Rechtbank Rotterdam, 09-04-2015 / 10/995506-13


ECLI:NL:RBROT:2015:2462

Inhoudsindicatie
Transport chloor per spoor. Vervoersdocumenten bij transport van gevaarlijke stoffen per spoor.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-09
Publicatiedatum
2015-04-09
Zaaknummer
10/995506-13
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/995506-13

Datum uitspraak: 9 april 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van economische strafzaken, in de zaak tegen de verdachte rechtspersoon:

[verdachte rechtspersoon],

Gevestigd aan het [adres],

blijkens overgelegde schriftelijke machtiging van haar bestuurders [bestuurder 1] en[bestuurder 2]

ter terechtzitting vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger verdachte rechtspersoon] hoofd juridische zaken van de verdachte rechtspersoon,

raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

13 december 2013 en van 26 maart 2015.



TENLASTELEGGING


Aan de verdachte rechtspersoon is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.



EIS OFFICIEREN VAN JUSTITIE


De officieren van justitie mr. R.S. Mackor en mr. E.C. Nieuwenhuis hebben gerekwireerd:

  • - vrijspraak van het onderdeel “tezamen en in vereniging met (een) ander(en)” in alle tenlastegelegde feiten;
  • - bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde;
  • - veroordeling van de verdachte rechtspersoon tot een geldboete ter hoogte van € 250.000,-


MOTIVERING VRIJSPRAAK


‘medeplegen’

Beoordeling

Met de officieren van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte rechtspersoon, [verdachte rechtspersoon], hierna ook: [verdachte rechtspersoon], de vijf tenlastegelegde feiten tezamen en in vereniging met (een) ander(en) heeft gepleegd.

[verdachte rechtspersoon] zal derhalve van dit onderdeel, dat is opgenomen in alle vijf tenlastegelegde feiten, worden vrijgesproken. Nu de officieren van justitie dit ook hebben gevorderd en het eveneens is bepleit door de raadsman, behoeft deze vrijspraak geen nadere motivering.



BEWIJSOVERWEGINGEN MET BETREKKING TOT OPZET


De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat alle vijf tenlastegelegde feiten opzettelijk zijn gepleegd. Daartoe hebben zij aangevoerd dat [verdachte rechtspersoon] een professionele deelnemer is in het vervoer over het spoor van gevaarlijke stoffen. Er mag dan ook van worden uitgegaan dat [verdachte rechtspersoon] de terzake geldende regelgeving kent en borgt dat in alle lagen van haar bedrijf veilig en volgens de voorschriften wordt gehandeld. Indien [verdachte rechtspersoon] zoals zou kunnen worden afgeleid uit de omstandigheid dat zij reeds diverse malen is veroordeeld wegens overtreding van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, onvoldoende toezicht houdt op de naleving binnen haar bedrijf van voormelde regelgeving en (aldus) kennelijk bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat die regelgeving niet goed door (personeel van) haar bedrijf wordt nageleefd, dan is aan haar zijde sprake geweest van - ten minste - voorwaardelijk opzet op de haar onder 1 tot en met 5 tenlastegelegde handelingen.


Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat in het economische strafrecht het begrip “opzet” in beginsel dient te worden uitgelegd als “kleurloos opzet”. Dit betekent dat het opzet van de verdachte rechtspersoon slechts hoeft te zijn gericht op de gedraging en niet op de wederrechtelijkheid daarvan (vgl. HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1873, NJ 2012/31, rov. 4.2, HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2684, NJ 2012/31, rov. 4.2 en HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8783, NJ 2012/31, rov. 3.3).


Feit 1, onderdeel a

Op zondag 17 april 2011 om 23.10 uur is de uit Duitsland afkomstige trein 45748 Zevenaar Grens gepasseerd en is via de Betuweroute op maandag 18 april 2011 om 00.32 uur aangekomen op het rangeeremplacement Kijfhoek te Zwijndrecht. [verdachte rechtspersoon] was de vervoerder van deze trein. Uit de bij het vervoer behorende vervoersdocumenten is gebleken dat de trein onder meer bestond uit twee met chloor UN 1017 beladen reservoirwagen en dat van die trein voorts tien andere reservoirwagens deel uitmaakten die leeg en ongereinigd waren van andere gevaarlijke stoffen dan chloor. Op de door de opdrachtgever aan [verdachte rechtspersoon] afgegeven vrachtbrief, die zich ten tijde van het vervoer bij de machinist van de trein moet hebben bevonden, stond aangetekend dat zich in twee wagens chloor bevond. Daarnaast moet het voor de machinist van de trein ook visueel, door de etiketten op de desbetreffende wagens, kenbaar zijn geweest dat zich daarin chloor bevond.

Dat [verdachte rechtspersoon] bekend moet zijn geweest met het feit dat twee reservoirwagen beladen waren met chloor, kan voorts worden afgeleid uit de omstandigheid dat deze twee wagens na aankomst in Zwijndrecht met een locomotief van [verdachte rechtspersoon] zijn verplaatst naar een ander spoor op het rangeeremplacement Kijfhoek, terwijl de overige 34 wagens van de trein zijn “geheuveld”, een activiteit die niet pleegt te worden verricht met wagens die beladen zijn met chloor.


Gelet op het voorgaande kan het niet anders zijn dan dat (in ieder geval) de machinist van trein 45748 heeft geweten dat deze trein was samengesteld uit (onder meer) twee reservoirwagens die chloor bevatten en tien reservoirwagens die leeg en ongereinigd waren van (andere) gevaarlijke stoffen.

Mede gelet op de criteria als genoemd in HR 23-02-1954, NJ 1954, 378 (IJzerdraadarrest) en HR 21-10-2003, NJ 2006, 328 (Drijfmestarrest) kan deze wetenschap van haar machinist, en daarmee de onder 1a tenlastegelegde gedraging, aan [verdachte rechtspersoon] als vervoerder van de trein en als werkgever van de betreffende machinist, in redelijkheid worden toegerekend.


Feit 2, onderdeel a

Op 18 april 2011 is om 06.28 uur trein 61013 vanuit het rangeeremplacement Kijfhoek te Zwijndrecht naar het rangeeremplacement Botlek in Rotterdam gereden. [verdachte rechtspersoon] was de vervoerder van trein 61013. Uit de bij het vervoer behorende vervoersdocumenten is gebleken dat twee reservoirwagens beladen waren met chloor UN 1017 en dat zich in die trein twee andere reservoirwagens bevonden die leeg en ongereinigd waren van andere gevaarlijke stoffen dan chloor. Deze vervoersdocumenten bevonden zich ten tijde van het vervoer bij de machinist van de trein. Daarnaast moet het voor de machinist ook visueel, door de etiketten op de wagens, zichtbaar zijn geweest dat er zich chloor in de desbetreffende twee reservoirwagens bevond. Bovendien stond op de bijbehorende vrachtbrief aangetekend dat er chloor in de tankwagens aanwezig was, terwijl deze vrachtbrief door de opdrachtgever aan de vervoerder is meegegeven.


