Rechtbank Rotterdam, 10-04-2015 / 461654 en 472192


ECLI:NL:RBROT:2015:2550

Inhoudsindicatie
Verzoek gesloten plaatsing 18+ afgewezen. Jurisprudentie m.b.t. artikel 29a, eerste lid, Wet op de jeugdzorg, nog onverkort van toepassing.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-10
Publicatiedatum
2015-04-14
Zaaknummer
461654 en 472192
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

beschikking



RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd


zaakgegevens : C/10/467654 / JE RK 15-52 en 10/472192/ JE RK 15-740

datum uitspraak: 10 april 2015


Beschikking machtiging gesloten jeugdhulp in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Rotterdam.


betreffende


[Naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats], hierna te noemen [roepnaam].

De rechtbank merkt als belanghebbende aan:


[Naam], hierna te noemen de moeder,

wonende te Rotterdam.



Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het mondelinge verzoek van 12 januari 2015 (schriftelijk bevestigd op 13 januari 2015) van de Raad.

- de beschikking van 12 januari 2015 waarbij [de minderjarige] voorlopig onder toezicht is gesteld tot

12 april 2015 en waarbij een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van vier weken is verleend;

- de beschikking van 28 januari 2015 waarbij een machtiging gesloten jeugdhulp tot uiterlijk 12 april 2015 is verleend;

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 17 maart 2015, ingekomen bij de griffie op 18 maart 2015;

- de verklaring namens Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Rotterdam van 9 maart 2015 dat een voorziening nodig is op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder;

- de instemmende verklaring van 17 maart 2015 van een gekwalificeerde gedragswetenschapper;

- de beschikking van 23 maart 2015 waarbij [de minderjarige] onder toezicht is gesteld tot 22 april 2015 en waarbij het resterende verzoek van de Raad betreffende het verlenen van een machtiging tot plaatsing in gesloten jeugdhulp is aangehouden en verwezen naar de zitting van de meervoudige kamer op 2 april 2015.


Op 2 april 2015 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.



Gehoord zijn:

- de minderjarige [roepnaam], bijgestaan door mr. R.F.H. Tamboenan, die waarneemt voor mr. R.W. de Gruijl,

- [Naam], vertegenwoordiger van de Raad.

- [Naam], vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond hierna te noemen: de GI


Opgeroepen en niet verschenen zijn:

- de moeder (met bericht van verhindering en verklaring van geen bezwaar tegen de inhoudelijke voortzetting van de zaak buiten haar aanwezigheid).


Het standpunt van verzoeker

Namens de Raad is onder meer naar voren gebracht dat in de komende zes maanden de reeds gestarte behandeling van [de minderjarige] binnen gesloten jeugdhulp kan worden afgerond. Er is nog niets geregeld voor [de minderjarige] ten aanzien van haar toekomstperspectief na de gesloten plaatsing. Zij kan niet terugkeren naar huis. De vraag is hoeveel de GI nog voor haar kan betekenen als zij meerderjarig is geworden, maar niet langer binnen gesloten jeugdhulp zou verblijven. Het politieonderzoek naar aanleiding van de aangifte die [de minderjarige] heeft gedaan, loopt nog. De resultaten van haar persoonlijkheidsonderzoek zijn nog niet bekend.

De prostitutiewerkzaamheden van [de minderjarige] lagen ten grondslag aan het verzoek van de Raad om [de minderjarige] gesloten te plaatsen. Daarnaast was echter ook de insteek van de gesloten plaatsing om haar meer weerbaar te maken. De komende zes maanden kan worden toegewerkt naar zelfstandigheid. Aan de wettelijke vereisten van een gesloten machtiging voor een jeugdige die ouder dan 18 jaar is, wordt voldaan. De hulpverlening is al in gang gezet. De Raad verwijst voor het overige naar haar schriftelijke onderbouwing.

Desgevraagd kan de Raad, hoewel een en ander intern is besproken, geen standpunt innemen wat betreft de tot 1 januari 2015 gevormde jurisprudentie omtrent de gesloten plaatsing van 18-plussers in verhouding tot artikel 5 van het EVRM in combinatie met het bepaalde in artikel 6.1.2., vierde lid, Jeugdwet. De Raad is van mening dat aan de voorwaarden voor continuering van de gesloten plaatsing na het bereiken van de meerderjarigheid is voldaan.


De standpunten van de raadsman, [de minderjarige] en de GI


De raadsman

De raadsman heeft gesteld dat vrijheidsbeneming van een meerderjarige in strijd is met het EVRM dan wel enige andere verdragsbepaling. Weliswaar biedt de Jeugdwet een mogelijkheid voor een plaatsing van 18-plussers in (een accommodatie voor) gesloten jeugdhulp, maar aan de voorwaarden daarvan wordt niet voldaan. Er is wel een hulpverleningsplan gemaakt, maar in de praktijk is dat plan niets omvattend gebleken. Er wordt ook niet toegewerkt naar een andere vorm van jeugdhulp. [de minderjarige] verleent geen toestemming voor een voortgezet verblijf in gesloten jeugdhulp.


