Rechtbank Rotterdam, 03-04-2015 / ROT 14-2183


ECLI:NL:RBROT:2015:2364

Inhoudsindicatie
Kentekenbewijs motorfiets ongeldig verklaard
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-03
Publicatiedatum
2015-04-21
Zaaknummer
ROT 14-2183
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Rotterdam

Zittingsplaats Dordrecht


Team Bestuursrecht 3


zaaknummer: ROT 14/2183


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2015 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. M.H.C. Peters


en


de directie van de Dienst Wegverkeer (RDW), verweerster,

gemachtigde: [gemachtigde].



Procesverloop


Bij besluit van 28 oktober 2013 (het primaire besluit) heeft verweerster het kentekenbewijs voor het kenteken [kenteken] met ingang van 28 oktober 2013 ongeldig verklaard.


Bij besluit van 12 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Eiser heeft een nader stuk ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2014. Eiser is verschenen en is bijgestaan door[naam 1] en[naam 2]. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.


De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verweerster in de gelegenheid gesteld om inzicht te geven in de door de deskundige voertuigidentificatie gevolgde procedure bij de totstandkoming van het rapport van 24 september 2013.


Bij brief van 29 september 2014 heeft verweerster, onder het verzoek van geheimhouding in de zin van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de navolgende stukken in een gesloten enveloppe overgelegd:

  • - Het door de deskundige gevolgd protocol, [protocol];
  • - De door deskundige gemaakte aantekeningen met betrekking tot het voertuig voorzien van het kenteken [kenteken];
  • - De kleurenfoto’s die ten tijde van de keuring op het keuringsstation van het voertuig zijn gemaakt.

De rechter-commissaris heeft kennis genomen van voornoemde stukken en heeft op 21 november 2014 beslist dat de beperking van de kennisneming van de door verweerster overgelegde stukken ter bescherming van de methoden en technieken van het door de deskundige voertuigidentificatie verrichte onderzoek gerechtvaardigd is.


Bij brief van 25 november 2014 heeft eiser aan de rechtbank de toestemming verleend om de stukken die met een beroep op artikel 8:29 van de Awb zijn overgelegd te gebruiken bij de beoordeling van het beroep.


Partijen hebben de rechtbank vervolgens toestemming verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen.


Overwegingen


1. In artikel 36, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) is bepaald dat motorrijtuigen en aanhangwagens dienen overeen te komen met de gegevens in het voor het betrokken voertuig afgegeven kentekenbewijs en met de gegevens die omtrent het voertuig zijn opgenomen in het kentekenregister, tenzij krachtens artikel 71 een bepaalde afwijking van die gegevens is toegestaan.


In artikel 48, tweede lid, van de WVW, voor zover hier van belang, is bepaald dat inschrijving in het kentekenregister slechts plaats vindt indien het motorrijtuig waarvoor de inschrijving wordt verlangd, overeenkomstig artikel 22 of 26 is goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg en, indien na die toelating wijziging is aangebracht in de bouw of inrichting van dat voertuig, die wijziging, behoudens in het geval dat geen goedkeuring is vereist, overeenkomstig artikel 99, eerste lid, of 100, eerste lid, is goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg.


Op grond van artikel 5, vierde lid, van de Bijlage I, behorend bij artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen (Rv) wordt geen voertuigidentificatienummer (VIN) vastgesteld indien één of meer hoofdonderdelen niet zijn te identificeren of indien blijkt dat één of meer hoofdonderdelen van diefstal afkomstig zijn.


Op grond van artikel 40b, vierde lid, aanhef en onder a, van het Kentekenreglement kan de Dienst Wegverkeer een tenaamstelling vervallen verklaren indien naar het oordeel van deze dienst blijkt dat degene op wiens naam het voertuig is ingeschreven opgehouden is eigenaar, bezitter of houder van het voertuig te zijn.


2. Het kentekenbewijs voor kenteken [kenteken] is afgegeven voor een motorfiets Zelfbouw Softail, voorzien van het VIN [nummer]. Het zelfbouwframe is op 6 september 2006 aan de RWD aangeboden waarvoor het identificatienummer [nummer] is vastgesteld en in het voertuig is ingeslagen. Het afgebouwde voertuig is op 18 september 2006 aangeboden voor een keuring aan de individuele toelatingseisen op het Testcentrum in Lelystad (TCL). Bij de keuring zijn de gegevens van de aandrijflijn (= het motorblok en de versnellingsbak) van het voertuig als volgt vastgelegd:


  • - Motorbloknummer:[nummer].
  • - Versnellingsbaknummer:[nummer].