Gelet op het voorgaande kan het niet anders zijn dan dat (in ieder geval) de machinist van trein 61013 heeft geweten dat deze trein was samengesteld uit (onder meer) twee reservoirwagens die chloor bevatten en twee reservoirwagens die leeg en ongereinigd waren van (andere) gevaarlijke stoffen.

Op soortgelijke gronden als hiervoor uiteengezet met betrekking tot feit 1(onderdeel a: wetenschap omtrent samenstelling van trein) kan deze wetenschap van haar machinist, en daarmee de onder 2a tenlastegelegde gedraging, aan [verdachte rechtspersoon] als vervoerder van de trein en als werkgever van de betreffende machinist, in redelijkheid worden toegerekend.


Feit 3

Op zondag 16 oktober 2011, omstreeks 06.10 uur, ontving verbalisant [verbalisant], inspecteur bij Domein Rail- en wegvervoer van Verkeer en Waterstaat, telefonische melding dat op het rangeeremplacement Kijfhoek te Zwijndrecht trein nummer 40018 stond gerangeerd, met daarop geladen een tankcontainer die, al dan niet geladen of leeg van UN1951 Argon, stond te sissen.


Onderzoek wees later uit dat deze container leeg en ongereinigd was van de gevaarlijke stof Argon UN 1951. [verdachte rechtspersoon] was de vervoerder van trein 40018. De bij het vervoer behorende vervoersdocumenten bevonden zich ten tijde van de melding niet (meer) in de trein, doch in een kantoor van [verdachte rechtspersoon] elders op het terrein. Deze documenten waren door de machinist van de trein bij aankomst afgegeven op dit kantoor. Ten tijde van de hiervoor bedoelde melding was het kantoor afgesloten en verlaten.


Verbalisant [verbalisant] is op 8 december 2014 door de Rechter-Commissaris als getuige gehoord. Hij heeft toen onder meer verklaard (pagina 9 van het terzake opgemaakte proces-verbaal) dat hij van de persoon van [verdachte rechtspersoon] die hem de vrachtbrief kwam brengen had vernomen dat voormeld kantoor 24 uur per dag open is, behalve van zaterdagavond 22.00 uur tot zondagochtend 07.30 uur.


Door de vervoersdocumenten niet in de trein te laten liggen, doch deze af te geven op het kantoor van [verdachte rechtspersoon] heeft de machinist van trein nummer 40018 bewust de situatie in het leven geroepen dat in geval van mogelijke calamiteiten als de onderhavige de (fysieke) vervoersdocumenten niet terstond aan hulpdiensten ter inzage konden worden verstrekt.

In die zin is aan de zijde van voormelde machinist sprake geweest van opzet op het niet aanwezig zijn van vervoersdocumenten als bedoeld onder feit 3 van de tenlastelegging, welk opzet naar het oordeel van de rechtbank aan [verdachte rechtspersoon] als functioneel dader, kan worden toegerekend.


Feit 4

Op of omstreeks 19 oktober 2011 heeft [verdachte rechtspersoon] met trein 43576 gevaarlijke stoffen vervoerd en deze trein vervolgens laten staan op rangeeremplacement Waalhaven-Zuid te Rotterdam. Bij de trein waren voor twee open wagens niet de voor het vervoer benodigde vervoersdocumenten voor gevaarlijke stoffen aanwezig. Daarnaast ontbrak het UN-nummer van het gevaarlijke goed van één van de wagens op de wagenlijst, die [onderneming 1] van de verdachte rechtspersoon had ontvangen. Uit het dossier blijkt niet dat [verdachte rechtspersoon] het opzet heeft gehad om trein 43576 te vervoeren zonder de juiste vervoersdocumenten en met het ontbreken van het UN-nummer op de wagenlijst. Derhalve acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat het onder 4 tenlastegelegde opzettelijk is begaan en zal zij [verdachte rechtspersoon] voor het onderdeel ‘opzettelijk’ vrijspreken.


Feit 5

Op 5 maart 2013 werd geconstateerd dat twee reservoirwagens van een trein op spoor 538 van het rangeeremplacement Botlek benzine lekten langs de schroefdop. Van reservoirwagen 37807957063-6 was de zijafsluiter niet volledig gesloten en van reservoirwagen 37847836465-6 was de bodemafsluiter niet volledig gesloten. [verdachte rechtspersoon] was de vervoerder van voornoemde reservoirwagens. Niet is komen vast te staan waardoor de zij- en bodemafsluiter niet goed gesloten waren en er benzine is gelekt. Nu de toedracht niet is komen vast te staan, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat het onder 5 tenlastegelegde opzettelijk is begaan en zal zij [verdachte rechtspersoon] voor het onderdeel ‘opzettelijk’ vrijspreken.


Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte rechtspersoon] het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde opzettelijk heeft begaan. [verdachte rechtspersoon] wordt vrijgesproken van het onderdeel ‘opzettelijk’ ten aanzien van de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten.



BEWIJSOVERWEGINGEN MET BETREKKING TOT EEN AANTAL ANDERE ONDERDELEN VAN DE TENLASTELEGGING


‘Aanwezigheid vervoersdocumenten’

Feit 3


Stanpunt verdediging

Bepleit is dat [verdachte rechtspersoon] dient te worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de vervoersdocumenten zowel op papier en digitaal aanwezig waren, maar dat zij niet toegankelijk waren. Het onder 3 tenlastegelegde niet aanwezig zijn van vervoersdocumenten kan derhalve niet bewezen worden verklaard, aldus de raadsman.


Beoordeling

Ingevolge Hoofdstuk 5.4 van het Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer gevaarlijke stoffen (bijlage 1 bij de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen; hierna: RID) gaat elk vervoer van goederen dat door het RID wordt gereglementeerd op passende wijze vergezeld van de in dat hoofdstuk voorgeschreven documenten, behalve wanneer elders uitdrukkelijk anders is bepaald. Gelet op deze voorschriften van het RID moeten bij het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor op ieder moment terstond vervoersdocumenten kunnen worden getoond om in een noodsituatie adequate informatie aan hulpdiensten te kunnen verschaffen en zo de veiligheid van anderen zo veel mogelijk te waarborgen. Het is de machinist die deze documenten in zijn cabine moet meevoeren.


Op 16 oktober 2011 werd er om 03:55 uur een melding gedaan van een trein waarop een container stond die een sissend geluid maakte. Aan de reeds ter plaatse verschenen hulpdiensten konden (aanvankelijk) geen vervoersdocumenten worden getoond en daardoor kon niet terstond de aard van de lading worden vastgesteld. De fysieke (papieren) versie van de vervoersdocumenten bevond zich in het kantoor van de Lokkencoördinator van [verdachte rechtspersoon] op het rangeeremplacement Kijfhoek, maar dat kantoor was op slot en er was niemand aanwezig. De digitaal door [verdachte rechtspersoon] aan [onderneming 2] verschafte vrachtdocumenten waren ook niet beschikbaar als gevolg van een storing in het computersysteem van laatstgenoemde.


