijstrook 5 en 6. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op rijstrook 6 reed, dat de Volvo op de meest linker rijstrook reed, plotseling een haakse beweging naar rechts maakte naar de rechter rijstrook en direct hierna het ongeval plaatsvond. Ook getuige [getuige 3] heeft gelijkluidend verklaard. Al deze getuigen verklaren bovendien dat de Fiat Panda op de rechter rijstrook 6 reed, en dat deze niet van rijstrook is gewisseld.


Gelet op deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de Fiat Panda op de meest rechter rijstrook reed, daarbij niet van rijstrook is gewisseld en dat de Volvo zich vanaf een linker gelegen rijbaan plotseling naar de rechter rijstrook heeft bewogen en achterop de Fiat Panda is gereden. Het ongeval moet dan hebben plaatsgevonden op het moment dat (in ieder geval) de Fiat Panda geheel op rijstrook 6 heeft gereden.


Snelheid

Zowel bij de verkeersongevallenanalyse als door het NFI is onderzoek gedaan naar de botssnelheid van de voertuigen.


Bij de verkeersongevallenanalyse zijn zowel de datadragers van de Volvo, als die van de Fiat Panda uitgelezen. De conclusie uit het onderzoek naar de Fiat Panda luidt dat, op het moment dat de kentekenplaatverlichting van het voertuig defect raakte, de snelheid van het voertuig 134 km/u bedroeg. Uit een berekening met behulp van de wet op behoud van impuls komen de verbalisanten tot de conclusie dat de Fiat ongeveer met een snelheid van 79 km/u moet hebben gereden op het moment van de aanrijding. Uit het onderzoek naar de Volvo bleek dat er bij een kilometerstand van 162825 een storing is opgeslagen in de airbagmodule waarbij een snelheid van 149 km/ u werd geregistreerd.


Het NFI heeft voorts nader onderzoek gedaan naar de botssnelheid. Hieruit komt het volgende naar voren.

De snelheid van de Volvo is geregistreerd door meerdere systemen waarbij het gaat om afzonderlijke registraties. Het gaat om de snelheidsregistraties in de Brake Control Module (BCM) en de Engine Control Module (ECM) die snelheden registreerden van respectievelijk 153,6 km/u en 149 km/u. De juistheid van de snelheidsregistratie door de ECM is bij proefnemingen gebleken, met de kanttekening dat onder bepaalde omstandigheden waarden uit eerdere registraties opnieuw geregistreerd konden worden. Omdat de bewuste storingsregistratie samenhangt met de ontplooiing van de airbags is dat alleen voorstelbaar als de auto eerder betrokken is geweest bij een ongeval waarbij de airbags zijn ontplooid, en dan alleen als de storingsregistratie daarna niet goed gewist werd.


De veronderstelde botssnelheid van de Volvo van ongeveer 150 km/u wordt verder ondersteund door registraties in de Fiat en in het Suplemental Restraint System (SRS, kortweg airbagsysteem) van de Volvo. De combinatie van deze twee registraties impliceren ook een snelheid van ongeveer 150 km/u. Voorts is nagegaan of de schades en de bij de botsing afgelegde afstanden plausibel zijn in het licht van een botssnelheid van de Volvo van ongeveer 150 km/u. Dat blijkt het geval. Tenslotte is door simulatie onderzocht of de Volvo ter plaatse een snelheid van 150 km/u kon bereiken, en ook dat is het geval.


Al met al zijn er volgens het NFI drie indicaties, op grond van verschillende technische bronnen, die elk voor de Volvo een botssnelheid van ongeveer 150 km/u aanwijzen terwijl de ontstane deformatie, de uitloopbewegingen en de locatie een dergelijke snelheid niet uitsluiten. Voor elk van de bronnen is in principe een onjuiste registratie mogelijk. Het is echter moeilijk voorstelbaar dat al deze afzonderlijke indicaties in eenzelfde richting afwijken.