De deskundige voertuigidentificatie,[deskundige], verbonden aan het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit, heeft op 24 september 2013 een onderzoek verricht op het voertuig voorzien van het kenteken[kenteken]. Daarbij zijn de navolgende gegevens van de aandrijflijn vastgesteld:


  • - Motorblok van het merk Harley Davidson met nummer:[nummer].
  • - Versnellingsbaknummer: eerst [nummer], na correctie [nummer].

3. Verweerster heeft in het primaire besluit het kentekenbewijs ongeldig verklaard, omdat voor het voertuig voorzien van het kenteken[kenteken] niet het VIN kan worden vastgesteld dat voor dit kenteken is opgenomen in het kentekenbewijs en in het kentekenregister. Het is op grond van artikel 5, vierde lid, van Bijlage behorend bij artikel 2.1, derde lid, van Rv niet toegestaan om een VIN vast te stellen voor het voertuig waarvan een niet identificeerbare aandrijflijn onderdeel uitmaakt.


4.1.

Eiser bestrijdt de stelling van verweerster dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een technische beoordeling van een voertuig dan wel een onderdeel daarvan. Eiser stelt dat beroep in onderhavig geval mogelijk is, omdat het geen technisch maar een identificerend onderzoek door de RDW betreft. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van

11 september 2013, r.o. 2 (ECLI:NL:RVS:2013:1081).


4.2.

Verweerster stelt zich op het standpunt dat de door eiser aangehaalde uitspraak uitsluitend ziet op de situatie dat het VIN voor een voertuig al door een andere registrerende autoriteit is vastgesteld aan de hand van aldaar verricht onderzoek.


5.1.

Het bestreden besluit is volgens eiser in strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat de bevindingen van de door eiser in het bezwaarschrift genoemde deskundige zondermeer terzijde worden geschoven. Voorts verzoekt eiser schadevergoeding omdat hij het voertuig niet meer kan gebruiken en hij het voertuig destijds te goeder trouw en na in mei 2010 informatie ingewonnen te hebben bij verweerster, heeft aangeschaft. Eiser stelt dat verweerster geen openheid van zaken heeft gegeven op de vragen van eiser en op een verzoek om herkeuring niet is ingegaan. Hij eist dat het kenteken van zijn voertuig per direct wordt teruggegeven.


5.2.

Eiser plaatst vraagtekens bij de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd en verwijst in dit kader naar de in beroep overgelegde verklaringen van[naam 3], [naam 1] en [naam 2].

[naam 3] merkt in zijn advies van 13 maart 2014 op dat de door de deskundige gebruikte etsmethode dient te voldoen aan specifieke eisen neergelegd in een schriftelijk protocol. De in het advies van de deskundige voertuigidentificatie genoemde bewerkingssporen in het motornummer kunnen mogelijk in de fase van fabricage zijn ontstaan. Inzake de in het advies van de deskundige voertuigidentificatie genoemde fragmenten op de versnellingsbak, deze kunnen volgens [naam 3] het gevolg zijn van het gietproces, maar ook van nabewerkingen van de motoronderdelen tijdens fabricage. Hij adviseert tot uitvoering van een contra-expertise onder overlegging door verweerster van alle gegevens.