[verdachte rechtspersoon] heeft aldus niet voldaan aan voornoemde RID-verplichting van de vervoerder om bij het vervoer van een gevaarlijke stof een vervoersdocument aanwezig te hebben, nu een papieren noch een digitale versie van de vervoersdocumenten terstond toegankelijk was.


Op de (los van het bewijs staande) vraag, in hoeverre [verdachte rechtspersoon] een schuldverwijt treft ten aanzien van het ontbreken van bovenbedoelde vervoersdocumenten, zal hierna bij de bespreking van de strafbaarheid van [verdachte rechtspersoon] nader worden ingegaan.


Conclusie

Het verweer wordt verworpen.



‘Snelheid treinen’

Feiten 1 en 2


Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat [verdachte rechtspersoon] dient te worden vrijgesproken van de feiten 1 en 2, voor zover inhoudende dat de treinen met een te hoge snelheid hebben gereden, aangezien voor dit onderdeel geen bewijs is. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat het “Quo Vadis-systeem” ondeugdelijk is om snelheidsovertredingen te meten.


Beoordeling

De getuige-deskundige [getuige-deskundige] heeft op de terechtzitting van 26 maart 2015 verklaard dat het “Quo Vadis-systeem” weliswaar primair is bedoeld voor gewichtsmeting, maar dat dit systeem nauwkeuriger is ten aanzien van snelheidsmetingen. Zij heeft voorts verklaard dat de betrouwbaarheid van deze snelheidsmetingen, die volgens de leverancier een standaardafwijking hebben van 5 km/uur, is bevestigd door een rapport van de Zweedse infrastructuurbeheerder. Bovendien vinden de desbetreffende snelheidsmetingen steun in de overige stukken van het geding, te weten het proces-verbaal van bevindingen van 27 oktober 2011, een brief van [getuige-deskundige] van 24 april 2012, een e-mailbericht van [getuige-deskundige] van

7 oktober 2011 en een op 6 februari 2014 door [getuige-deskundige] afgelegde verklaring.

Gelet hierop heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het “Quo Vadis-meetsysteem”.


Conclusie

De rechtbank verwerpt het verweer betreffende de snelheid van de treinen.



‘Vervoeren’

Feiten 3, 4 en 5


Ambtshalve overweegt de rechtbank dat het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde “vervoeren” voortduurt gedurende de tijd dat een trein op enig moment in het kader van het vervoer van het begin- naar het eindpunt stil staat. Gelet op de tekst van de toepasselijke regelgeving kan het niet anders zijn dan dat het - kort voor of na het rijden van de trein - laten staan van die trein op een rangeerterrein ook valt onder het begrip “vervoeren”.



‘Toerekening van de gedragingen aan de verdachte rechtspersoon’

Feit 1, 2, 3, 4 en 5


In aanvulling op hetgeen dienaangaande reeds hiervoor door haar is overwogen, overweegt de rechtbank ten aanzien van het daderschap van de verdachte rechtspersoon nog het volgende.

Een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan haar kan worden toegerekend. Bepalend daarvoor zijn de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een gedraging die heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,

- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,

- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf,

- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging (vgl. HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN7719, NJ 2011/124, rov. 2.4 en HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, NJ 2011/124, rov. 3).


Gelet op het bovenstaande, kunnen de in de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 omschreven gedragingen aan de verdachte rechtspersoon, [verdachte rechtspersoon] worden toegerekend. Deze gedragingen zijn immers verricht door personen die in dienstbetrekking waren bij [verdachte rechtspersoon] terwijl de gedragingen pasten in de normale bedrijfsvoering van [verdachte rechtspersoon]. Bovendien vermocht [verdachte rechtspersoon] erover te beschikken of de gedragingen zouden plaatsvinden en werden vergelijkbare gedragingen door haar aanvaard.



BEWEZENVERKLARING


Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte rechtspersoon het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:


1.

(trein 45748)

zij,


in de periode van 17 april 2011 tot en met 18 april 2011 op het

spoortraject van Zevenaar naar Zwijndrecht rangeeremplacement Kijfhoek

opzettelijk,


in strijd met het bepaalde bij en/of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke

stoffen,


gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel per spoor heeft vervoerd

te weten 2, reservoirwagens, namelijk:


-wagennummer 33807809230-5 en

-wagennummer 33807809248-7,

elk beladen met chloor UN 1017, klasse 2,


zijnde die stof een gevaarlijke stof, als bedoeld in artikel 1 van de Wet

vervoer gevaarlijke stoffen,


zonder door de Minister van Verkeer en Waterstaat gestelde regels in de VSG (Regeling vervoer over de

spoorweg van gevaarlijke stoffen) en de bij de VSG behorende bijlagen in

acht te nemen,


immers,


in strijd met voorschrift/randnummer 1.9.5.4 NE van bijlage 2 van de VSG

(Aanvullende voorschriften):


(a)

vond het vervoer van UN 1017 chloor in die reservoirwagens plaats in een

trein (45748) waarin 10, andere reservoirwagens

die leeg en ongereinigd waren van gevaarlijke stoffen, te weten

propyleenoxide (UN 1280, klasse 3) en waterstofperoxide oplossing in water

(UN 2014, klasse 5.1) en een mengsel van koolwaterstofgassen vloeibaar

gemaakt n.e.g (UN 1965, klasse 2) en een mengsel van butadienen en

koolwaterstof gestabiliseerd (UN 1010, klasse 2), waren opgenomen, zijnde

andere reservoirwagens dan reservoirwagens met UN 1017 chloor,


en

(b)

was tijdens het vervoer de snelheid van die trein

hoger dan 60 kilometer per uur, immers was de gemiddelde

snelheid van die trein circa 80 kilometer per uur en bedroeg de snelheid

van die trein op enig moment (circa) 93 kilometer per uur.



2.

(trein 61013)

zij,


op 18 april 2011 op het spoortraject van Zwijndrecht

rangeeremplacement Kijfhoek naar Rotterdam rangeeremplacement Botlek

opzettelijk,


in strijd met het bepaalde bij en/of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke

stoffen,


gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel per spoor heeft vervoerd

te weten 2, reservoirwagens, namelijk:


-wagennummer 33807809230-5 en-wagennummer 33807809248-7,


elk beladen met chloor UN 1017, klasse 2,


zijnde die stof een gevaarlijke stof, als bedoeld in artikel 1 van de Wet

vervoer gevaarlijke stoffen,


zonder door de Minister van Verkeer en Waterstaat gestelde regels in de VSG (Regeling vervoer over de

spoorweg van gevaarlijke stoffen) en de bij de VSG behorende bijlagen in

acht te nemen,


immers,


in strijd met voorschrift/randnummer 1.9.5.4 NE van bijlage 2 van de VSG

(Aanvullende voorschriften):


(a)

vond het vervoer van UN 1017 chloor in die reservoirwagens plaats in een

trein (61013) waarin 2, andere reservoirwagens die

leeg en ongereinigd waren van gevaarlijke stoffen, te weten

trichloorethyleen (UN 1710, klasse 6.1) en hexamethyleendiamine (UN 2280,

klasse 8), waren opgenomen, zijnde andere reservoirwagens dan

reservoirwagens met UN 1017 chloor,


en


(b)

was tijdens het vervoer de snelheid van die trein

hoger dan 60 kilometer per uur, immers was de snelheid op enig

moment (circa) 76 kilometer per uur.