[de minderjarige]

[de minderjarige] heeft ter terechtzitting aangegeven teleurgesteld te zijn in de GI. Zij verblijft nu al drie maanden binnen gesloten jeugdhulp, maar er is tot op heden op geen enkele manier toegewerkt naar zelfstandigheid zoals haar was beloofd. Zij had verwacht dat zij op het gebied van school, werk en bij het vinden van een vervolgplek geholpen zou worden, maar zij moet alles zelf regelen. Zij heeft het gevoel dat zij opgesloten zit met als enige doel haar te weerhouden van een afkeuringswaardig beroep, te weten de prostitutie. [de minderjarige] geeft aan de prostitutie als normaal werk te ervaren, wel is zij zich ervan bewust dat zij hierin veilige keuzes dient te maken. Zij wijst eventuele terugkeer in de prostitutie niet af, maar zal in het vervolg voor het legale circuit - een privéhuis of seksclub - kiezen waar haar veiligheid beter gewaarborgd is. Vooralsnog wil zij zich echter concentreren op haar MBO-opleiding en haar baan bij een broodjeszaak. [de minderjarige] geeft aan EMDR te willen blijven volgen, ook indien zij niet langer gesloten geplaatst is. Desgevraagd geeft [de minderjarige] aan ook met een kortere periode van verlenging niet in te stemmen.


De GI

Namens de GI is onder meer naar voren gebracht dat het bij de plaatsing uiteraard al duidelijk was, dat [de minderjarige] binnen afzienbare tijd 18 jaar zou worden. De ingezette behandeling vergt echter een langere periode. Voorkomen moet worden dat zij in haar oude gedrag vervalt. [de minderjarige] doet het goed op de groep. Indien zij op 22 april 2015 buiten zou staan, zijn er grote zorgen over wat er met haar gaat gebeuren. Er wordt vermoed dat [de minderjarige] weer in de prostitutie gaat werken. Die situatie wordt door de GI als gevaarlijk ingeschat. De komende zes maanden kan ook verder worden toegewerkt naar haar meer weerbaar en sterker te maken.

De GI heeft, gevraagd naar het standpunt van de GI wat betreft de in het verleden gevormde jurisprudentie omtrent de gesloten plaatsing van 18-plussers in verhouding tot artikel 5 van het EVRM in combinatie met de nieuwe Jeugdwet, te kennen gegeven geen standpunt hieromtrent te hebben ingenomen.


De verdere beoordeling


Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2., tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging slechts worden verleend indien naar het oordeel van de rechtbank deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.


Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2., vierde lid, Jeugdwet kan een machtiging voor een jeugdige die achttien jaar is, bovendien slechts worden verleend indien:

a. sprake is van een behandeling die reeds aangevangen is voordat de leeftijd van achttien jaar is bereikt;

b. voor het bereiken van de leeftijd van achttien jaar een hulpverleningsplan is vastgesteld;

c. toegewerkt wordt naar een andere vorm van jeugdhulp dan gesloten jeugdhulp en dit ook blijkt uit het hulpverleningsplan, en

d. de gesloten jeugdhulp niet langer duurt dan zes maanden na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar.


De rechtbank is van oordeel dat ook onder de huidige Jeugdwet de jurisprudentie die is gevormd ten aanzien van artikel 29a Wet op de jeugdzorg (vervallen per 01-01-2015) nog onverkort en overeenkomstig van toepassing is. Uit de gevormde jurisprudentie maakt de rechtbank op dat afronding van een tijdens de minderjarigheid ingezette en inmiddels gevorderde behandeling die gericht is op het wegnemen van belemmeringen in de ontwikkeling naar volwassenheid, slechts onder zeer bijzondere en zwaarwegende omstandigheden binnen de grenzen van artikel 5 van het ERVM mogelijk is.


De rechtbank verwijst daarbij onder meer naar de rechtsoverwegingen van het Gerechtshof Arnhem van 26 mei 2009 (ECLI:NL:GHARN:2009:BJ3938)


4.7

Bij de beoordeling of verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie gesloten jeugdzorg voor een jeugdige van 18 jaar en ouder in strijd is met artikel 5, lid 1, aanhef en onder d EVRM staat voorop dat zodanige machtiging strekt tot vrijheidsbeneming als bedoeld in voornoemd artikel 5. Dit artikel houdt een verbod in iemand van zijn vrijheid te beroven met uitzondering van de specifiek aangegeven gevallen, waaronder het geval van rechtmatige detentie van een minderjarige met het doel toe te zien op zijn opvoeding. Het hof stelt vast dat in artikel 5, lid 1, onder d EVRM het begrip “minderjarige” niet is gedefinieerd. Nu in de Nederlandse wetgeving de meerderjarigheid wordt bereikt op achttienjarige leeftijd, is als “minderjarige” naar nationale wettelijke maatstaven aan te merken diegene, die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.