[naam 1] en[naam 2] geven in hun bericht van bevindingen van 14 april 2014 aan dat de sedert 1995 bestaande praktijk om een zelfbouwmotorfiets te ontwerpen, te maken en na keuring door verweerster te laten voorzien van een geldig kenteken, vanaf september 2013 is gewijzigd, nu sindsdien kentekens om onduidelijke redenen worden ingetrokken. Hierdoor worden zowel particulieren als bedrijven die zich hebben toegelegd op het zelfbouwsegment gedupeerd. Vóór september 2013 keurde verweerster keer op keer motorfietsen goed, die steeds uit hetzelfde motorblok en dezelfde versnellingsbak bestonden en voorzag deze vervolgens van een kentekenbewijs. Op het kentekenbewijs komt een motor- of versnellingsbaknummer niet voor. De door verweerster toegepaste keuring verloopt niet transparant omdat de eigenaar niet wordt toegelaten tot de keuring. Bij de onderzoeksmethode van de motorbloknummers en versnellingsbaknummers worden veel vraagtekens gezet. Bij het onderzoek op 24 september 2013 zou een etsbehandeling niet noodzakelijk zijn geweest, indien toen de nummers uit de registratie van verweerster bekend waren. Kennelijk was verweerster op dat moment niet van het bestaan van de nummers op de hoogte, nu deze in 2006 niet waren geregistreerd. Indien de registratie destijds wel had plaatsgevonden, dan had verweerster de oorspronkelijke eigenaren van het motorblok en de versnellingsbak van het voertuig met kenteken [kenteken] kunnen opsporen.


6. De rechtbank overweegt als volgt.


6.1.

Verweerster heeft geconstateerd dat de aandrijflijn voor eisers voertuig met kenteken[kenteken] was aangetroffen in een voertuig voorzien van een ander kenteken. Na ontvangen berichten van de politie dat veel voertuigen van het merk Harley Davidson waren gestolen en weinige werden teruggevonden, bestond bij verweerster het vermoeden dat met name zelfbouwmotorfietsen niet meer voorzien waren van de voor de afgifte van het kentekenbewijs gekeurde unieke aandrijflijnen. Omdat de aandrijflijn van eisers voertuig bij verweerster onbekend was, heeft verweerster eiser op grond van artikel 45a, tweede lid, van de WVW gelast zijn voertuig ter inspectie aan te bieden, teneinde vast te stellen of het voor eisers voertuig afgegeven VIN in overeenstemming was met de aandrijflijn die ten tijde van de eerste afgifte van het kentekenbewijs in 2006 onder het frame van het voertuig was gemonteerd.


6.2.

Aan de in het dossier aanwezige gegevens ontleent de rechtbank dat voor het op 18 september 2006 ter keuring aangeboden voertuig met het VIN [nummer] op het formulier aanvraag kentekenbewijs het motornummer[nummer] is vermeld en in de opnamestaat ten behoeve van zelfbouwmotorfietsen het versnellingsbaknummer [nummer] is ingevuld. De rechtbank volgt eiser niet in diens vermoeden dat deze gegevens pas bij de herkeuring op 24 september 2013 door verweerster zijn toegevoegd. Voor het voertuig met de hiervoor vermelde nummers van de aandrijflijn is op 3 oktober 2006 het kenteken[kenteken] afgegeven. De gegevens zijn bij verweerster gearchiveerd en onderdeel van het kentekenregister en in deze beroepsprocedure door verweerster overgelegd. Bij de verdere beoordeling van het beroep zal de rechtbank van de juistheid van de hiervoor vermelde gegevens uitgaan.


6.3.

Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerster op grond van de aanwijzingen zoals genoemd in rechtsoverweging 6.1. gebruik maken van haar bevoegdheid om eiser te gelasten het voertuig ter inspectie aan te bieden. Het technisch onderzoek heeft plaatsgevonden op 24 september 2013 en is verricht door een bij het Landelijk Centrum Voertuigcriminaliteit (LIV) werkzame deskundige op het gebied van voertuigidentificatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen gegevens overgelegd waaruit kan worden geconcludeerd dat verweerster niet mocht afgaan op het rapport van de betrokken deskundige. Deze beroepsgrond van eiser slaagt niet. De rechtbank zal uitgaan van de gegevens opgenomen in het op 24 september 2013 uitgebrachte deskundigenrapport, verbeterd op 10 december 2013. De door eiser in beroep ingebrachte verklaringen van[naam 3],[naam 1] en[naam 2] zal de rechtbank bij haar beoordeling betrekken, hoewel deze verklaringen niet de waarde hebben van een deskundigenrapport op het terrein van voertuigidentificatie. Niet gebleken is dat de expertise van betrokkenen op dit terrein ligt. Evenmin hebben betrokkenen het voertuig van eiser aan een onderzoek kunnen onderwerpen.


6.4.