3.

(trein 40018)

zij,


op 16 oktober 2011 te Zwijndrecht, opzettelijk,


in strijd met het bepaalde bij en/of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke

stoffen,

gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel per spoor heeft vervoerd en

een vervoermiddel, waarin of waarop zich gevaarlijke stoffen of resten daarvan

bevinden, heeft laten staan op het rangeeremplacement

Kijfhoek

te weten, een open wagen, namelijk:


- wagennummer 33684575897-6, welke was beladen met een tankcontainer (CGSU

999902-0) die leeg en ongereinigd was van Argon (UN 1951, klasse 2),


zijnde die stof een gevaarlijke stof, als bedoeld in artikel 1 van de Wet

vervoer gevaarlijke stoffen,


zonder door de Minister van Verkeer en Waterstaat gestelde regels in de VSG (Regeling vervoer over de

spoorweg van gevaarlijke stoffen) en de bij de VSG behorende bijlage in

acht te nemen,


immers,


in strijd met voorschrift/randnummer 5.4.0.1 van bijlage 1 van de VSG (RID):


was bij het vervoer van voornoemd goed, geregeld door het RID, geen

vervoersdocument voor gevaarlijke goederen, zoals voorgeschreven in 5.4.1 van

het RID, aanwezig.



4.

(trein 43576)

zij,


op of omstreeks 19 oktober 2011 te Rotterdam



in strijd met het bepaalde bij en/of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke

stoffen,


gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel per spoor heeft vervoerd ,


te weten 2, open wagens, namelijk:


- wagennummer 37804951013-4, welke was beladen met een tankcontainer (ECMU

447010-2) met, dan wel leeg en ongereinigd was van, bijtende

vloeistof giftig n.e.g (UN 2922, klasse 8) en

- wagennummer 31804556110-3, welke was beladen met een tankcontainer (BIDU

499458-6) met, dan wel leeg en ongereinigd was van,

milieugevaarlijke vaste stof n.e.g. (UN 3077, klasse 9),


zijnde die stoffen gevaarlijke stoffen, als bedoeld in artikel 1 van

de Wet vervoer gevaarlijke stoffen,


zonder een of meer door de Minister van Verkeer en Waterstaat gestelde regels in de VSG (Regeling vervoer over de

spoorweg van gevaarlijke stoffen) en de bij de VSG behorende bijlage in

acht te nemen,


immers,


in strijd met voorschrift/randnummer 5.4.0.1 van bijlage 1 van de VSG (RID):


was bij het vervoer van voornoemde goederen, geregeld door het RID, geen

vervoersdocument voor gevaarlijke goederen, zoals voorgeschreven in 5.4.1 van

het RID, aanwezig en

in strijd met voorschrift/randnummer 1.4.2.2.5 van bijlage 1 van de VSG (RID):


heeft zij, verdachte, als vervoerder niet gewaarborgd dat [onderneming 1], zijnde

de beheerder van de gebruikte spoorweginfrastructuur, te allen tijde gedurende

het vervoer snel en onbeperkt toegang kon krijgen tot de informatie die het

hem mogelijk maakte te voldoen aan de voorschriften van 1.4.3.6 b) van het

RID, aangezien [onderneming 1] van de vervoerder een wagenlijst had ontvangen

waarop informatie over het UN-nummer van het gevaarlijke goed dat in of op

genoemde wagen met nummer 31804556110-3 werd vervoerd, ontbrak.



5.

zij,


op 5 maart 2013 te Rotterdam,



in strijd met het bepaalde bij en/of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke

stoffen,


gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel per spoor heeft vervoerd ,


te weten, 2, reservoirwagens, namelijk:


- wagennummer 37807957063-6 en- wagennummer 37847836465-6,


die elk leeg en ongereinigd waren van benzine (UN 1203, klasse 3)


zijnde die stof een gevaarlijke stof, als bedoeld in artikel 1 van de Wet

vervoer gevaarlijke stoffen,


zonder door de Minister van Verkeer en Waterstaat gestelde regels in de VSG (Regeling vervoer over de

spoorweg van gevaarlijke stoffen) en de bij de VSG behorende bijlage in

acht te nemen,


immers,


in strijd met voorschrift/randnummer 4.3.2.3.5 van bijlage 1 van de VSG (RID):


bevonden zich tijdens dat vervoer aan de buitenzijde van genoemde

reservoirwagens gevaarlijke resten van de vervoerde stof, te weten

benzine (UN 1203, klasse 3) en

in strijd met voorschrift/randnummer 6.8.2.2.1 van bijlage 1 van de VSG (RID):


was de dichtheid van de bedrijfsuitrusting niet gewaarborgd, aangezien

meerdere schroefdoppen van die reservoirwagens benzine lekten en een

zijafsluiter (van wagen 37807957063-6) en een bodemafsluiter (van wagen

37847836465-6) niet volledig gesloten waren.



Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.



BEWIJSMIDDELEN


De overtuiging dat de verdachte rechtspersoon het bewezenverklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.



STRAFBAARHEID FEITEN


‘Europese Wetgeving’

Standpunt verdediging

Bepleit is dat de verdachte rechtspersoon dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Daartoe is aangevoerd dat het voorschrift 1.9.5.4 NE van bijlage 2 van de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (hierna: VSG) in strijd is met de Richtlijn 20008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (hierna: Richtlijn 2008) en in strijd is met het verbod op inbreuk van het beginsel van vrij verkeer van goederen c.q. het verbod op importbeperkende maatregelen dan wel maatregelen van gelijke werking als bedoeld in de artikelen 34-36 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: WEU), althans dat de inbreuk op het vrije verkeer van goederen geen objectief gerechtvaardigde beperking is en dat het voorschrift om die reden onverbindend is. Derhalve is kwalificatie niet mogelijk.



Beoordeling

De rechtbank is gelet op het navolgende van oordeel dat het voorschrift 1.9.5.4 NE van bijlage 2 VSG niet strijdig is met hogere regelgeving.

