Rechtbank Rotterdam, 18-03-2015 / C/10/454191 / HA ZA 14-687


ECLI:NL:RBROT:2015:2617

Inhoudsindicatie
Internationale bevoegdheid. Art. 1074 Rv. Ondervervoerder wordt aangesproken op grond van onrechtmatige daad. De bewoordingen van de Himalaya-clausule zijn in dit geval niet zo ruim dat daaronder ook valt het recht om zich op het arbitraal beding te beroepen.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-03-18
Publicatiedatum
2015-04-15
Zaaknummer
C/10/454191 / HA ZA 14-687
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • NTHR 2015, afl. 3, p. 148
  • TvA 2015/59
  • S&S 2015/110
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel


zaaknummer / rolnummer: C/10/454191 / HA ZA 14-687


Vonnis van 18 maart 2015


in de zaak van


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WESTFALIA MARKETING B.V.,

gevestigd te Maasdijk,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. C. Almeida te Rotterdam,


tegen


1. de rechtspersoon naar het recht van haar vestiging

LCL GROUP C/O LCL LOGISTICA CHILE LTDA.,

gevestigd te Santiago, Chili,

gedaagde,

niet verschenen,

2. de rechtspersoon naar het recht van haar vestiging

MITSUI O.S.K. LINES,

gevestigd te Tokyo, Japan,

gedaagde,

eiseres in het incident,

advocaat mr. M. Verhagen te Rotterdam.


Partijen zullen hierna Westfalia, LCL en Mitsui genoemd worden.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding van 20 maart 2014;
  • - de akte overlegging producties van Westfalia;
  • - de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid;
  • - de incidentele conclusie van antwoord;
  • - het op 16 februari 2015 gehouden pleidooi.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De vordering en het verweer in het incident

2.1.

Mitsui vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vordering van Westfalia kennis te nemen met veroordeling van Westfalia in de proceskosten. Mitsui stelt daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende.


2.2.

Westfalia heeft haar vordering jegens LCL gebaseerd op een cognossement en heeft Mitsui als feitelijk vervoerder mede aangesproken op basis van onrechtmatig handelen. Westfalia is toegetreden tot het cognossement. Dat betekent dat Westfalia als ‘merchant’ de cognossementsvoorwaarden heeft geaccepteerd. Clausule 4 van de cognossementsvoorwaarden bevat een zogenaamd Himalaya beding. Clausule 39 bepaalt dat geschillen in arbitrage te Londen moeten worden vervolgd. Om die reden is de rechtbank Rotterdam onbevoegd om van de vordering kennis te nemen.


2.3.

Westfalia concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering met veroordeling van Mitsui in de kosten van het incident met uitvoerbaarverklaring van het vonnis in zoverre bij voorraad. Westfalia voert daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aan.


2.4.

Westfalia betwist de cognossementsvoorwaarden waarop Mitsui zich beroept te hebben geaccepteerd dan wel te zijn toegetreden tot enig cognossement of een vervoerovereenkomst met dergelijke condities. Westfalia betwist gehouden te zijn onderzoek te doen naar de condities die geen deel uitmaken van het vervoersdocument zoals Westfalia dat heeft ontvangen. Daarnaast betwist Westfalia op een andere manier bekend te zijn met dergelijke condities en vaker zaken te hebben gedaan met LCL. Westfalia betwist dat de cognossementsvoorwaarden tussen LCL en de afzender, Peru Frut Tropical S.A.C. (hierna: Peru Frut), zijn overeengekomen. Voor het geval wel geldt dat Westfalia gebonden is aan de condities waar Mitsui naar verwijst, geldt blijkens de tekst van het Himalayabeding dat Mitsui enkel een beroep kan doen op vrijwarings- en aansprakelijkheidsclausules, gelijk LCL dat zou kunnen doen. Mitsui komt geen beroep toe op het arbitraal beding want dat is geen beding dat enige ‘defence, liberty, exemption of immunity from liability’ oplevert.


2.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


3De beoordeling in het incident

3.1.

Mitsui heeft in haar eerste processtuk, derhalve tijdig, een beroep gedaan op onbevoegdheid van de rechtbank stellende dat tussen partijen een arbitraal beding geldt.


3.2.

Er is sprake van een internationaal geval. Westfalia is in Nederland gevestigd, LCL in Chili en Mitsui in Japan en de vordering is aanhangig gemaakt bij een gerecht in Nederland. LCL en Mitsui hebben geen woonplaats in een lidstaat van de Europese Unie zodat de EEX-Vo niet van toepassing is. De bevoegdheidsvraag dient daarom in beginsel aan de hand van de commune bevoegdheidsregels van boek 1, titel 1, afdeling 1 en boek 4, titel 2 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) te worden beantwoord.


3.3.