De raadsman heeft aangevoerd dat de botssnelheid op basis van het dossier niet met redelijke zekerheid valt vast te stellen. De geregistreerde snelheidswaarden waar de politie en het NFI toe komen kunnen niet gerelateerd worden aan het botsmoment nu er geen datum en kilometerstand bij de storingen is vermeld. Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat de registratie van 149 km/u wel kan worden gelinkt aan het ongeval, doet de raadsman het (voorwaardelijke) verzoek om alle data bij Volvo Zweden te (doen) opvragen. Daaruit zou kunnen blijken of de storing ECM-5B00 voorafgaand aan het ongeval reeds was geregistreerd. Ten aanzien van de kentekenplaatverlichting van de Fiat Panda kan bovendien niet worden uitgesloten dat deze eerder al niet meer functioneerde.


Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat de kentekenplaatverlichting van de Fiat Panda al kapot was voordat het ongeval plaatshad. Echter, zelfs al wordt de snelheid van de Fiat Panda buiten beschouwing gelaten dan nog zijn er, gelet op de verkeersongevallenanalyse en het rapport van het NFI, voldoende bevindingen om aan te nemen dat de Volvo met een snelheid van ongeveer 149/150 km/u heeft gereden. Deze bevindingen worden bovendien ondersteund doordat diverse getuigen hebben verklaard dat de Volvo met hoge snelheid over de linker rijbaan aan kwam rijden, alvorens hij de plotselinge beweging naar rechts maakte. Het verweer van de verdediging legt onvoldoende gewicht in de schaal om deze bevindingen tegen te gaan.


Zoals ook door het NFI is aangegeven is het wellicht mogelijk dat er een onjuiste registratie heeft plaatsgevonden, het is echter niet aannemelijk dat alle afzonderlijke indicaties onjuist zijn, terwijl zij allemaal in dezelfde richting wijzen. Daar komt nog bij dat de verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij de eerste eigenaar is van de Volvo en dat de airbags van de Volvo nooit eerder tot ontplooiing zijn gekomen. Een onjuiste registratie van de ECM is dan ook niet aan de orde omdat de storing, zoals door het NFI aangegeven, alleen eerder kan zijn opgetreden bij een eerdere ontplooiing van de airbags. Gelet hierop ziet de rechtbank geen enkele noodzaak om alle data bij Volvo Zweden op te vragen en wordt dat verzoek van de raadsman afgewezen.


De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van de bevindingen uit de verkeersongevallenanalyse en het NFI rapport en stelt daarmee vast dat de verdachte de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 100 km/u in ernstige mate heeft overschreden.


Stuurbeweging

Door de raadsman is aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat het technisch mankement aan het stuurhuis van de Volvo onder kritische omstandigheden van invloed is geweest op de toedracht van het ongeval. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat een dergelijke invloed onvoldoende aannemelijk is, doet de raadsman het (voorwaardelijke) verzoek om het stuurhuis aan een nieuw onderzoek te onderwerpen, waarbij het wordt ingebouwd in de testauto.

De rechtbank overweegt dat uit het NFI onderzoek is gebleken dat de auto inderdaad een euvel had dat als “zwaar punt” kan worden aangeduid. Bij dit euvel worden bij het uitoefenen van een bepaalde stuurkracht (binnen een zekere marge) korte stoten aan het stuur gevoeld.


Voorop gesteld wordt dat noch de verdachte, noch zijn medepassagier [getuige 7] in hun verklaringen ooit eerder hebben verklaard dat dit euvel de oorzaak zou zijn geweest van het ongeval, noch dat het er enige invloed op zou hebben gehad.

Uit de conclusies van het NFI blijkt dat er bij het rijden en het optreden van het euvel geen gevoel was van dreigend controleverlies. De invloed was steeds kortstondig en beperkt en er was geen bewuste correctie nodig. Daar komt nog bij dat de verdachte op de hoogte was van het mankement, hij had immers zelf de auto enkele weken voor het ongeval naar de garage gebracht. Hij kan daar dus niet door zijn overvallen. De rechtbank acht dan ook niet aannemelijk dat dit technische mankement van invloed is geweest op de toedracht van het ongeval.