Uit de considerans van de Richtlijn 2008 (onder 10, 11, 13 en 14) volgt dat deze richtlijn er niet aan in de weg staat dat een lidstaat in zijn nationale regelgeving “strengere regels” vaststelt ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen dan de richtlijn voorschrijft. Ingevolge art. 1, vierde lid onder a, Richtlijn 2008 kunnen lidstaten voor het nationale en internationale vervoer van gevaarlijke goederen over hun grondgebied specifieke veiligheidsvoorschriften instellen met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke goederen met spoorvoertuigen. Voorts bepaalt art. 5 Richtlijn 2008 dat lidstaten met het oog op de veiligheid van het vervoer “strengere bepalingen” kunnen vaststellen voor binnenlands vervoer van gevaarlijke goederen, uitgevoerd met spoorvoertuigen die op hun grondgebied zijn ingeschreven of in het verkeer zijn gebracht. Van die mogelijkheid heeft de Nederlandse wetgever gebruik gemaakt door met betrekking tot het vervoer van chloor (UN 1017) in reservoirwagens onder meer voor te schrijven dat dit vervoer slechts plaats mag vinden in treinen waarin geen andere reservoirwagen dan reservoirwagens met chloor zijn opgenomen en dat tijdens het vervoer de snelheid van de trein niet hoger dan zestig kilometer per uur mag zijn (voorschrift 1.9.5.4 NE, eerste lid onder a en onder b, van bijlage 2 van de VSG). Van strijdigheid met Richtlijn 2008 is in het onderhavige geval dan ook geen sprake.


Voornoemd voorschrift is evenmin in strijd met art. 34-36 WEU. Art. 36 WEU schrijft immers voor dat art. 34 en 35 WEU, waarin het beginsel van het vrije verkeer van goederen is gewaarborgd, geen beletsel vormen voor verboden of beperkingen, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare veiligheid, mits deze verboden of beperkingen geen middel tot willekeurige discriminatie en geen verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen. In het onderhavige geval is het bestreden voorschrift gerechtvaardigd uit hoofde van de bescherming van de openbare veiligheid. Voorschrift 1.9.5.4 NE van bijlage 2 van het VSG zou weliswaar de handel tussen de lidstaten kunnen belemmeren. Die mogelijke belemmering wordt evenwel gerechtvaardigd door het doel van de Nederlandse regelgeving betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen, terwijl voornoemd voorschrift en andere voorschriften noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van dat doel en het niet aannemelijk is dat minder verstrekkende voorschriften voldoende zouden bijdragen aan het beoogde doel. Aldus doorstaat het voorschrift de toets aan art. 36 WEU.


Conclusie

Het verweer wordt verworpen. De feiten zijn dus strafbaar.


De bewezen feiten leveren op:


Feit 1, 2, 3 (telkens):

OVERTREDING VAN EEN VOORSCHRIFT GESTELD BIJ ARTIKEL 5 VAN DE WET VERVOER GEVAARLIJKE STOFFEN, OPZETTELIJK BEGAAN DOOR EEN RECHTSPERSOON;


Feit 4 en 5 (telkens):

OVERTREDING VAN EEN VOORSCHRIFT GESTELD BIJ ARTIKEL 5 VAN DE WET VERVOER GEVAARLIJKE STOFFEN, BEGAAN DOOR EEN RECHTSPERSOON.



STRAFBAARHEID VERDACHTE RECHTSPERSOON


Standpunt verdediging

Feiten 1 en 2

Bepleit is dat [verdachte rechtspersoon] verontschuldigbaar heeft gedwaald over de feitelijke situatie. [verdachte rechtspersoon] wist en kon niet weten dat er twee chloorwagens aan trein 45748 (feit 1) en aan trein 61013 (feit 2) waren toegevoegd. [verdachte rechtspersoon] dient wegens afwezigheid van alle schuld ten aanzien van de feiten 1 en 2 te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.


Feit 3

De raadsman heeft het standpunt ingenomen dat [verdachte rechtspersoon] geen enkel verwijt kan worden gemaakt van dit feit.

Als gevolg van een storing in het computersysteem van [onderneming 2] was de digitale versie van de vrachtdocumenten niet beschikbaar. Doordat de overige aanwezige betrokkenen niet adequaat hebben gereageerd kon [verdachte rechtspersoon] niet binnen redelijke termijn toegang geven tot de papieren documenten. Als alle betrokkenen adequaat hadden opgetreden, was er niets aan de hand geweest, nu de gevraagde documenten binnen een kwartier na de vordering konden worden overgelegd. [verdachte rechtspersoon] dient wegens afwezigheid van alles schuld ten aanzien van feit 3 te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.


Feiten 4 en 5

De raadsman het standpunt ingenomen dat [verdachte rechtspersoon] ook ten aanzien van deze feiten geen enkel verwijt kan worden gemaakt, nu zij als vervoerder slechts verplicht is tot het uitvoeren van representatieve steekproeven. [verdachte rechtspersoon] dient wegens afwezigheid van alle schuld

ten aanzien van de feiten 4 en 5 te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.


Beoordeling

Feiten 1 en 2

De rechtbank stelt voorop dat voor strafbaarheid van een verdachte geen plaats is, indien de gedraging wordt verontschuldigd door een bij de verdachte aanwezige onjuiste voorstelling van zaken ten gevolge van een dwaling in de feitelijke realiteit. Bij verontschuldigbare feitelijke dwaling gaat het erom dat er geen sprake is van “verwijtbare onwetendheid”.

Reeds uit hetgeen hiervoor in de nadere bewijsoverwegingen is overwogen met betrekking tot het opzet van [verdachte rechtspersoon] c.q. het aan haar toe te rekenen opzet van haar machinist(en)

ten aanzien van de feiten 1 en 2, volgt dat [verdachte rechtspersoon] zich niet met vrucht kan beroepen op harerzijds bestaande dwaling omtrent de feitelijke samenstelling van de door haar vervoerde treinen.


Feit 3

De vervoerder heeft de verplichting om terstond de vervoersdocumenten te kunnen tonen, digitaal dan wel op papier. Een storing in het computersysteem van [onderneming 2], waardoor de elektronische vervoersdocumenten niet beschikbaar zijn, kan [verdachte rechtspersoon] die als vervoerder ter zake van vervoersdocumenten een eigen verantwoordelijkheid heeft, niet zonder meer vrijwaren. Omstandigheden die in het onderhavige geval tot een andersluidend oordeel zouden kunnen leiden, zijn niet gebleken.

Wat betreft de fysieke (papieren) vervoersdocumenten, heeft de machinist van [verdachte rechtspersoon] er voor gekozen om deze in het kantoor [verdachte rechtspersoon] op het rangeeremplacement Kijfhoek neer te leggen; op het moment waarop de hulpdiensten inzage in deze documenten verlangden, was dit niet terstond mogelijk omdat voormeld kantoor toen op slot en verlaten was. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat [verdachte rechtspersoon] op het punt van het niet (terstond) aanwezig zijn van voormelde vervoersdocumenten geen enkel verwijt treft.


Feiten 4 en 5

De vervoerder heeft verplichtingen ten aanzien van het vervoer op basis van onder meer

het Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen (RID), Bijlage 1 van de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (VSG).

