Rechtbank Rotterdam, 22-04-2015 / C-10-455004 - HA ZA 14-725


ECLI:NL:RBROT:2015:2807

Inhoudsindicatie
Renvooiprocedure. Bewijskracht akte schuldigerkenning.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2015-04-22
Publicatiedatum
2015-05-07
Zaaknummer
C-10-455004 - HA ZA 14-725
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel


zaaknummer / rolnummer: C/10/455004 / HA ZA 14-725


Vonnis van 22 april 2015


in de zaak van


[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in renvooi,

advocaat mr. R.J.H. [eiser],


tegen


1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

verweerster in renvooi,

advocaat mr. drs. Y.M.M. Ooykaas,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE MOLENWAARD,

zetelend te Bleskensgraaf,

verweerster in renvooi,

niet verschenen,

3. [verweerster3],

wonende te [woonplaats2],

verweerster in renvooi,

advocaat mr. drs. Y.M.M. Ooykaas.



Partijen zullen hierna [eiser], Gemeente Rotterdam, Gemeente Molenwaard en [verweerster3] genoemd worden. Verweersters zullen gezamenlijk worden aangeduid met Gemeente Rotterdam c.s.



1De procedure

1.1.

Deze zaak betreft een renvooiprocedure. Uit het proces-verbaal van 27 mei 2014 van de mondelinge behandeling in de rangregelingsprocedure met nummer C/10-418084/HA RK 13-93 (hierna: de rangregeling) blijkt onder andere het volgende:


‘De rechter-commissaris verwijst, nu hij hen niet heeft kunnen verenigen, mr. [eiser] als eiser en de Gemeente Rotterdam, de Gemeente Molenwaard en [verweerster3] als verweerders naar de rol van woensdag 9 juli 2014 voor renvooi.’


1.2.

Verder heeft de rechtbank kennis genomen van:

  • - de conclusie van eis in renvooi;
  • - de conclusie van antwoord in renvooi;
  • - het tussenvonnis van 12 november 2014;
  • - de brief van mr. [eiser] van 25 februari 2015 houdende producties 12 en 13;
  • - het proces-verbaal van comparitie van 12 maart 2015;
  • - de brief van mr. [eiser] van 30 maart 2015 met opmerkingen over het proces-verbaal;
  • - de brief van mr. Ooykaas van 30 maart 2015 met opmerkingen over het proces-verbaal.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.



2De feiten

2.1.

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties waarop beroep is gedaan, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast.


2.2.

Op 13 juni 2012 heeft er, op verzoek van de Gemeente Rotterdam en de Gemeente Liesveld (thans: Gemeente Molenwaard) een executieveiling plaatsgevonden waarbij dertien registergoederen, welke in eigendom toebehoorden aan de heer [persoon1], zijn verkocht. [eiser] heeft op 13 juni 2012, voorafgaand aan deze veiling, executoriaal beslag doen leggen op voormelde registergoederen.


2.3.

Het is schuldeisers niet gelukt tot een verdelingsregeling te komen. De Gemeente Rotterdam heeft op 5 februari 2013 een verzoek ingediend bij de Rechtbank Rotterdam tot het benoemen van een rechter-commissaris ter bepaling van de rangregeling. Dit verzoek is toegewezen. In de rangregeling is door negen schuldeisers een vordering ingediend.


2.4.

[eiser] heeft een vordering met een totaalbedrag van € 71.369,46 aangemeld. Ten bewijze van de vordering heeft [eiser] een notarieel proces-verbaal van 20 mei 2014 overgelegd (productie 10 bij conclusie van eis in renvooi), daaruit blijkt onder andere het volgende:


‘Ik heb als notaris deze tijdschrijfstaten onderzocht, op welke staten van alle verrichte werkzaamheden gespecificeerd staat vermeld de datum, het dossiernummer, de specificatie van de verrichte werkzaamheden alsmede de verrichte tijd en ik, notaris, concludeer, mede aan de hand van de betreffende automatisering, dat deze staten een juist beeld van de geschreven tijd geven. Deze werkzaamheden zijn verricht op basis van een opdrachtbevestiging, getekend door [persoon1] (…). Uit deze tijdschrijfstaten blijkt dat in totaal ten behoeve van de schuldenaar dan wel voormelde stichting in de periode van negentien januari tweeduizend negen tot en met dertig april tweeduizend twaalf voor zoveel uren rechtskundige bijstand is verleend, dat de daaruit voortvloeiende vordering (…) in totaal zeventig duizend euro bedraagt.’


2.5.

[verweerster3] heeft een vordering met een totaalbedrag van € 844.510,48 aangemeld.


2.6.

De Gemeente Rotterdam heeft een vordering met een totaalbedrag van

€ 221.090,60 aangemeld.

3. Het geschil


3.1.