4.9

Het hof is van oordeel dat er enige, zij het zeer beperkte ruimte is voor een op een eerdere machtiging tot uithuisplaatsing aansluitende periode van vrijheidsbeneming na het bereiken van de meerderjarigheidsleeftijd. Het moet binnen de grenzen van artikel 5 van het EVRM mogelijk worden geacht om jeugdzorg in een gedwongen kader voort te zetten, mits die is aangevangen vóór het bereiken van de algemene meerderjarigheidsleeftijd én er concreet uitzicht is op afronding van de behandeling binnen korte en afzienbare tijd na het bereiken van de achttienjarige leeftijd, waarbij in alle gevallen moet zijn voldaan aan het wettelijk criterium dat er nog steeds sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. (…)


De vraag of de door de Raad verzochte termijn kan worden aangemerkt als zijnde 'binnen korte en afzienbare tijd na het bereiken van de achttienjarige leeftijd' hangt naar het oordeel van de rechtbank af van de feiten en omstandigheden van het individuele geval. Daarbij is onder meer van belang de ernst van de problematiek, de bereidheid van de minderjarige om aan de behandeling mee te werken en de gebleken doelmatigheid van het verblijf in gesloten jeugdhulp.


Vooropgesteld dient te worden dat [de minderjarige] zich verzet tegen een voortgezet verblijf binnen een gesloten setting na het bereiken van haar meerderjarigheid. [de minderjarige] heeft voorts aangegeven therapie (EMDR) te willen blijven volgen ook indien zij buiten de instelling verblijft. [de minderjarige] heeft nagedacht over haar toekomst. Prostitutie lijkt voor haar - voor zover mogelijk - een keuze te zijn. Een voortgezet verblijf binnen de gesloten setting van zes maanden zal die keuze van [de minderjarige] naar alle waarschijnlijkheid niet kunnen veranderen en daarbij zou een voortgezet verblijf mogelijk zelfs contraproductief werken omdat uit hetgeen [de minderjarige] tijdens de terechtzitting naar voren heeft gebracht, geconcludeerd kan worden dat als zij tegen haar wil gesloten geplaatst moet blijven, zij zich niet langer gaat inzetten voor de behandeling. Een voortgezet verblijf zou dan slechts een uitstel betekenen, zonder dat aan haar bedreigde ontwikkeling wordt gewerkt. Een voorgezet verblijf van zes maanden na haar 18de verjaardag tegen [de minderjarige] wil is naar het oordeel van de rechtbank een onaanvaardbare inbreuk op haar persoonlijke vrijheid.


De rechtbank is derhalve van oordeel dat er in de onderhavige zaak geen sprake is van bijzondere en zwaarwegende omstandigheden, waardoor een uitzondering op het verbod van artikel 5 EVRM gerechtvaardigd is.


De rechtbank betreurt dat er door de GI niet over een alternatief plan is nagedacht, voor het geval dat de rechtbank het verzoek van de Raad niet zou toewijzen. Thans ziet de rechtbank zich voor de onwenselijke situatie gesteld dat er geen concrete plannen zijn wat er met [de minderjarige] na 12 april 2015 moet gebeuren. Zo is er nog geen vervolgplek voor [de minderjarige] geregeld.

De rechtbank is om die reden wel van oordeel dat aan de vereisten van artikel 6.1.2., tweede lid, Jeugdwet wordt voldaan. [de minderjarige] heeft geen netwerk en zou geen dak boven haar hoofd hebben met alle risico’s van dien. De rechtbank zal derhalve een machtiging gesloten jeugdhulp verlenen, en wel tot aan de datum waarop [de minderjarige] meerderjarig wordt te weten op 22 april 2015.

De rechtbank verzoekt de GI daarbij uitdrukkelijk om onverwijld een vervolgplek voor [de minderjarige] regelen en haar de nodige nazorg te bieden.



De beslissing


De rechtbank:


verleent een machtiging gesloten jeugdhulp met ingang van 12 april 2015 tot uiterlijk 22 april 2015 (datum meerderjarigheid) betreffende de minderjarige [de minderjarige];


wijst het verzoek voor het overige af.


Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. van den Broek-Prins, voorzitter, tevens kinderrechter, en mrs. G.M. Paling en A.A.J. de Nijs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V.A. Versloot als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2015.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofDen Haag.