Ten tijde van het onder 4 tenlastegelegde feit stond in voorschrift 1.4.2.2.1 RID vermeld dat de vervoerder “door representatieve steekproeven” onder meer moest controleren of de te vervoeren gevaarlijke stoffen tot vervoer waren toegelaten en of alle door het RID voorgeschreven informatie bij het vervoersdocument waren gevoegd. De enkele omstandigheid dat ten tijde van het onder 4 tenlastegelegde feit de vervoerder op basis van dit voorschrift kon volstaan met een steekproefsgewijze controle, ontsloeg de vervoerder echter niet van zijn verplichtingen die destijds – en ook ten tijde van het onder feit 5 tenlastegelegde feit - elders in het RID waren opgenomen, zoals de voorschriften 1.4.2.2.5 (feit 4), 4.3.2.3.5 (feit 5) en 6.8.2.2.1 (feit 5). Ten aanzien van feit 5 (gepleegd op 5 maart 2013) merkt de rechtbank nog op dat in de versie van het RID van 2013 in voorschrift 1.4.2.2.1 niet langer staat vermeld dat de vervoerder wat betreft de controle kan worden volstaan met “representatieve steekproeven”. Van de geconstateerde gebreken in de nakoming van voormelde voorschriften kan [verdachte rechtspersoon] een strafrechtelijk relevant verwijt worden gemaakt. Er kan immers niet worden gezegd dat er wat betreft deze feiten geen sprake is van “verwijtbare onwetendheid” ten aanzien van de afwezigheid van het vereiste vervoersdocument (feit 4), de onvolledigheid van de aan [onderneming 1] gegeven wagenlijst (feit 4), de aanwezigheid van benzineresten aan de buitenzijde van de reservoirwagen (feit 5) en het niet volledig afsluiten van de zijafsluiter en de bodemafsluiter van de reservoirwagen (feit 5) in de desbetreffende treinen.


Conclusie

Het door en namens [verdachte rechtspersoon] ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 gedane beroep op afwezigheid van alle schuld wordt verworpen. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot straffeloosheid van [verdachte rechtspersoon] zouden moeten leiden. [verdachte rechtspersoon] is dus strafbaar.



PREJUDICIËLE VRAAG


Standpunt verdediging

De verdediging acht het noodzakelijk om aan het Hof van Justitie EU een prejudiciële vraag te stellen, te weten of het voorschrift 1.9.5.4. NE bijlage 2 van de VSG een ongerechtvaardigde inbreuk betreft op het beginsel van het verbod op importbeperkende maatregelen, dan wel maatregelen van gelijke werking.


Beoordeling

Gelet op hetgeen hiervoor onder de strafbaarheid van de feiten 1 en 2 ten aanzien van de Europese regelgeving is overwogen omtrent het voorschrift 1.9.5.4. NE bijlage 2 van de VSG, acht de rechtbank het antwoord op de desbetreffende rechtsvraag zo duidelijk en voor de hand liggend, dat zij deze vraag zelf kan beantwoorden met toepassing van het relevante Europese recht. De rechtbank acht het stellen van prejudiciële vragen op dit punt derhalve niet noodzakelijk. Een beslissing op het gevraagde punt is immers niet noodzakelijk om tot een uitspraak te komen.


Conclusie

Het verweer wordt verworpen.



STRAFMOTIVERING


Standpunt officieren van justitie

Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd dat [verdachte rechtspersoon] ter zake van de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 (als opzettelijk begaan) dient te worden veroordeeld tot een geldboete van € 250.000,-. Het Openbaar Ministerie heeft bij de vordering (ten nadele van [verdachte rechtspersoon]) rekening gehouden met het aantal feiten en de daardoor veroorzaakte gevaarzetting, de volgens het Openbaar Ministerie door [verdachte rechtspersoon] ten aanzien van die feiten tentoongespreide lakse houding, alsmede de Justitiële Documentatie van [verdachte rechtspersoon]. Ten voordele van [verdachte rechtspersoon] is bij de hoogte van de strafeis rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en de toepassing van artikel 63 Wetboek van Strafrecht.


Standpunt verdediging

De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM. Gelet op de schaal waarop vervoer door [verdachte rechtspersoon] plaatsvindt, betreft het hier gebeurtenissen van incidentele aard. Er is geen sprake geweest van materiële- dan wel milieuschade. Ten slotte heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met de financiële omstandigheden van [verdachte rechtspersoon].


Beoordeling

De straf die aan [verdachte rechtspersoon] wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de draagkracht van [verdachte rechtspersoon]. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.


[verdachte rechtspersoon] is gespecialiseerd in transport via het spoor in Europa, waaronder het vervoeren van gevaarlijke stoffen over het spoor. Het vervoer van dergelijke stoffen is aan strenge regelgeving onderworpen ten behoeve van de openbare veiligheid. [verdachte rechtspersoon] heeft twee treinen, die elk samengesteld waren uit twee wagons beladen met chloor, vervoerd in combinatie met wagons met daarin andere gevaarlijke stoffen. Deze treinen hebben tevens met een te hoge snelheid gereden. Ook heeft de verdachte rechtspersoon de vereiste vervoersdocumenten niet aanwezig gehad van een andere met (potentieel) gevaarlijke stoffen beladen trein. Dat een professioneel bedrijf van de aard en omvang als [verdachte rechtspersoon] kennelijk bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door (werknemers van) haar onderneming de desbetreffende (milieu)regelgeving niet stipt zou worden nageleefd, acht de rechtbank zeer laakbaar. Als straf voor deze feiten is een forse geldboete passend en geboden.


De rechtbank wil, anders dan het Openbaar Ministerie, niet spreken van een lakse bedrijfscultuur. De rechtbank is van oordeel dat dit mede gezien de grote schaal waarop vervoer door [verdachte rechtspersoon] plaatsvindt, het hier toch gaat om gebeurtenissen van relatief incidentele aard. Anderzijds is [verdachte rechtspersoon] blijkens de op haar naam gestelde Justitiële Documentatie van 7 november 2013, reeds eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten. Bovendien is een deel van de feiten (feiten 3, 4 en 5) begaan tijdens de proeftijd van een eerdere veroordeling.


De rechtbank heeft geconstateerd dat het oudere feiten betreft, maar is - anders dan de officier van justitie en de raadsman - van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM niet is overschreden. De rechtbank neemt als aanvangstijdstip van de redelijke termijn de datum van de uitreiking van de dagvaarding op 7 november 2013. Tussen die datum en de datum van dit vonnis zit een periode van 16 maanden. Volgens vaste jurisprudentie bedraagt de redelijke termijn in een geval als het onderhavige 24 maanden. In de onderhavige strafzaak is derhalve geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn.


Mede gelet op de omstandigheid dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan door de officier van justitie is gevorderd (geen opzet bij de feiten 4 en 5) en in aanmerking genomen dat de rechtbank de strafwaardigheid van de onderhavige feiten op een andere wijze weegt, komt de rechtbank tot een lagere straf dan gevorderd.


Alles afwegend worden na te noemen straffen passend en geboden geacht.


Voor de feiten 1, 2 en 3 zal een geldboete worden opgelegd ter hoogte van € 75.000,-.