De rechtbank ziet voorts geen enkele noodzaak om nader onderzoek te doen naar het stuurhuis zoals door de raadsman is verzocht, nu de deskundige rekenschap heeft gegeven over het gebruik bij het onderzoek van een ander type Volvo met daarin eenzelfde stuurhuis - alleen kleiner - als dat welke in de Volvo van de verdachte zat en dat eenzelfde mankement aan het stuurhuis vertoonde als op grond van onderzoek wordt verondersteld bij de Volvo van de verdachte. Het gebruik van deze andere Volvo doet, naar het oordeel van de rechtbank, aan de conclusies van het onderzoek niets af.


Alcohol

Door de raadsman is aangevoerd dat het bij de verdachte vastgestelde alcoholgehalte niet zonder meer leidt tot de tenlastegelegde toestand, en mocht dat wel zo zijn brengt zo’n toestand op zich nog niet mee dat sprake is van gevaarzetting. Mocht daarvan wel sprake zijn dan nog staat die gevaarzetting niet in oorzakelijk verband met het ontstaan van het ongeval.


De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

De verdachte heeft ongeveer twee uur na het ongeval een blaastest gedaan op het politiebureau waaruit bleek dat het alcoholgehalte van zijn adem 480 microgram was, dit is ruim twee keer de toegestane hoeveelheid. Ervan uitgaande dat alcohol na verloop van tijd wordt afgebroken in het lichaam kan er van worden uitgegaan dat het alcoholgehalte ten tijde van het ongeval nog wat hoger lag. Het is een algemene ervaringsregel dat het gebruik van alcohol de rijvaardigheid kan verminderen, doordat het reactievermogen minder wordt. Hieruit volgt dat in ieder geval het gevaar bestond dat de verdachte het voertuig niet onder controle had of dat hij niet in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist. Voor de bewezenverklaring daarvan hoeft niet te worden vastgesteld dat zijn rijgedrag door het gebruik van alcohol daadwerkelijk nadelig is beïnvloed.


Overmacht

Door de raadsman is nog aangevoerd dat sprake is van overmacht omdat de verdachte door een onvoorziene manoeuvre van een andere auto genoodzaakt was om een stuurbeweging naar rechts te maken. Dit verweer wordt door de rechtbank verworpen, nu de verklaring van de verdachte dat hij moest uitwijken voor een andere auto, onvoldoende steun vindt in het dossier. Alleen [getuige 7], verdachtes bijrijder en vriend, heeft hierover verklaard. Daar tegenover staan echter verschillende verklaringen van getuigen die deze verklaring in het geheel niet ondersteunen.


Conclusie

Gelet op al hetgeen hierboven is overwogen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich zodanig als verkeersdeelnemer heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij de verdachte een scherpe (stuur)beweging naar rechts heeft gemaakt en zonder te remmen en snelheid te verminderen achterop de voor hem rijdende Fiat Panda is gereden, terwijl hij niet alleen ruim twee keer zoveel had gedronken als maximaal was toegestaan, maar ook met een aanzienlijk hogere snelheid heeft gereden dan maximaal ter plaatse was toegestaan.

Als gevolg van het verkeersongeval is [slachtoffer 1] om het leven gekomen en is

[slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toegebracht.



STRAFBAARHEID FEITEN


De bewezen feiten leveren op:


Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a van deze wet en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden


Parallelle dagvaarding


Overtreding van art. 8, tweede lid, onder a van de Wegenverkeerswet 1994



Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.


De feiten zijn dus strafbaar.



STRAFBAARHEID VERDACHTE


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.


De verdachte is dus strafbaar.



STRAFMOTIVERING


De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.


De verdachte is op 15 april 2012 in zijn auto gestapt nadat hij de marathon in Rotterdam had bezocht en nadat hij daar dusdanig veel alcoholische drank had genuttigd dat het alcoholgehalte in zijn adem meer dan tweemaal de toegestane hoeveelheid bedroeg.