[eiser] vordert, verkort weergegeven, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

zal verklaren voor recht dat [eiser] een vordering heeft op de heer [persoon1] zoals deze blijkt uit de notariële akte c.q. grosse van 1 juni 2012 en dat [eiser] voor deze vordering dient te worden toegelaten tot de rangregeling;

[eiser] toe zal laten tot de rangregeling voor zijn vordering te vermeerderen met de rente en kosten van beslaglegging;

Gemeente Rotterdam c.s. hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van dit geding, de nakosten daaronder begrepen met bepaling dat over de proceskosten wettelijke rente verschuldigd zal zijn vanaf 14 dagen na het vonnis.


3.2.

De Gemeente Rotterdam en [verweerster3] voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vordering, althans tot ontzegging van de vordering, met veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van [eiser] in de kosten van het geding.


3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.



4De beoordeling

4.1.

In de onderhavige zaak is in geschil of [eiser] met zijn vordering van € 71.369,46 kan worden toegelaten tot de rangregeling. Aan zijn vordering legt [eiser] ten grondslag dat hij, in opdracht van [persoon1], werkzaamheden als advocaat heeft verricht. Omdat [persoon1] vooralsnog niet in de gelegenheid was te betalen heeft [eiser] pro forma facturen aan [persoon1] gestuurd en deze voor akkoord laten paraferen en ondertekenen (productie 2 bij conclusie van eis in renvooi). [persoon1] heeft per notariële akte van schuldigerkenning van 1 juni 2012 de vordering van [eiser] van € 70.000,00 op hem erkend (productie 4 bij conclusie van eis in renvooi).


4.2.

De Gemeente Rotterdam en [verweerster3] betwisten niet dat [eiser] werkzaamheden voor [persoon1] heeft verricht, maar maken uit het notariële proces-verbaal van 20 mei 2014 (productie 10 bij conclusie van eis in renvooi) op dat [eiser] tevens werkzaamheden heeft verricht voor de Stichting van [persoon1]. Nu [eiser] heeft nagelaten duidelijk aan te geven welk deel van zijn werkzaamheden zijn verricht voor de Stichting en welk deel voor [persoon1], dient alleen al om deze reden de vordering van [eiser] gepasseerd te worden en dient [eiser] niet mee te delen in de verdeling van de executieopbrengst. Aldus de Gemeente Rotterdam en [verweerster3].


4.3.

Hieromtrent wordt als volgt overwogen. [eiser] heeft ter comparitie desgevraagd toegelicht dat de werkzaamheden voor de Stichting van [persoon1] zijn verricht in een door mr. Ooykaas mede namens [verweerster3] aanhangig gemaakte procedure met betrekking tot de erfenis van de overleden moeder van [verweerster3] en [persoon1]. Voorts heeft [eiser] onweersproken gesteld dat [persoon1] bestuurder is van deze Stichting en dat [persoon1] opdracht heeft gegeven voor deze werkzaamheden, die overigens slechts mede voor de Stichting zijn verricht omdat [persoon1] ook persoonlijk gedagvaard is in de procedure met betrekking tot de erfenis.


4.4.

[eiser] heeft een op 1 juni 2012 voor notaris mr. [notaris] verleden akte schuldigerkenning tussen [persoon1], niet hertrouwde weduwnaar van [persoon2] (als ‘schuldenaar’) en [eiser] (als ‘schuldeiser’) overgelegd (productie 4 bij conclusie van eis in renvooi). Hierin is onder meer het volgende opgenomen:


“De schuldenaar verklaarde de som van zeventig duizend euro (€ 70.000) aan de schuldeiser verschuldigd te zijn op grond van het hierna sub A tot en met D bepaalde en zich te verbinden tot nakoming van de volgende bepalingen sub I tot en met VI.

Partijen verklaren als volgt:

(A) schuldenaar is – al dan niet gezamenlijk met diens Stichting (‘Stichting [stichting]’, ingeschreven in de Kamer van Koophandel onder nummer 24337941) (hierna “de Stichting”) – verwikkeld in meerdere juridische procedures.

(B) Mede daartoe is schuldenaar per negentien januari tweeduizend negen (19/1/2009) een schriftelijke overeenkomst van opdracht aangegaan met schuldeiser, waarna schuldenaar in de periode (januari) tweeduizend negen tot en met (april) tweeduizend twaalf aan schuldeiser opdracht heeft gegeven om in diens hoedanigheid van advocaat c.q. gemachtigde de belangen van schuldenaar, de Stichting en/of [persoon1] c.s. te behartigen dan wel in rechte bij te staan.

(C) Wegens diens verrichtte werkzaamheden over de periode januari tweeduizend negen tot en met april tweeduizendtwaalf heeft schuldeiser op schuldenaar een (rest-)vordering wegens verschuldigd honorarium inclusief verschotten en (on)kosten.

(D) Partijen hebben het totaal verschuldigde bedrag – honorarium inclusief verschotten en (on)kosten per één mei 2012 (1/5/2012) – in overleg vastgesteld op zeventigduizend euro (€ 70.000), te weten een hoofdsom ad acht en vijftig duizend acht honderd drie en twintig euro drie en vijftig cent (€ 58.823,53), te vermeerderen met 19% BTW, welk bedrag inmiddels opeisbaar is.”


4.5.