De verdachte rechtspersoon heeft zich naast voornoemde misdrijven ook schuldig gemaakt aan het overtreden van twee andere voorschriften van het RID (feiten 4 en 5). De rechtbank acht met name de lekkende reservoirwagens met benzine op het rangeeremplacement Botlek (feit 5) zeer kwalijk. De rechtbank zal voor elk van deze twee overtredingen een geldboete opleggen ter hoogte van € 10.000,-.



TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


Naast de reeds genoemde wettelijke voorschriften is gelet op de artikelen 23, 24c, 51, 57, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 2, 3 en 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.




BESLISSING


De rechtbank:


verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;


verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;


stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;


verklaart de verdachte strafbaar;


veroordeelt de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde tot een geldboete van € 75.000 (vijfenzeventig duizend euro);


veroordeelt de verdachte ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde tot een geldboete van € 10.000 (tienduizend euro);


veroordeelt de verdachte ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde tot een geldboete van € 10.000 (tienduizend euro).




Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. van den Berg, voorzitter,

en mrs. J. Snitker en E.A. van der Giessen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.E.G. Busemeijer genaamd Lagemann, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 april 2015.


De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


Bijlage I bij vonnis van 9 april 2015:



TEKST TENLASTELEGGING


Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat



1.


(trein 45748)


zij,


in of omstreeks de periode van 17 april 2011 tot en met 18 april 2011 op het

spoortraject van Zevenaar naar Zwijndrecht (rangeeremplacement Kijfhoek), in

elk geval in Nederland,


tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

al dan niet opzettelijk,


in strijd met het bepaalde bij en/of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke

stoffen,


gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel per spoor heeft vervoerd en/of

een vervoermiddel, waarin of waarop zich gevaarlijke stoffen of resten daarvan

bevinden, heeft laten staan en/of laten liggen (op het rangeeremplacement

Kijfhoek) en/of

overige met het vervoer van gevaarlijke stoffen rechtstreeks samenhangende

handelingen heeft verricht,


te weten 2, althans één of meerdere, reservoirwagen(s), namelijk:


-wagennummer 33807809230-5 en/of

-wagennummer 33807809248-7,


die (elk) beladen waren/was met chloor (UN 1017, klasse 2),


zijnde die stof een gevaarlijke stof, als bedoeld in artikel 1 van de Wet

vervoer gevaarlijke stoffen,


zonder een of meer door de Minister van Verkeer en Waterstaat/ Minister van

Infrastructuur en Milieu gestelde regel(s) in de VSG (Regeling vervoer over de

spoorweg van gevaarlijke stoffen) en/of de bij de VSG behorende bijlage(n) in

acht te nemen,


immers,


in strijd met voorschrift/randnummer 1.9.5.4 NE van bijlage 2 van de VSG

(Aanvullende voorschriften):


(a)

vond het vervoer van UN 1017 chloor in die reservoirwagen(s) plaats in een

trein (45748) waarin 10, althans één of meerdere, andere reservoirwagen(s)

die leeg en ongereinigd waren/was van (een) gevaarlijke stof(fen), te weten

propyleenoxide (UN 1280, klasse 3) en/of waterstofperoxide oplossing in water

(UN 2014, klasse 5.1) en/of een mengsel van koolwaterstofgassen vloeibaar

gemaakt n.e.g (UN 1965, klasse 2) en/of een mengsel van butadienen en

koolwaterstof gestabiliseerd (UN 1010, klasse 2), waren opgenomen, zijnde

(een) andere reservoirwagen(s) dan (een) reservoirwagen(s) met UN 1017 chloor,


en/of


(b)

was tijdens het vervoer de snelheid van die trein op één of meer

tijdstip(pen) hoger dan 60 kilometer per uur, immers was de gemiddelde

snelheid van die trein circa 80 kilometer per uur en/of bedroeg de snelheid

van die trein op enig moment (circa) 93 kilometer per uur;



art 2 Besluit vervoer gevaarlijke stoffen

art 3 Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (VSG)

Bijlage 2 van de VSG (Aanvullende voorschriften)

art 5 Wet vervoer gevaarlijke stoffen



2.


(trein 61013)


zij,


op of omstreeks 18 april 2011 op het spoortraject van Zwijndrecht

(rangeeremplacement Kijfhoek) naar Rotterdam (rangeeremplacement Botlek), in

elk geval in Nederland,


tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

al dan niet opzettelijk,


in strijd met het bepaalde bij en/of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke

stoffen,


gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel per spoor heeft vervoerd en/of

een vervoermiddel, waarin of waarop zich gevaarlijke stoffen of resten daarvan

bevinden, heeft laten staan en/of laten liggen (op het rangeeremplacement

Botlek) en/of

overige met het vervoer van gevaarlijke stoffen rechtstreeks samenhangende

handelingen heeft verricht,


te weten 2, althans één of meerdere, reservoirwagen(s), namelijk:


-wagennummer 33807809230-5 en/of

-wagennummer 33807809248-7,


die (elk) beladen waren/was met chloor (UN 1017, klasse 2),


zijnde die stof een gevaarlijke stof, als bedoeld in artikel 1 van de Wet

vervoer gevaarlijke stoffen,


zonder een of meer door de Minister van Verkeer en Waterstaat/ Minister van

Infrastructuur en Milieu gestelde regel(s) in de VSG (Regeling vervoer over de

spoorweg van gevaarlijke stoffen) en/of de bij de VSG behorende bijlage(n) in

acht te nemen,


immers,


in strijd met voorschrift/randnummer 1.9.5.4 NE van bijlage 2 van de VSG

(Aanvullende voorschriften):


(a)

vond het vervoer van UN 1017 chloor in die reservoirwagen(s) plaats in een

trein (61013) waarin 2, althans één of meerdere, andere reservoirwagen(s) die

leeg en ongereinigd waren/was van (een) gevaarlijke stof(fen), te weten

trichloorethyleen (UN 1710, klasse 6.1) en/of hexamethyleendiamine (UN 2280,

klasse 8), waren opgenomen, zijnde (een) andere reservoirwagen(s) dan (een)

reservoirwagen(s) met UN 1017 chloor,


en/of


(b)

was tijdens het vervoer de snelheid van die trein op één of meer

tijdstip(pen) hoger dan 60 kilometer per uur, immers was de snelheid op enig

moment (circa) 76 kilometer per uur;



art 2 Besluit vervoer gevaarlijke stoffen

art 3 Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (VSG)

Bijlage 2 van de VSG (Aanvullende voorschriften)

art 5 Wet vervoer gevaarlijke stoffen



3.