De verdachte heeft vervolgens met een snelheid van rond de 149/150 km/u over de A16 gereden, daar waar een maximum toegestane snelheid van 100 km/u geldt. Hij heeft diverse auto’s ingehaald en terwijl hij op de linker rijbaan reed heeft hij plotseling een (stuur)beweging naar rechts gemaakt, richting de uitvoegstrook. Hij is vervolgens achterop een daar rijdende auto gebotst. Bij het ongeval is de bijrijder van de andere auto om het leven gekomen, en de bestuurster, haar dochter, is zwaar gewond overgebracht naar het ziekenhuis.


De verdachte heeft de plaats van het ongeval samen met zijn bijrijder direct verlaten, en is ruim drie kwartier later onder de Van Brienenoordbrug aangehouden. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niet had gemerkt dat er andere auto’s bij het ongeval betrokken waren geweest en dat het nooit zijn bedoeling is geweest te vluchten.

De rechtbank acht deze verklaring echter zeer ongeloofwaardig, mede gelet op de ravage die is ontstaan door het ongeval. Door een getuige is bovendien verklaard dat hij de verdachte heeft aangesproken op hetgeen hij had aangericht, en bovendien blijkt uit de foto’s die ter plaatse zijn gemaakt dat de verdachte voorbij de auto met de slachtoffers heeft moeten lopen om de deur in de geluidswal te bereiken waar hij naar eigen zeggen doorheen is gegaan om weg te komen. De rechtbank rekent het de verdachte zeer zwaar aan dat hij de plaats ongeval heeft verlaten zonder zich op enige wijze te bekommeren om de slachtoffers, of zelfs maar 112 te bellen. Hiermee heeft de verdachte blijk gegeven van een totaal gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel, niet alleen ten opzichte van zichzelf en zijn medepassagier, maar voornamelijk ook ten opzichte van de andere weggebruikers.


De gevolgen van het ongeval zijn voor de nabestaanden van het slachtoffer verschrikkelijk, zij moeten verder leven met het verdriet om het verlies van een geliefd familielid. Dat dit een enorme impact heeft gehad op de familie blijkt wel uit de diverse slachtofferverklaringen. Daar komt nog bij dat de bestuurster van de auto nog steeds de nadelige gevolgen van het ongeval ondervindt. Zij is nog altijd niet in staat om aan het werk te gaan en kan nog steeds niet volledig gebruik maken van haar arm. Ook ondervindt zij nog steeds psychische klachten van het ongeval, zo durft zij zelf niet meer auto te rijden, hetgeen haar beperkt in het sociale verkeer.


De rechtbank ziet zich in dergelijke zaken voor de lastige taak gesteld het recht juist toe te passen en een daarbij behorende sanctie op te leggen, enerzijds zonder afbreuk te doen aan de gevoelens van de slachtoffers of nabestaanden en anderzijds met onderkenning van het feit dat het nimmer de intentie van de verdachte is geweest om iemands leven te ontnemen.


Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 5 februari 2015 reeds eerder is veroordeeld voor rijden onder invloed.


Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport dat over de verdachte is opgemaakt d.d. 29 juni 2012. De rechtbank onderkent dat ook het leven van de verdachte aanzienlijk is veranderd door het ongeluk en dat hij daarvan ook de nodige nadelen heeft ondervonden. Dit staat echter niet in verhouding tot het leed van het slachtoffer en de nabestaanden.


Door de raadsman is aangevoerd dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en dat daarvan geenszins kan worden gesteld dat de vertraging geheel of voornamelijk is ontstaan door verzoeken van de verdediging. Voorts heeft de raadsman bepleit geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen nu dit onontkoombaar zal leiden tot het faillissement van het bedrijf van de verdachte.


De rechtbank constateert dat inderdaad sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Dit is enerzijds te wijten is aan de vele onderzoekswensen van de verdediging en de daarmee gepaard gaande tijd en anderzijds aan de wijze waarop door de rechtbank de zaak is ingepland. De rechtbank heeft daar bij het bepalen van de strafmaat enige rekening mee gehouden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, ondanks de gestelde persoonlijke omstandigheden, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur gepast en geboden is. Onverantwoord rijgedrag en alcoholgebruik in het verkeer kunnen zeer grote en ingrijpende gevolgen hebben, en moeten daarom zwaar bestraft worden, waarbij het feit dat er een mensenleven te betreuren is als strafverzwarende omstandigheid meespeelt. Daarnaast zal de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen van geruime duur.