Bij de op 29 september 2014 door verweerster overgelegde gegevens is gevoegd[protocol] dat verweersters deskundigen gebruiken bij het forensisch voertuigidentificatie onderzoek. Voor zover [naam 1] heeft gesteld dat dit onderzoek zou moeten geschieden op basis van een onderzoeksprotocol, is hieraan door verweerster voldaan. In het rapport heeft de deskundige zijn bevindingen vermeld zoals weergegeven onder rechtsoverweging 2. Hieruit blijkt dat voor het voertuig met het VIN [nummer] in dit VIN geen veranderingen werden geconstateerd. In het gemonteerde motorblok van het merk Harley Davidson met het nummer [nummer] werden bewerkingssporen aangetroffen. Het eerder aangebrachte nummer kon niet worden vastgesteld. Het aangetroffen versnellingsbaknummer [nummer] is niet door de fabrikant aangebracht. Tijdens een etsbehandeling werden fragmenten van een eerder aangebracht nummer zichtbaar, dat echter niet kon worden vastgesteld. De bevindingen van de deskundige zijn met fotomateriaal gestaafd. De door[naam 3] geopperde mogelijkheid dat de bewerkingssporen ook op andere wijze kunnen zijn ontstaan dan door manipulatie aan het voertuig, acht de rechtbank speculatief nu daarvoor een deugdelijke onderbouwing ontbreekt, die afbreuk zou kunnen doen aan de bevindingen van de deskundige van verweerster. In rechtsoverweging 6.2. heeft de rechtbank vastgesteld dat bij de keuring in september 2006 reeds het motornummer en het versnellingsbaknummer behorend bij het VIN waren geregistreerd. Het door[naam 1] en[naam 2] gestelde dat deze nummers pas in september 2013 door verweerster zijn toegekend, mist feitelijke grondslag. De suggestie van [naam 1] en [naam 2] dat een etsbehandeling bij het onderzoek op 24 september 2013 niet nodig zou zijn geweest, heeft betrekking op de inhoud van het technisch onderzoek waarover de rechtbank niet oordeelt.


6.5.

Eiser heeft aangegeven dat hij in 2010 het voertuig te goeder trouw heeft gekocht, nadat hij zich bij verweerster had georiënteerd. Door het besluit van verweerster kan hij geen gebruik meer maken van het voertuig en lijdt hij schade. In het dossier ontbreken feitelijke gegevens over de vragen die aan verweerster destijds zijn gesteld en de daarop door verweerster gegeven antwoorden, zodat niet kan worden vastgesteld of verweerster heeft gehandeld in strijd met bij eiser gewekte verwachtingen. De beroepsgrond slaagt niet.

Dat eiser schade lijdt als gevolg van verweersters besluit is niet onaannemelijk, omdat hij een voertuig heeft gekocht in de constructie waarvan een wijziging is aangebracht zonder dat deze wijziging ter goedkeuring is aangeboden aan verweerster. Deze verplichting is opgenomen in artikel 6.3, eerste lid, onder n, van de Rv. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij eiser of de vorige eigenaar van het voertuig. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerster verantwoordelijk kan worden gehouden voor de door eiser gestelde schade. Verweerster heeft in het verweerschrift onder nummer 4.27 aangegeven dat artikel 8, vierde lid, van de Bijlage I (ten tijde van het bestreden besluit: artikel 5, vierde lid, van de Bijlage I) geen ruimte biedt voor een belangenafweging door verweerster. De rechtbank verenigt zich met dit oordeel.


6.6.

Eiser verwijt verweerster onvoldoende transparantie in zijn beoordeling en besluitvorming doordat aanwezigheid van de eigenaar tijdens het keuringsproces niet is toegestaan, er onvoldoende informatie wordt verschaft over de uitkomst van de keuring en er geen contra-expertise kan worden gevraagd. Deze grieven betreffen het feitelijk handelen van verweerster waarover de rechtbank niet kan oordelen. In het bestreden besluit is het kentekenbewijs [kenteken] ongeldig verklaard. Eiser heeft de beschikking over het voertuig, zodat de rechtbank niet kan inzien dat het voor eiser niet mogelijk zou zijn geweest een contra-expertise te laten uitvoeren aan het voertuig en deze in bezwaar en beroep in te brengen.


6.7.

Het beroep is ongegrond.


7. De rechtbank ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van ‘t Laar, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Avdić, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2015.






griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.