(ter berechting is gevoegd parketnummer 10/995509-13)


(trein 40018)


zij,


op of omstreeks 16 oktober 2011 te Zwijndrecht, in elk geval in Nederland,


tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

al dan niet opzettelijk,


in strijd met het bepaalde bij en/of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke

stoffen,


gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel per spoor heeft vervoerd en/of

een vervoermiddel, waarin of waarop zich gevaarlijke stoffen of resten daarvan

bevinden, heeft laten staan en/of laten liggen (op het rangeeremplacement

Kijfhoek) en/of

overige met het vervoer van gevaarlijke stoffen rechtstreeks samenhangende

handelingen heeft verricht,


te weten, een open wagen, namelijk:


- wagennummer 33684575897-6, welke was beladen met een tankcontainer (CGSU

999902-0) die leeg en ongereinigd was van Argon (UN 1951, klasse 2),


zijnde die stof een gevaarlijke stof, als bedoeld in artikel 1 van de Wet

vervoer gevaarlijke stoffen,


zonder een of meer door de Minister van Verkeer en Waterstaat/ Minister van

Infrastructuur en Milieu gestelde regel(s) in de VSG (Regeling vervoer over de

spoorweg van gevaarlijke stoffen) en/of de bij de VSG behorende bijlage(n) in

acht te nemen,


immers,


in strijd met voorschrift/randnummer 5.4.0.1 van bijlage 1 van de VSG (RID):


was bij het vervoer van voornoemd goed, geregeld door het RID, geen

vervoersdocument voor gevaarlijke goederen, zoals voorgeschreven in 5.4.1 van

het RID, aanwezig;


art 2 Besluit vervoer gevaarlijke stoffen

art 3 Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (VSG)

Bijlage 1 van de VSG (RID)

RID: Reglement betreffende het internationale spoorwegverkeer van gevaarlijke

goederen, zoals bedoeld in artikel 2 van de VSG

art 5 Wet vervoer gevaarlijke stoffen



4.


(ter berechting is gevoegd parketnummer 10/995508-13)


(trein 43576)


zij,


op of omstreeks 19 oktober 2011 te Rotterdam, in elk geval in Nederland,


tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

al dan niet opzettelijk,


in strijd met het bepaalde bij en/of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke

stoffen,


gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel per spoor heeft vervoerd en/of

een vervoermiddel, waarin of waarop zich gevaarlijke stoffen of resten daarvan

bevinden, heeft laten staan en/of laten liggen (op het rangeeremplacement

Waalhaven-Zuid) en/of

overige met het vervoer van gevaarlijke stoffen rechtstreeks samenhangende

handelingen heeft verricht,


te weten 2, althans één of meerdere, open wagen(s), namelijk:


- wagennummer 37804951013-4, welke was beladen met een tankcontainer (ECMU

447010-2) die beladen was met, dan wel leeg en ongereinigd was van, bijtende

vloeistof giftig n.e.g (UN 2922, klasse 8) en/of


- wagennummer 31804556110-3, welke was beladen met een tankcontainer (BIDU

499458-6) die beladen was met, dan wel leeg en ongereinigd was van,

milieugevaarlijke vaste stof n.e.g. (UN 3077, klasse 9),


zijnde die stof(fen) (een) gevaarlijke stof(fen), als bedoeld in artikel 1 van

de Wet vervoer gevaarlijke stoffen,


zonder een of meer door de Minister van Verkeer en Waterstaat/ Minister van

Infrastructuur en Milieu gestelde regel(s) in de VSG (Regeling vervoer over de

spoorweg van gevaarlijke stoffen) en/of de bij de VSG behorende bijlage(n) in

acht te nemen,


immers,


in strijd met voorschrift/randnummer 5.4.0.1 van bijlage 1 van de VSG (RID):


was bij het vervoer van voornoemd(e) goed(eren), geregeld door het RID, geen

vervoersdocument voor gevaarlijke goederen, zoals voorgeschreven in 5.4.1 van

het RID, aanwezig en/of


in strijd met voorschrift/randnummer 1.4.2.2.5 van bijlage 1 van de VSG (RID):


heeft zij, verdachte, als vervoerder niet gewaarborgd dat [onderneming 1], zijnde

de beheerder van de gebruikte spoorweginfrastructuur, te allen tijde gedurende

het vervoer snel en/of onbeperkt toegang kon krijgen tot de informatie die het

hem mogelijk maakte te voldoen aan de voorschriften van 1.4.3.6 b) van het

RID, aangezien [onderneming 1] van de vervoerder een wagenlijst had ontvangen

waarop informatie over het UN-nummer van het gevaarlijke goed dat in of op

genoemde wagen met nummer 31804556110-3 werd vervoerd, ontbrak;


art 2 Besluit vervoer gevaarlijke stoffen

art 3 Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (VSG)

Bijlage 1 van de VSG (RID)

RID: Reglement betreffende het internationale spoorwegverkeer van gevaarlijke

goederen, zoals bedoeld in artikel 2 van de VSG

art 5 Wet vervoer gevaarlijke stoffen



5.


(ter berechting is gevoegd parketnummer 10/994534-13)


zij,


op of omstreeks 5 maart 2013 te Rotterdam, in elk geval in Nederland,


tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

al dan niet opzettelijk,


in strijd met het bepaalde bij en/of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke

stoffen,


gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel per spoor heeft vervoerd en/of

een vervoermiddel, waarin of waarop zich gevaarlijke stoffen of resten daarvan

bevinden, heeft laten staan en/of laten liggen (op het rangeeremplacement

Botlek) en/of

overige met het vervoer van gevaarlijke stoffen rechtstreeks samenhangende

handelingen heeft verricht,


te weten, 2, althans één of meerdere, reservoirwagen(s), namelijk:


- wagennummer 37807957063-6 en/of

- wagennummer 37847836465-6,


die (elk) leeg en ongereinigd waren/ was van benzine (UN 1203, klasse 3)


zijnde die stof een gevaarlijke stof, als bedoeld in artikel 1 van de Wet

vervoer gevaarlijke stoffen,


zonder een of meer door de Minister van Verkeer en Waterstaat/ Minister van

Infrastructuur en Milieu gestelde regel(s) in de VSG (Regeling vervoer over de

spoorweg van gevaarlijke stoffen) en/of de bij de VSG behorende bijlage(n) in

acht te nemen,


immers,


in strijd met voorschrift/randnummer 4.3.2.3.5 van bijlage 1 van de VSG (RID):


bevonden zich tijdens dat vervoer aan de buitenzijde van genoemde

tank(s)/reservoirwagen(s) gevaarlijke resten van de vervoerde stof, te weten

benzine (UN 1203, klasse 3) en/of


in strijd met voorschrift/randnummer 6.8.2.2.1 van bijlage 1 van de VSG (RID):


was de dichtheid van de bedrijfsuitrusting niet gewaarborgd, aangezien één of

meerdere schroefdop(pen) van die reservoirwagen(s) benzine lekte(n) en/of een

zijafsluiter (van wagen 37807957063-6) en/of een bodemafsluiter (van wagen

37847836465-6) niet volledig gesloten waren/was;


art 2 Besluit vervoer gevaarlijke stoffen

art 3 Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (VSG)

Bijlage 1 van de VSG (RID)

art 5 Wet vervoer gevaarlijke stoffen