Met betrekking tot de voorlopige hechtenis overweegt de rechtbank nog dat het geschorste bevel voorlopige hechtenis zal worden opgeheven, nu wegens het tijdsverloop daarvoor geen gronden meer bestaan.





TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


Behalve op de reeds genoemde artikelen is gelet op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994.



BESLISSING


De rechtbank:


verklaart bewezen, dat de verdachte het primair in de hoofddagvaarding ten laste gelegde feit, alsmede het bij parallelle dagvaarding ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;


verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;


stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 3 (drie) jaren;


bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.



Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.L. van der Bijl-de Jong, voorzitter,

en mrs. C. Laukens en S. Bek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 april 2015.



Bijlage I bij vonnis van 2 april 2015:



TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING


Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat


Hoofddagvaarding


hij op of omstreeks 15 april 2012 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A16,


welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,


terwijl hij

- met het door hem bestuurde voertuig is gaan rijden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn adem 480 microgram, in elk geval meer dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bedroeg

en/of hij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid of tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994,

en/of


door het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij als bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist,


ondanks voornoemde toestand (als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994) een motorrijtuig is gaan besturen en blijven besturen en/of

met een hoge snelheid althans met een hogere snelheid dan op die Rijksweg Al6 was toegestaan en/of gelet op de situatie ter plaatse te hoge snelheid heeft gereden


en/of


met een scherpe (stuur)beweging naar rechts (gezien vanuit verdachte) en/of zonder te remmen en/of snelheid te minderen in de richting van een uitvoegstrook is gereden en/of op de uitvoegstrook is gaan rijden en/of (vervolgens) de macht over het stuur is verloren en/of (daarna) (op die uitvoegstrook) (met hoge/verhoogde snelheid en/of zonder snelheid te minderen) tegen de achterzijde van een vóór hem, verdachte, rijdende personenauto is aangebotst of aangereden,


waardoor een inzittende van die laatstgenoemde personenauto, genaamd [slachtoffer 1], werd gedood en/of (aan) de bestuurder van die personenauto, genaamd [slachtoffer 2], zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht (te weten ribbreuken en/of armletsel en/of een breuk van het borstbeen) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;


zulks terwijl het feit (mede) werd veroorzaakt doordat hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en/of doordat hij, verdachte, een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;


(artikel 6 jo. 175 lid 2 en 3 WvW1994)

art 6 Wegenverkeerswet 1994


Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 15 april 2012 te Rotterdam als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Rijksweg A16, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd,


welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij


terwijl hij

- met het door hem bestuurde voertuig is gaan rijden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn adem 480 microgram, in elk geval meer dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bedroeg en/of verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid of tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, en/of

- door het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij als bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist,


ondanks voornoemde toestand (als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994) een motorrijtuig is gaan besturen en blijven besturen en/of

met een hoge snelheid althans met een hogere snelheid dan op die Rijksweg A16 was toegestaan en/of gelet op de situatie ter plaatse te hoge snelheid heeft gereden


en/of


met een scherpe (stuur)beweging naar rechts (gezien vanuit verdachte) en/of zonder te remmen en/of snelheid te minderen in de richting van een uitvoegstrook is gereden en/of op de uitvoegstrook is gaan rijden en/of '(vervolgens) de macht over het stuur is verloren en/of (daarna) (op die uitvoegstrook) (met hoge/verhoogde snelheid en/of zonder snelheid te minderen)tegen de achterzijde van een vóór hem, verdachte, rijdende personenauto is aangebotst of aangereden;


(artikel 5 Wegenverkeerswet)




Parallelle dagvaarding



hij op of omstreeks 15 april 2012 te Rotterdam (op de A16) als bestuurder van

een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik

van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een

onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de

Wegenverkeerswet 1994, 480 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram,

alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;


(artikel 8 WVW)

art 8 lid 5 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994