Eiseres in de hoofdzaak, Westfalia, legt aan haar vordering jegens Mitsui het volgende ten grondslag. Westfalia stelt dat er schade is ontstaan aan een door haar van Peru Frut gekochte lading avocado’s tijdens het zeevervoer van Callao, Peru, naar Rotterdam met het ms. “Rio Taku”. De totale schade is vastgesteld op € 48.074,40. Westfalia is de ontvanger onder het vervoersdocument. LCL is tekortgeschoten in haar verplichting om de avocado’s aan Westfalia af te leveren in de staat van ontvangst. Mitsui heeft de container met avocado’s feitelijk vervoerd. Mitsui heeft de avocado’s niet vervoerd op de wijze waarop deze dienden te worden vervoerd. Mitsui heeft jegens Westfalia onrechtmatig gehandeld door de belangen van Westfalia te veronachtzamen. Voorts stelt Westfalia dat de rechtbank Rotterdam bevoegd is op grond van artikel 6 sub a juncto sub e Rv omdat Rotterdam de plaats was waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan.


3.4.

Mitsui heeft de gestelde bevoegdheid op grond van artikel 6 sub e Rv als zodanig niet betwist maar grondt haar vordering tot onbevoegdverklaring op het op de achterzijde van het vervoersdocument opgenomen Himalaya-beding en arbitraal beding.


3.5.

Op grond van artikel 1074 Rv dient de Nederlandse rechter bij wie een geschil aanhangig is gemaakt waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten waaruit voortvloeit dat arbitrage buiten Nederland moet plaatsvinden, zich onbevoegd te verklaren, tenzij de overeenkomst ongeldig is onder het op die overeenkomst toepasselijke recht.


3.6.

De vraag die voorligt is derhalve of Westfalia aan het in het vervoersdocument opgenomen arbitraal beding is gebonden. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

3.6.1.

Partijen zijn het er over eens dat Mitsui de lading avocado’s als ondervervoerder in opdracht van LCL feitelijk heeft vervoerd en dat de eis van Westfalia jegens Mitsui in de hoofdzaak is gegrond op onrechtmatig handelen.

3.6.2.

De clausule 4.2 (Himalaya-beding) waarop Mitsui zich beroept, luidt – voor zover thans van belang – als volgt:


“4. SUB-CONTRACTING


4.2

Every employee, agent, sub-contractor and independent contracter of the Carrier (…) shall be a beneficiary of this Bill of Lading and shall be entitled to all defences, liberties, exemptions and immunities from and limitations of liability which the carrier has under the provisions of this Bill of Lading and under any other applicable national law and as such may protect themselves against any liability whether or not arising out of negligence on the part of such persons, companies or other entities, and in entering into this contract, the Carrier, to the extent of these provisions, does so not only on its own behalf but also as agent and trustee for each of the persons, companies or other entities described above, all of whom shall be deemed parties to the contract evidenced by this Bill of Lading.



Het in de voorwaarden opgenomen arbitraal beding luidt – voor zover thans van belang – als volgt:


“39. ARBITRATION CLAUSE

Any dispute arising out of or relating to this Bill of Lading shall exclusively be referred to Arbitration in Londen before a panel of three Arbitrators, one Arbitrator to be nominated by the Carrier and the other by the Merchant, and a third by the two so nominated. (…) The proper and exclusive law of this Bill of Lading shall be English law.’

3.6.3.

Partijen verschillen van mening over de toepasselijkheid van de voorwaarden tussen Peru Frut en LCL. De rechtbank laat dit in het midden.

Mitsui is, als ondervervoerder die de partij avocado’s in opdracht van LCL vervoerde, een ‘sub-contractor’ van LCL als bedoeld in clausule 4.2. en zou op grond van clausule 4.2 een beroep toekomen op de in de voorwaarden vervatte verweren, vrijheden, uitsluitingen en beperkingen van aansprakelijkheid (“defences, liberties, exemptions and immunities from and limitations of liability”). Gelet op dat woordgebruik gaat het om materiële, inhoudelijke verweren. Het arbitraal beding onderscheidt zich van zulke verweren omdat het beding niet als een dergelijk verweer, vrijheid of uitsluiting of beperking van aansprakelijkheid valt aan te merken. Een arbitraal beding begunstigt niet één partij maar belichaamt een wederzijdse overeenkomst waarbij partijen met elkaar overeenkomen aan welk gerecht zij geschillen voorleggen. De bewoordingen ‘shall be a beneficiary of this Bill of Lading and shall be entitled to all defences, liberties, exemptions and immunities from and limitations of liability which the carrier has under the provisions of this Bill of Lading’ zijn – anders dan in de door Mitsui genoemde uitspraak van het gerechtshof ’s-Gravenhage in de zaak ‘OPDR Lisboa’ (ECLI:NL:GHSGR:2008:BD5585) – niet zo ruim dat daaronder ook valt het recht om zich op het arbitraal beding te beroepen.


3.7.

De slotsom is dat Mitsui jegens Westfalia geen beroep toekomt op het arbitraal beding zodat het beroep op onbevoegdheid niet opgaat.


3.8.

Mitsui zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.



4De beslissing

De rechtbank


in het incident

4.1.

wijst het gevorderde af,


4.2.

veroordeelt Mitsui in de kosten van het incident, aan de zijde van Westfalia tot op heden begroot op € 452,00,


4.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,


in de hoofdzaak

4.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 april 2015 voor conclusie van antwoord.


Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2015.

1573/1928