Uit de inhoud van voormelde akte schuldigerkenning blijkt dat [persoon1] zich kennelijk persoonlijk heeft verbonden om de door [eiser] voor de Stichting verrichte werkzaamheden te betalen. Hierop strandt het door de Gemeente Rotterdam en [verweerster3] gevoerde verweer.


4.6.

Het verweer van Gemeente Rotterdam c.s. dat [eiser] de werkzaamheden voor [persoon1] op toevoegingsbasis had kunnen verrichtten, treft geen doel. Uit de berichtgeving van de Raad voor Rechtsbijstand (productie 11 bij conclusie van eis in renvooi) volgt dat, in de periode van 2009-2011, geen toevoegingen zijn verleend. Bovendien staat als onweersproken vast dat [persoon1] daar destijds, gezien zijn inkomsten en vermogen, niet voor in aanmerking kwam.


4.7.

Ter comparitie heeft [eiser] zijn handelswijze kort toegelicht. Over een periode van 40 maanden heeft [eiser] in totaal ongeveer 412 uur werkzaamheden verricht voor [persoon1]. Dit komt volgens [eiser] neer op 2,5 uur per week. [persoon1] was destijds niet in staat om te betalen, daarom heeft [eiser] periodiek pro forma facturen voor paraferen en ondertekenen aan [persoon1] gestuurd. Gezien het vermogen van [persoon1] beschouwde [eiser] hem niet als een gewone particulier.

De gemeente Rotterdam en [verweerster3] hebben aangevoerd dat deze handelswijze van [eiser] vragen bij hen oproept. Door het oplopen van de vorderingen nam [eiser] een groot risico en kreeg hij eigen belang bij de uitkomst van de procedures waarin [eiser] [persoon1] bijstond, aldus de Gemeente Rotterdam en [verweerster3].


4.8.

Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende. Uit voormelde akte schuldigerkenning blijkt dat [eiser], in opdracht van [persoon1], werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van [persoon1]. De akte schuldigerkenning van 1 juni 2012 levert, ingevolge artikel 157 Rv, jegens een ieder dwingend bewijs op. Dit betekent dat zonder nadere instructie, maar behoudens tegenbewijs, vast staat hetgeen door de auteur van de akte, in dit geval de notaris, is vermeld.


4.9.

De handelswijze van [eiser] is opmerkelijk te noemen, maar dit maakt deze handelswijze niet ongeoorloofd. Bovendien leidt het er niet toe dat de werkzaamheden niet zijn verricht. [eiser] heeft zijn werkzaamheden met de producties 2 en 4 bij conclusie van eis in renvooi voldoende onderbouwd. Gelet op de onderbouwde stellingen van [eiser] had het op de weg van de gemeente Rotterdam en [verweerster3] gelegen de vordering van [eiser] gemotiveerd te betwisten. Dat hebben zij onvoldoende gedaan. De gemeente Rotterdam en [verweerster3] hebben aangevoerd ‘dat het er alle schijn van heeft dat er sprake is van een een-tweetje tussen [persoon1] en [eiser]’. Zij hebben deze stelling onvoldoende feitelijk geconcretiseerd zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen.


4.10.

[eiser] heeft zijn vordering per brief van 8 april 2013 (productie 8 bij conclusie van eis in renvooi), met als bijlagen een kopie van de notariële akte schuldigerkenning van 1 juni 2012 en een kopie van het proces-verbaal van 13 juni 2012 van het ingeschreven executoriale beslag, aangemeld bij de rechter-commissaris.


4.11.

Ingevolge artikel 551 lid 3 Rv is een beslaglegger op de zaak of op de koopprijs belanghebbende bij de verdeling van de opbrengst van de executieveiling . Niet is in geschil dat [eiser] executoriaal beslag heeft laten leggen, zodat hij als belanghebbende moet worden aangemerkt.


4.12.

Op grond van al het voorgaande dient de vordering van [eiser] te worden toegelaten tot de rangregeling. De gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen als in het dictum omschreven.


4.13.

De gemeente Molenwaard is niet verschenen in deze renvooiprocedure. De rechtbank zal de vordering van [eiser], als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.


4.14.

De Gemeente Rotterdam, de Gemeente Molenwaard en [verweerster3] zullen als in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 282,00 aan griffierecht en € 904,00 aan salaris advocaat (2 punten x tarief € 452), derhalve in totaal € 1.186,00.


4.15.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.



5De beslissing

De rechtbank


5.1.

verklaart voor recht dat [eiser] een vordering heeft op [persoon1], zoals deze blijkt uit de notariële akte c.q. grosse van 1 juni 2012, te vermeerderen met de rente en kosten van beslaglegging;


5.2.

verklaart voor recht dat [eiser] voor deze vordering dient te worden toegelaten tot de rangregeling met kenmerk C/10-418084/HA RK 13-93;


5.3.

veroordeelt de Gemeente Rotterdam, de Gemeente Molenwaard en [verweerster3] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.186, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;


5.4.

veroordeelt de Gemeente Rotterdam, de Gemeente Molenwaard en [verweerster3] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Gemeente Rotterdam c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;


5.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.



Dit vonnis is gewezen door mr. Sikkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 april 2015.

1573/2710/32